id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070622.6 Rolnummer: C.05.0514.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-19 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-07-03 19:22 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.6 Fiche 1 Een rijksweg, een gewestweg, een provincieweg of een gemeenteweg, op de plaats waar die door een spoorweg wordt gekruist, verliest, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming, op die kruising zijn oorspronkelijke aard en maakt integrerend deel uit van de spoorweg, zijnde de grote weg; het enkele feit van een bovengrondse kruising van de spoorweg met een daaronder gelegen rijksweg, gewestweg, provincieweg of gemeenteweg heeft op de plaats van die kruising niet de inlijving tot gevolg van de lager gelegen weg, ook al steunt de bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op de lager gelegen weg
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WEGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Rijksweg - Gewestweg - Provincieweg - Gemeenteweg - Spoorweg - Bovengrondse kruising - Bestemming Wettelijke bepalingen: Wet - 17-01-1938 - Enig art., laatste lid - 30 ELI link Pub nr 1938011750 Wet - 09-08-1948 - Art. 7, eerste lid Wet - 25-07-1891 - Art. 1 Fiches 2 - 3 Het laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, dat de Staat, de provinciën en de gemeenten het recht geeft om op hun domein de inrichting te doen wijzigen op kosten van de aanneming die de aanleg heeft gedaan, o.m. in het belang van de wegen, betreft zowel het openbaar als het privé-domein van die overheden maar vindt geen toepassing met betrekking tot een eigendom die niet aan een van hen toebehoort; uit die bepaling volgt dat een overheid, ten aanzien van een onroerend goed dat niet tot zijn domein behoorde, na de onteigening ervan het recht verkrijgt om zich in voorkomend geval op die bepaling te beroepen
(1).
(1)Zie Cass., 17 jan. 1992, AR 7400, nr
- Het O.M. kwam, na kennis genomen te hebben van de anticipatieve pleitnota en de replieknota van eiseres, terug op zijn eerdere schriftelijke conclusie, in zoverre het de door de verweerster opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid aannam; het concludeerde mondeling tot de verwerping van die gronden, omdat ze het Hof zouden verplichten tot een onderzoek van feiten (o.m. of de nutsleidingen van eiseres inderdaad niet dienstig waren voor gasvervoer), alsook tot gegrondheid van beide onderdelen (wat het tweede betreft, om dezelfde redenen als deze in de schriftelijke conclusie in de eerste zaak ontwikkeld). Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Inrichting - Wijziging - Belang van de wegen - Begrip - Onteigening Wettelijke bepalingen: Wet - 17-01-1938 - Enig art., laatste lid - 30 ELI link Pub nr 1938011750 Thesaurus CAS: ENERGIE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Openbaar domein - Inrichting - Wijziging - Begrip - Wegen - Belang - Onteigening Wettelijke bepalingen: Wet - 17-01-1938 - Enig art., laatste lid - 30 ELI link Pub nr 1938011750 Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 22 juni 2007, AR C.05.0514.N - C.05.0518.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: WEGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Rijksweg - Gewestweg - Provincieweg - Gemeenteweg - Spoorweg - Bovengrondse kruising - Bestemming Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Inrichting - Wijziging - Belang van de wegen - Begrip - Onteigening Thesaurus CAS: ENERGIE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Openbaar domein - Inrichting - Wijziging - Begrip - Wegen - Belang - Onteigening Tekst van de conclusie C.05.0514.N-C.05.0518.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 juni 2005 werden de eiseressen veroordeeld tot het terugbetalen aan de verweerster van de door deze laatste voorgeschoten kosten van de verplaatsing van de door de eiseressen aangelegde water-, resp. gasleidingen, die zich bevonden in de Groenendaallaan en - ingevolge het bouwen, in opdracht van de verweerster, van een nieuwe HSL-spoorwegbrug boven deze weg - dienden te worden verplaatst. De cassatieberoepen in de zaken A.R. C.05.0514.N en C.05.0518.N zijn gericht tegen dit zelfde arrest en dienen derhalve te worden samengevoegd. I. A.R. C.05.0514.N
- Het enig cassatiemiddel voert de schending aan van het enig artikel, zevende lid, van de Wet van 17 januari 1938, van het artikel 1 van de wet van 25 juli 1981 en van het artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet van 9 augustus
- De eiseres houdt voor dat, zo uit de samenhang van deze wetsbepalingen volgt dat een weg, op de plaats waar hij wordt gekruist door een nieuwe spoorweg (zijnde een grote weg) die wordt aangelegd, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming, zijn oorspronkelijke aard verliest en voortaan integrerend deel uitmaakt van de spoorweg waarin hij werd opgenomen, zulks een "gelijkgrondse"
(1)kruising onderstelt. Wanneer, zoals in dezen, de weg slechts overkoepeld
(2)wordt door een spoorwegbrug, zou van inlijving of incorporatie in het spoorwegdomein geen sprake kunnen zijn en zou de verweerster dan ook niet de bevoegdheid hebben gehad om op grond van de wet van 17 januari 1938 de verplaatsing van de waterleidingen op kosten van de eiseres te bevelen. Deze mogelijkheid is, volgens de bedoelde tekst van de wet van 1938, onderworpen aan twee voorwaarden: 1° de nutleidingen dienen te zijn gelegen in het domein behorende aan de overheid die de verplaatsing ervan gelast
(3); 2° de verplaatsing dient te worden opgelegd "hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen
(4), waterlopen, vaarten of van een openbare dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht". Het staat terzake niet ter discussie dat beide voorwaarden dienen te zijn vervuld. Dat de verplaatsing van de ondergrondse nutleidingen werd gelast "in het belang van de wegen" wordt evenmin in vraag gesteld. Wel wordt door de eiseres betwist dat aan de eerste voorwaarde is voldaan doordat de Groenendaallaan, die enkel "overkoepeld" wordt door de nieuwe HST-(spoorweg)brug en de nieuwe spoorweg dus niet "gelijkgronds" kruist, aldus toch "geïntegreerd", "geïncorporeerd" of "ingelijfd" is in deze nieuwe spoorweg. 3. Het Hof besliste, bij arrest van 10 oktober 1979
(5), dat de inlijving van het gedeelte van de gemeenteweg, waar hij wordt gekruist door een nieuwe aan te leggen rijksweg, geschiedt zodra dit gedeelte zijn nieuwe bestemming krijgt ingevolge het bevel om de nutleidingen te verplaatsen en derhalve zelfs voordat de nieuwe aan te leggen rijksweg wordt opengesteld voor het verkeer. Volgens het arrest van 13 juni 2003
(6)verliest de gemeenteweg, op de plaats waar hij wordt gekruist door een nieuwe rijksweg die wordt aangelegd, door het feit zelf van zijn bestemming zijn oorspronkelijke aard en maakt hij voortaan integrerend deel uit van de rijksweg waarin hij wordt opgenomen. Het Hof nam deze incorporatie door die bestemmingswijziging reeds aan in zijn arrest van 22 mei 1871
(7). Ingeval van "gelijkgrondse" kruising van een gemeentelijke weg en een nieuw aan te leggen spoorweg is het dan ook duidelijk dat op de plaats van de kruising de gemeentelijke weg mede bestemd wordt voor het spoorwegverkeer. Volgens de arresten van 25 november 1898
(8), 17 maart 1924
(9)en 3 mei 1968
(10)behoren de spoorwegen en hun aanhorigheden tot de grote wegenis.
- Waar al deze precedenten betrekking hebben op een reële incorporatie en daaraan een bestemmingswijziging verbinden, stelt het middel evenwel de vraag aan de orde of een "overkoepeling" van een lagere weg door een hogere aan eerst genoemde weg ook een andere bestemming geeft en, in het bijzonder, of de nieuwe HSL-spoorwegbrug meteen dit gevolg meebracht voor een deel van de Groenendaallaan, zodat niet is voldaan aan de hierboven aangehaalde eerste voorwaarde. Het middel bekritiseert het bestreden arrest inderdaad in zoverre het oordeelt dat die bovengrondse kruising ook een interceptie en dus een bestemmingswijziging tot gevolg heeft, op grond dat "de eenheid van het beheer van de wegen" zich daartegen niet verzet. Deze gevolgtrekking gaat immers nog een stap verder dan die jurisprudentiële constructie, afgeleid uit het slotlid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, maar nochtans reeds gesteund op wat de realiteit al enigszins overschrijdt: de wijziging van de bestemming was nooit compleet. Volgende argumenten pleiten voor de door het middel verdedigde opvatting dat deze constructie geen "interceptie" of incorporatie inhoudt: - de Groenendaallaan kreeg aldus geen andere bestemming - hoewel niet (geheel) vereist omwille van de eenheid van beheer van de spoorweg, zou de beheerder ervan dan ook moeten instaan voor het beheer en het onderhoud van de lagere weg, waarvan de bestemming nochtans, verkeerstechnisch, althans grotendeels, ongewijzigd blijkt te zijn gebleven.
- Waar men het erover eens is dat de redenen om wijzigingen van nutleidingen op te leggen limitatief in de wet (voormeld slotlid) zijn opgesomd en de heersende doctrine deze bepaling dus restrictief interpreteert, wordt ook aangenomen dat dit geen beletsel vormt voor haar ruime invulling, in die zin dat de nutbedrijven vooruitziend dienen te zijn en hun leidingen in risicoloze plaatsen moeten aanleggen
(11). In dezen staat evenwel niet ter discussie of eiseres voldoende vooruitziend was, noch dat de nutleidingen voor de bouw van de spoorwegbrug dienden te worden verlegd, dan wel of eiseres daarvan de kosten dient te dragen, op grond dat de weg daardoor een hogere bestemming kreeg. Welnu, wat ook de voormelde interpretatie mag zijn, deze door het arrest aangenomen reden lijkt me geen wettige reden, meer bepaald geen op grond van het slotlid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 verantwoorde reden te zijn en dus terecht door het middel bekritiseerd te worden. Dit lijkt me een "brug" te ver in de hierboven bedoelde jurisprudentiële constructie, waarnaar het arrest refereert. Een bovengrondse kruising heeft niet noodzakelijk hetzelfde gevolg als een interceptie op hetzelfde niveau. Ook al is de verplaatsing van de nutleiding noodzakelijk voor het bouwen van de spoorwegbrug en haar pijlers, het blijkt niet uit het arrest dat door dergelijke overbrugging de lagere weg zijn bestemming geheel verliest en deze van de spoorweg verkrijgt. Op de enkele grond dat het beheer van de wegen zich daartegen niet verzet verantwoordt het arrest zijn beslissing dat een bovengrondse kruising wel hetzelfde gevolg heeft, m.i., niet naar recht, zodat het middel me derhalve gegrond voorkomt. II. A.R. C.05.0518.N 6. De verweerster werpt tegen het cassatiemiddel een grond van niet-ontvankelijkheid op: inzake de verplaatsing van haar gasleiding is het gesteund op het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, terwijl deze wet, inzake gasvervoer, is opgeheven bij artikel 21 van de wet van 12 april 1965, waarvan het artikel 9 bepaalt onder welke voorwaarden de gasvervoerinstallaties kunnen worden verplaatst en wie de kosten daarvan moet dragen, doch waarvan het arrest geen toepassing maakt. Het middel dat afgeleid is uit een niet toepasselijke wetsbepaling is inderdaad niet ontvankelijk. De grond van niet-ontvankelijkheid dient aldus aangenomen te worden. 7. Conclusie: vernietiging op grond van het cassatiemiddel inzake A.R. C.05.0514.N en verwerping van het cassatieberoep inzake A.R. C.05.0518.N. _________________
(1)Eigen cursivering.
(2)Id.
(3)Cass. 17 januari 1992, AR 7400, nr. 254; zie in dezelfde zin D. Lagasse, "Du sort d'une route communale incorporée dans une route nationale en construction", noot onder Cass. 10 oktober 1979, J.T. 1981, 26, nr. 4 ; M.A. Flamme, "De la rencontre de canalisations et de câbles au cours de travaux publics", J.T. 1966, 116, nr. 23 ; M. Louveaux, "Energie électrique et gaz", R.P.D.B., C. IV, 153, nr. 76bis.
(4)Door het Hof werd bij arrest van 20 april 1978 (A.C. 1978, 955) beslist dat met de term 'wegen' dient te worden verstaan het geheel van de voor het openbaar vervoer aangewende wegen en niet enkel de wegen waarop de elektrische inrichtingen worden aangebracht, met uitsluiting van alle andere bestaande of nog aan te leggen openbare wegen; zie, wat betreft de draagwijdte van de uitdrukking "in het belang der wegen", tevens M. Louveaux, o.c., nrs. 92 e.v., R. Quintens, "Verplaatsen van leidingen van openbaar nut ten gevolge van de uitvoering van openbare werken", noot onder Cass. 10 oktober 1979, R.W. 1980-81, 1473, nr. 9. e.v. en M.A. Flamme, l.c., nr. 24.
(5)A.C., 1979-80, nr. 104, en R.W. 1980-1981, 1466 en J.T. 1981, met hierboven vermelde noten.
(6)A.R. C.00.0725.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.6, nr. 347.
(7)Pas. 1871, 319.
(8)Pas., 1899, I, 30.
(9)Ibid., 1924, I, 256.
(10)Ibid., 1968, 1033.
(11)V. Sagaert, Het zakelijk statuut van nutsleidingen in het Belgische recht, T.P.R. 2004, 1394, nr. 44. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div