id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 juli 2007 ECL
Art. 97
, § 1 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Vonnis - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Betekening - Akte van betekening - Termijn van neerlegging Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 418 en 420bis, eerste lid - 30 ELI link Pub
Art. 97
, § 1 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Vonnis - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Betekening - Akte van betekening - Termijn van neerlegging Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 418 en 420bis, eerste lid - 30 ELI link Pub
Art. 97
, § 1 Fiches 4 - 6 Telkens als de strafuitvoeringsrechtbank uitspraak doet over de haar voorgelegde betwistingen, spreekt zij een vonnis uit als bedoeld in artikel 149 van de Grondwet, zodat het in openbare terechtzitting moet worden uitgesproken nu de Wet Strafuitvoering niet in een uitzondering op die regel voorziet
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Uitspraak - Aard van de beslissing Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Uitspraak - Aard van de beslissing Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Uitspraak - Aard van de beslissing Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Fiches 7 - 12 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 24 juli 2007, AR P.07.0959.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Vonnis - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Betekening - Akte van betekening - Termijn van neerlegging Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Vonnis - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Betekening - Akte van betekening - Termijn van neerlegging Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Vonnis - Cassatieberoep van het openbaar ministerie - Betekening - Akte van betekening - Termijn van neerlegging Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Uitspraak - Aard van de beslissing Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Uitspraak - Aard van de beslissing Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting en dienst rechtbanken - Rechtbank van eerste aanleg - Strafuitvoeringsrechtbank GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Uitspraak - Aard van de beslissing Tekst van de conclusie P.07.0959.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: Retroakten [1] In dit dossier wordt Uw Hof geroepen zich in verenigde kamers uit te spreken over het cassatieberoep dat werd ingesteld door de procureur des konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent tegen het vonnis op verwijzing uitgesproken door de Strafuitvoeringsrechtbank te Gent op 27 juni
- Bij arrest van 10 april 2007 vernietigde de tweede kamer van Uw Hof het vonnis dat de Strafuitvoeringsrechtbank te Gent op 14 maart 2007 in de zaak P.D.B. had uitgesproken en verwees het de zaak naar dezelfde Strafuitvoeringsrechtbank, anders samengesteld. De vernietiging van het vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank van 14 maart 2007 werd uitgesproken ingevolge een ambtshalve aangevoerd middel gesteund op artikel 149 van de Grondwet. Waar dat vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank immers stelde dat het werd "uitgesproken op de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank Gent, te Gent op 14 maart 2007", oordeelde het Hof in het arrest van 10 april 2007 dat noch uit die vermelding, noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermocht acht te slaan, bleek dat het vonnis was uitgesproken in openbare terechtzitting zodat het vonnis aldus artikel 149 van de Grondwet schond. Het thans bestreden vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank van Gent van 27 juni 2007 uitgesproken op verwijzing, stelt uitdrukkelijk dat de "beslissing" of "vonnis" van de wet van 17 mei 2006, conform de wil van de wetgever, geen vonnis is in de zin van artikel 149 van de Grondwet en dat een uitspraak in openbare terechtzitting, niet van toepassing is" en zegt uitdrukkelijk dat "deze beslissing is genomen te Gent op 27 juni 2007." Het enige middel van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent tegen het vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank van 27 juni 2007, voert schending aan van artikel 149 van de Grondwet. Nu dit middel dezelfde draagwijdte heeft als het in het arrest van het Hof van 10 april 2007 ambtshalve aangevoerd middel, dient het Hof zich thans in toepassing van artikel 1119, eerste alinea, van het Gerechtelijk Wetboek in verenigde kamers uit te spreken over dit cassatieberoep van de procureur des Konings. Uw Hof stelde immers meermaals dat het middel dat wordt aangevoerd tot staving van een cassatieberoep tegen een beslissing op verwijzing na cassatie, door de verenigde kamers van het Hof wordt getoetst wanneer die beslissing onverenigbaar is met het cassatiearrest en het middel dezelfde strekking heeft als het middel dat door dat arrest werd aangenomen (Cass., 25 februari 1993, Ver. K;, AR 9373, nr. 115, met concl. adv.-gen. Liekendael in Bull. en Pas., 1993, I, nr. 115; Cass., 24 november 1997, S.96.0027.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971124.3, met concl. Adv.-gen. Leclercq in Bull. en Pas., 1997, I, nr. 499; Cass., 18 januari 1999, A.C., 1999, nr. 28; Cass., 25 september 2002, AR P.02.0153.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020925.13, www.cass.be). De ontvankelijkheid van het cassatieberoep [2] Voorafgaand aan het onderzoek van het aangevoerde middel, rijst de vraag naar de ontvankelijkheid van het casssatieberoep dat de procureur des Konings heeft ingesteld tegen het vonnis op verwijzing van de Strafuitvoeringsrechtbank te Gent van 27 juni 2007, gelet op het arrest dat uw Hof op 6 juni 2007 heeft uitgesproken in de zaak P.07.0689.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070606.2 (www.cass.be). In dat arrest blijkt Uw hof te hebben geoordeeld dat het cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank niet ontvankelijk is wanneer de stukken waaruit blijkt dat het cassatieberoep werd betekend aan de partij tegen wie het is gericht, niet werden neergelegd ter griffie van het Hof binnen de termijn van vijf dagen na het instellen van het cassatieberoep. [3] Overeenkomstig artikel 96 van de Wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (hierna Wet Strafuitvoering) staat tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of met betrekking tot de herroeping van de in Titel V van die wet bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden, evenals de overeenkomstig Titel XI van dezelfde wet genomen beslissingen, cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de veroordeelde. Artikel 97, § 1, eerste alinea, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het openbaar ministerie het cassatieberoep instelt binnen een termijn van vierentwintig uur, te rekenen van de dag waarop de beslissing hem werd ter kennis gebracht. Voor de veroordeelde bedraagt deze termijn eveneens vierentwintig uur, echter te rekenen van de dag van de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief. De tweede alinea, van artikel 97, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt vervolgens dat de cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep. [4] In voorliggende zaak blijkt het openbaar ministerie tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 27 juni 2007 cassatieberoep te hebben ingesteld op 28 juni 2007, hetzij binnen de termijn bepaald in artikel 97, § 1, eerste alinea, Wet Strafuitvoering. Een memorie houdende middelen werd op 29 juni 2007 neergelegd ter griffie van het Hof, hetzij binnen de termijn van vijf dagen waarin artikel 97, § 1, tweede alinea, Wet Strafuitvoering voorziet. De stukken waaruit blijkt dat het openbaar ministerie het cassatieberoep heeft laten betekenen aan de partij tegen wie het is gericht, werden neergelegd ter griffie van het Hof op 5 juli 2007, en dus buiten de termijn van vijf dagen na het instellen van het cassatieberoep. [5] Naast de termijn van vierentwintig uren om cassatieberoep in te stellen en de termijn van vijf dagen om een memorie te doen toekomen ter griffie van het Hof, voorziet de Wet Strafuitvoering niet in andere vormvereisten waaraan het cassatieberoep dat wordt ingesteld tegen een vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank dient te voldoen. Aldus is in de Wet Strafuitvoering niets bepaald omtrent het vereiste van betekening noch omtrent de termijn voor het neerleggen van andere stukken dan de memorie waarvan sprake in artikel 97, § 1, tweede alinea, Wet Strafuitvoering, zoals de stukken waaruit blijkt dat een cassatieberoep dat het openbaar ministerie instelt werd betekend aan de partij tegen wie het is gericht. Bij gebreke aan andersluidende bepalingen daaromtrent in de Wet Strafuitvoering dient dienaangaande dan ook teruggegrepen te worden naar het gemeen recht, dat in deze is bepaald in de artikelen 416 en volgende van het Wetboek van Strafvordering. In zoverre immers in bijzondere strafwetten niet in een van het gemeen recht afwijkende regeling is voorzien, geldt de normale casatieprocedure zoals bepaald in het Wetboek van Strafvordering. In zijn mercuriale van 1 september 2005 merkte procureur-generaal Marc De Swaef, zij het in het kader van een onderzoek naar de reikwijdte van artikel 416, eerste alinea, Wetboek van Strafvordering ten aanzien van bijzondere strafwetten, ook op dat men meer in het algemeen "de beginselen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing [acht] op de bijzondere strafwetten, behoudens afwijkende bepalingen" (M. DE SWAEF, Penaal cassatieberoep van nu en straks: enkele denkrichtingen voor de toekomst, mercuriale van 1 september 2005, nr. 16). Ook voormalig voorzitter van het Hof Jules D'HAENENS schreef: "In principe zijn de beginselen van het Wetboek van Strafvordering toepasselijk op die bijzondere strafwetten, behoudens afwijkende bepalingen. (...) Dit betekent dat, telkens wanneer toepassing wordt gemaakt van bijzondere strafwetten, tevens moet worden nagegaan of en in welke mate deze wetten bijzondere procedurevoorschriften inhouden" (J. D'HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Gent, Story-Scientia, 1985, nr. 56). Toegespitst op het cassatieberoep in strafzaken, impliceren voorgaande beginselen derhalve dat enerzijds nauwlettend dient te worden onderzocht welke regels betreffende het rechtsmiddel van het cassatieberoep in de bijzondere strafwet zijn opgenomen die de toepassing van andersluidende algemene regels uit het Wetboek van Strafvordering uitsluiten en anderzijds dat de algemene regels nog steeds van toepassing blijven wanneer de bijzondere strafwetten daaromtrent niets afwijkend bepalen. Wat het rechtsmiddel van het cassatieberoep betreft dat wordt ingesteld in het kader van de Wet Strafuitvoering, betekent het voorgaande dat in afwijking van artikel 422 Wetboek van Strafvordering een termijn van vierentwintig uur geldt om cassatieberoep in te stellen terwijl in afwijking van artikel 420bis, Wetboek van Strafvordering een memorie dient toe te komen op de griffie van het Hof ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep. Behoudens hetgeen is bepaald in artikel 97, § 3, Wet Strafuitvoering omtrent de schorsende kracht van het cassatieberoep tegen een beslissing die een in Titel V of Titel XI bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit toekent alsook omtrent de termijn waarbinnen het Hof zich over het cassatieberoep moet uitspreken - thema's die hier verder niet aan de orde zijn - zullen voor de overige modaliteiten en vormvereisten van het cassatieberoep dan ook de regels uit het Wetboek van Strafvordering blijven gelden. [6] Dit besluit moet dan óók gelden voor de termijn waarbinnen het openbaar ministerie de stukken waaruit blijkt dat het cassatieberoep werd betekend aan de partij tegen wie het is gericht, moet neerleggen ter griffie van het Hof. Na de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof omtrent de verenigbaarheid van artikel 418 Wetboek van Strafvordering met de Grondwet (met name de arresten van 30 juni 2004, nr. 120/2004, en van 13 september 2005, nr. 139/2005), staat vast dat de daarin bepaalde betekeningsverplichting nog steeds geldt voor het openbaar ministerie. Sinds voormelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof kan het Hof het cassatieberoep bij gebrek aan betekening weliswaar niet (meer) onontvankelijk verklaren inzoverre het uitgaat van de burgerlijke partij, maar dient het openbaar ministerie nog steeds tot betekening van zijn cassatieberoep over te gaan; bij gebreke daarvan zal de sanctie de niet-ontvankelijkheid van het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep zijn. De verplichting tot betekening bedoeld in artikel 418 Wetboek van Strafvordering geldt derhalve nog steeds voor het openbaar ministerie, óók indien het cassatieberoep instelt tegen een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank. Anders gezegd: nu de Wet Strafuitvoering niets afwijkend heeft bepaald omtrent de verplichting tot betekening van het cassatieberoep door het openbaar ministerie, blijft de algemene regel van artikel 418 Wetboek van Strafvordering zoals het toepasselijk is na voormelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dan ook gelden in strafuitvoeringszaken; dit is niet anders wat betreft de precieze modaliteiten, en in het bijzonder de termijnen die inzake betekening en neerlegging van de betekeningsexploten, moeten worden in acht genomen. [7] Artikel 418, eerste alinea, Wetboek van Strafvordering bepaalt weliswaar dat de betekening van het cassatieberoep aan de partij tegen wie het is gericht, dient te geschieden binnen een termijn van drie dagen. Niettemin neemt men aan dat deze termijn van drie dagen waarbinnen de betekening dient te gebeuren, niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, maar dat het noodzakelijk doch voldoende is dat de originele betekeningsstukken worden neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie binnen de wettelijke termijn (R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Brussel, Bruylant, 2006, nr.
- Vergelijk ook met o.m.: M. TRAEST, "Krachtlijnen van het cassatieberoep in strafzaken", N.C. 2007,
(97)112 en de verwijzingen aldaar). Meteen rijst dan uiteraard de vraag of daarvoor de termijnen blijven gelden die bestaan in het gemeen recht, met name deze bepaald in artikel 420bis, Wetboek van Strafvordering, dan wel of ook de termijn die in artikel 97, § 1, Wet Strafuitvoering bepaald is voor het neerleggen van de memorie toepassing vindt op de termijn waarbinnen de originele betekeningsstukken moeten worden neergelegd. [8] Toepassing van de onder randnummer 5 aangehaalde beginselen, leidt ongetwijfeld tot de conclusie dat ook voor die termijn het gemeen recht blijft gelden, met name deze bepaald in artikel 420bis, Wetboek van Strafvordering. Anders gesteld, indien de wetgever had gewild dat ook voor het neerleggen van de originele betekeningsstukken - of andere stukken dan de memorie - de termijn van vijf dagen zoals bepaald in artikel 97, § 1, Wet Strafuitvoering zou gelden, dan had hij dit ook uitdrukkelijk moeten bepalen in de Wet Strafuitvoering. Die vaststelling is des te pertinenter nu de verplichting tot betekening zélf niet voortvloeit uit een specifieke bepaling daaromtrent in de Wet Strafuitvoering maar wel uit artikel 418 Wetboek van Strafvordering als bepaling van gemeen recht. Ook om die laatste reden komt het mij logisch voor om voor het bepalen van de termijnen waarbinnen de originele betekeningsstukken van het cassatieberoep dienen toe te komen ter griffie van het Hof toepassing te maken van het gemeen recht terzake, met name van artikel 420bis, Wetboek van Strafvordering. Met andere woorden, enkel in zoverre het gaat om de termijn voor het neerleggen van de memorie is de termijn van artikel 420bis, Wetboek van Strafvordering niet van toepassing in strafuitvoeringszaken gelet op de afwijkende bepaling in artikel 97, § 1, Wet Strafuitvoering; wat evenwel de termijn voor het neerleggen van de betekeningstukken betreft, blijven de termijnen bedoeld in artikel 420bis, Wetboek van Strafvordering onverkort gelden. Die laatste bepaling houdt in dat de betekeningsstukken niet enkel dienen te worden neergelegd ter griffie van het Hof binnen een termijn van twee maanden na inschrijving van de zaak op de algemene rol - termijn die in de praktijk in strafuitvoeringszaken uiteraard korter zal zijn gelet op het feit dat het Hof zich in het geval van artikel 97, § 3, tweede alinea, Wet Strafuitvoering binnen een termijn van dertig dagen dient uit te spreken over het cassatieberoep - maar dat zij óók ten minste acht dagen voor de terechtzitting ter griffie moeten zijn ingediend. Er moeten derhalve in alle geval acht vrije dagen worden gelaten tussen het indienen van de betekeningsstukken ter griffie van het Hof - in welk geval de mededeling aan het openbaar ministerie waarvan sprake in artikel 420bis, eerste alinea, Wetboek van Strafvordering overigens geacht wordt te zijn verricht - en de datum van de terechtzitting (Cfr. R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Brussel, Bruylant, 2006, nr. 434; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 2395). De originele betekeningsstukken werden ten deze ter griffie van het Hof neergelegd op 5 juli 2007, dit is méér dan acht dagen voor de datum waarop de zaak werd vastgesteld, met name op 24 juli 2007 en uiteraard ook binnen de termijn van twee maanden na de inschrijving van deze zaak op de algemene rol van het Hof. Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk. Het middel [9] Het enige middel van de procureur des Konings voert schending aan van artikel 149 Grondwet doordat het vonnis van de Strafuitvoeringsrechtbank niet in openbare terechtzitting werd uitgesproken. Waar het bestreden vonnis zegt dat deze beslissing is genomen te Gent op 27 juni 2007, wordt aangevoerd dat noch uit deze vermelding noch uit enig ander stuk blijkt dat het vonnis in openbare terechtzitting is uitgesproken zodat artikel 149 Grondwet is geschonden. [10] Artikel 149 van de Grondwet bepaalt: "Ek vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken." Anders dan het geval is met artikel 148, eerste alinea, Grondwet dat bepaalt dat de terechtzittingen van de rechtbanken openbaar zijn, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden in welk geval zulks door de rechtbank bij vonnis wordt verklaard, voorziet artikel 149 Grondwet niet in een mogelijkheid om van de verplichting tot uitspraak in openbare terechtzitting af te wijken (Cfr. C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafvordering & internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2006, 1094). Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de voorschriften van de openbaarheid van de terechtzitting en de uitspraak van de vonnissen in openbare terechtzitting, slechts van toepassing zijn op de beslissingen van de hoven en de rechtbanken van de rechterlijke macht in de zin van de artikelen 144 en 145 Grondwet; slechts in zoverre deze voorschriften ook uitdrukkelijk van toepassing zijn verklaard door bijzondere bepalingen zullen zij ook in acht moeten worden genomen door administratieve of tuchtrechtelijke organen, afgezien van een eventuele toepassing van artikel 6 EVRM terzake (Cfr. Cass. 16 februari 1995, A.C. 1995, nr. 95; Cass. 9 oktober 1959, A.C. 1960, 115, met de conclusie van procureur-generaal Hayoit de Termicourt. Cfr. K. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 1999, 297-298; M. UYTTENDAELE, Précis de droit constitutionnel belge. Regards sur un système institutionnel paradoxal, Brussel, Bruylant, 2005, nr. 541 die ook bevestigt: "Les principes constitutionnels relatifs à la publicité des audiences des tribunaux et du prononcé du jugement ne sont applicables de plein droit qu'aux tribunaux de l'ordre judiciaire."). Nog in een arrest van 16 november 2005 herinnerde het Hof er aan dat de regel betreffende de uitspraak van vonnissen in openbare terechtzitting alleen van toepassing is op de vonnisgerechten van de rechterlijke orde en geen enkele wettelijke bepaling de aanwezigheid voorschrijft van het openbaar ministerie op het ogenblik dat de beslissingen van de Commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling worden gewezen (Cass. 16 november 2005, P.05.1257.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051116.10, www.cass.be). Nu de Commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling géén penitentiaire rechtbank was, maar een administratief orgaan kon men dan ook besluiten dat de bepaling van artikel 149 Grondwet en de in dat artikel opgelegde openbaarheid van de uitspraak niet op de Commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing was omdat laatstvermeld artikel slechts toepassing vindt op de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht waaronder de Commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling niet resulteerde. De verplichting om het vonnis in openbare terechtzitting uit te spreken, geldt overigens ook indien de zaak niet in openbare terechtzitting maar met gesloten deuren of in raadkamer werd behandeld; enkel indien de wet uitdrukkelijk in een uitzondering daarop voorziet, geldt deze verplichting niet wat bijvoorbeeld het geval is met artikel 5, § 2, Probatiewet dat bepaalt dat het vonnisgerecht, bij wie een vordering of verzoek wordt ingediend om van de opschorting kennis te nemen in raadkamer, over deze vordering of dit verzoek uitspraak doet in raadkamer (Cfr. R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 1649). [11] In eerste instantie kan er geen twijfel over bestaan dat de strafuitvoeringsrechtbanken rechtbanken van de rechterlijke macht zijn zodat het voorschrift van artikel 149 Grondwet principieel op deze rechtbanken van toepassing is. Inderdaad, uit artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door middel van de Wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken, volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank een afdeling is van de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd. Anders dan het geval was bij de Commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling was het de bedoeling van de wetgever om van de strafuitvoeringsrechtbank een daadwerkelijke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg te maken hetgeen de principiële toepassing van artikel 149 Grondwet met zich meebrengt. Ook in de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van wet houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken wordt gesteld dat de strafuitvoeringsrechtbanken wezenlijk deel uitmaken van de rechtbanken van eerste aanleg (Parl. St. Senaat, GZ 2004-05, nr. 3-1127/1, p. 2). Telkenmale de strafuitvoeringsrechtbank in het kader van de Wet Strafuitvoering een beslissing uitspreekt, gaat het dan ook prinicpieel om een vonnis zoals bedoeld in artikel 149 Grondwet. In meerdere artikelen van de Wet Strafuitvoering wordt overigens die terminologie gebezigd. De Wet Strafuitvoering voorziet voorts nergens in een uitzondering op de regel van artikel 149 Grondwet of bepaalt nergens dat beslissingen in raadkamer of met gesloten deuren kunnen worden uitgesproken; op dit punt verschilt de Wet Strafuitvoering dan ook van de Probatiewet waarvan, zoals vastgesteld onder randnummer 10, artikel 5, § 2, wel in een dergelijke uitzondering voorziet. Dat ingevolge artikel 76, vierde alinea, Gerechtelijk Wetboek de strafuitvoeringskamers, niet alleen in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, maar ook in de strafinrichtingen zitting kunnen hebben, doet aan dit laatste uiteraard geen afbreuk, temeer daar artikel 148 Grondwet wél uitdrukkelijk in de mogelijkheid van afwijking op het beginsel van behandeling in openbare terechtzitting voorziet . Meermaals had het Hof reeds de gelegenheid om te bevestigen dat de vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbanken in toepassing van artikel 149 Grondwet in openbare terechtzitting dienen te worden uitgesproken (zie o.a.: Cass. 10 april 2007, P.07.0370.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070410.4; Cass. 17 april 2007, P.07.0359.N (onuitg.); Cass. 17 april 2007, P.07.0360.N (onuitg.); Cass. 24 april 2007, P.07.0486.N (onuitg.); Cass. 2 mei 2007, P.07.0478.N (onuitg.); Cass. 2 mei 2007, P.07.0476.F (onuitg.); Cass. 2 mei 2007, P.07.459.F (onuitg.); Cass. 8 mei 2007, P.07.0509.N (onuitg.); Cass. 8 mei 2007, P.07.0494.N (onuitg.). Er is geen reden om thans van die rechtspraak af te wijken, wel in tegendeel. Inderdaad, vooreerst volgt uit de vaststelling dat de strafuitvoeringsrechtbank een rechtbank van de rechterlijke macht is dat artikel 149 Grondwet principieel toepassing vindt; vervolgens dient vastgesteld te worden dat de wetgever op deze principiële toepassing van artikel 149 Grondwet betreffende de verplichting van uitspraak van het vonnis in openbare terechtzitting géén uitzondering heeft bepaald. Aan die conclusie wordt ook geen afbreuk gedaan door het feit dat in de memorie van toelichting bij het voorgestelde artikel 39 van het ontwerp - dat uiteindelijk artikel 36 Wet Strafuitvoering is geworden en bepaalt dat de zitting plaats vindt met gesloten deuren - wordt herinnerd dat bij "de bespreking van de wet van 5 maart 1998 (...) deze thematiek reeds aan bod gekomen [is]. In tegenstelling tot het advies van de Raad van State was de wetgever indertijd de mening toegedaan dat "openbare behandeling en uitspraak in openbare zitting de reïntegratie van de veroordeelde in het gedrang kan brengen." De regering blijft dezelfde mening toegedaan. Zoals ook de Commissie Holsters aanhaalt betreffen de debatten inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling - maar de regering meent dat dit voor de toekenning van elke strafuitvoeringsmodaliteit kan worden aangehaald - vaak zeer persoonlijke elementen waarover de grootste discretie is geboden" (Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp betreffende de externe rechtspositie van gedetineerden, Parl. St. Senaat, GZ 2004-05, nr. 3-1128/1, p. 54; tekstmarkering toegevoegd). Niettemin dient te worden vastgesteld dat de wetgever enkel uitdrukkelijk heeft bepaald dat de debatten achter gesloten deuren plaats vinden; er werd evenwel niet uitdrukkelijk bepaald dat het vonnis niet in openbare terechtzitting moet worden uitgesproken zodat de regel van artikel 149 Grondwet op de rechtbank die de strafuitvoeringsrechtbank is, dan ook toepassing vindt. Nu het bestreden vonnis slechts vaststelt: "Deze beslissing is genomen te Gent op 27 juni 2007" en noch uit die vermelding noch uit enig ander stuk blijkt dat het vonnis in openbare terechtzitting werd uitgesproken, schendt het artikel 149 Grondwet. Het middel is derhalve gegrond. [12] In toepassing van artikel 98 Wet Strafuitvoering dient, na een cassatiearrest met verwijzing, een andere strafuitvoeringsrechter of een anders samengestelde strafuitvoeringsrechtbank uitspraak te doen binnen veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van dit arrest, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft. Het Hof kan de zaak dan ook nogmaals naar de Strafuitvoeringsrechtbank van Gent verwijzen, dit maal anders samengesteld dan op 27 juni 2007, datum van het bestreden vonnis. De Strafuitvoeringsrechtbank zal zich na verwijzing in toepassing van artikel 1120 Gerechtelijk Wetboek dienen te voegen naar de beslissing van het Hof over het door het middel beslechte rechtspunt. CONCLUSIE: CASSATIE met verwijzing. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070724.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971124.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020925.13 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051116.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070410.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070606.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div