id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070904.7 Rolnummer: P.07.0383.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-03-03 Raadplegingen: 444 - laatst gezien 2026-07-03 21:55 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.7 Fiches 1 - 2 Het beroep in cassatie van de veroordeelde tot betaling van een dwangsom, tegen een beslissing van de strafrechter zetelend in hoger beroep die uitspraak doet over zijn vordering strekkende tot opheffing of vermindering van de dwangsom, of tot opschorting van de looptijd ervan, moet niet worden betekend aan de partij tegen wie het gericht is. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Beslissing - Voorziening in cassatie - Betekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 418 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Strafzaken - Strafrechter zetelend in hoger beroep - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Beslissing - Voorziening in cassatie - Betekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 418 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Van het beroep in cassatie van de veroordeelde tot betaling van een dwangsom, tegen een beslissing van de strafrechter zetelend in hoger beroep die uitspraak doet over zijn vordering strekkende tot opheffing of vermindering van de dwangsom, of tot opschorting van de looptijd ervan, wordt kennis genomen door de tweede kamer van het Hof van cassatie. Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Kamers. Verenigde kamers. Voltallige kamers. Algemene vergadering - Strafzaken - Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Beslissing - Voorziening in cassatie - Kennisneming Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 133 en 1385quinquies Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 4 sept. 2007, AR P.07.0383.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Beslissing - Voorziening in cassatie - Betekening Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Strafzaken - Strafrechter zetelend in hoger beroep - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Beslissing - Voorziening in cassatie - Betekening Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Kamers. Verenigde kamers. Voltallige kamers. Algemene vergadering - Strafzaken - Strafrechter zetelend in hoger beroep - Dwangsom - Vordering tot opheffing of vermindering - Vordering tot opschorting van de looptijd - Beslissing - Voorziening in cassatie - Kennisneming Tekst van de conclusie P.07.0383.N Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd: 1. De voorafgaande procedure kan als volgt worden samengevat: nadat eisers in cassatie door het hof van beroep werden veroordeeld wegens bepaalde stedenbouwmisdrijven en waarbij hen een dwangsom werd opgelegd gekoppeld aan de veroordeling tot herstel van de plaats in de vorige toestand, maakten eisers in cassatie nadien op grond van artikel 1385quinquies, Gerechtelijk Wetboek bij hetzelfde hof van beroep een vordering aanhangig strekkende tot opheffing of substantiële vermindering van de opgelegde dwangsom. Het met de voorziening bestreden arrest van 14 februari 2007 van het hof van beroep te Antwerpen verwierp deze vordering. In eerste instantie rijst de vraag welke kamer van het Hof kennis moet nemen van dit cassatieberoep. Indien zou blijken dat zulks behoort tot de bevoegdheid van de tweede kamer dient de vraag te worden beantwoord of het cassatieberoep overeenkomstig artikel 418 Wetboek van Strafvordering moet worden betekend. 2. Artikel 1385quinquies, eerste alinea, Ger.W. bepaalt dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De beslissing waarin voormeld artikel voorziet, wordt dus genomen door de rechter die de oorspronkelijke dwangsom heeft opgelegd. In zoverre vaststaat dat een strafrechter - zoals in dezen - een dwangsom kan koppelen aan een door hem uitgesproken veroordeling tot herstel van de plaats in de vorige toestand nadat hij betrokkenen heeft veroordeeld wegens stedenbouwmisdrijven
(1), komt het dan ook aan diezelfde strafrechter toe om overeenkomstig artikel 1385quinquies, eerste alinea, Ger.W. een beslissing te nemen over de vordering tot opheffing of vermindering van de door hem eerder uitgesproken dwangsom
(2). Een strafrechter heeft derhalve ontegensprekelijk deze bevoegdheid. 3. Overeenkomstig artikel 133, eerste alinea, Ger.W. neemt de tweede kamer van het Hof van Cassatie kennis van de voorzieningen in criminele, correctionele en politiezaken, terwijl de eerste kamer kennis neemt van de voorzieningen in burgerlijke en handelszaken. Impliceert het feit dat een strafrechter overeenkomstig artikel 1385quinquies, Ger.W. een beslissing neemt dat de zaak daardoor als het ware van karakter verandert, met name een burgerlijke zaak wordt, zodat niet de tweede maar wel de eerste kamer van het Hof van het cassatieberoep tegen die beslissing kennis moet nemen? Ik denk dat dit niet het geval is. In eerste instantie kan er op gewezen worden dat de tweede kamer van het Hof van Cassatie kennis neemt van de cassatieberoepen tegen beslissingen van de strafrechter die enkel nog uitspraak doen over de burgerlijke belangen uit misdrijf. In dat geval wordt er niet aan getwijfeld dat het gaat om een cassatieberoep in 'criminele, correctionele en politiezaken' ook al gaat het louter nog om privaatrechtelijke belangen, namelijk de vordering tot schadevergoeding. Daardoor verandert de zaak niet van karakter of aard; het wordt géén burgerlijke zaak en er dient bijgevolg nog steeds over te worden geoordeeld door de tweede kamer van het Hof. Maar er is meer: tot voor kort was het de rechtspraak van het Hof dat van het cassatieberoep tegen een beslissing over de wraking van een strafrechter kennis werd genomen door de tweede kamer van het Hof, ook al was de voorziening gericht tegen een arrest uitgesproken door de eerste burgerlijke kamer van het hof van beroep, en ook al werden de artikelen 828 e.v. Ger.W. toepasselijk geacht. Men oordeelde toen niettemin dat de wraking van een rechter in strafzaken een strafrechtelijk karakter had zodat over de voorziening daartegen uitspraak werd gedaan door de tweede kamer van het Hof en dat bijgevolg ook artikel 416 Sv. van toepassing was
(3). Het is slechts sinds het arrest van 29 september 2006
(4)dat wrakingen voortaan steeds worden behandeld door de eerste kamer van het Hof en dat artikel 416 Sv. daarop niet meer van toepassing wordt geacht. Dit arrest beëindigt het hybride karakter van de wrakingprocedure in strafzaken. Dit laatste lijkt dan ook nog des te meer een argument om te oordelen dat het criterium om uit te maken of een voorziening er een is in 'criminele, correctionele en politiezaken'
(5)waarover de tweede kamer van het Hof uitspraak dient te doen, ligt in het feit of het al dan niet gaat om een voorziening tegen een beslissing van de strafrechter. Men zou dan ook kunnen zeggen dat van zodra men te maken heeft met een cassatieberoep tegen een beslissing van de strafrechter, de tweede kamer van het Hof overeenkomstig artikel 133 Ger.W. daarover uitspraak dient te doen, ook al gaat het nog maar louter om de afhandeling van de burgerlijke belangen of, zoals in dezen, om een beslissing van de strafrechter in toepassing van artikel 1385quinquies, Ger.W. In die gevallen gaat het met andere woorden nog steeds om een strafzaak en dient de tweede kamer van het Hof kennis te nemen van de cassatieberoepen in dergelijke zaken en zijn de regels inzake het cassatieberoep in strafzaken daarop dan ook onverminderd van toepassing
(6). Ter vergelijking kan er overigens ook op gewezen worden dat in Frankrijk werd geschreven dat de strafkamer van het Hof van Cassatie 'statue sur tous les pourvois dirigés contre une décision rendue par une juridiction répressive.'
(7)Er lijken derhalve voldoende argumenten te zijn om te oordelen dat ook in dit geval de tweede kamer van het Hof bevoegd is om te oordelen over het voorliggende cassatieberoep. 4. Zoals hoger reeds gezegd volgt uit dit laatste dan ook dat de regels van het cassatieberoep in strafzaken zonder meer toepasselijk zijn en dus ook de regel vervat in artikel 418 Sv., zoals deze nog gehandhaafd blijft na de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
(8). Vóór die rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, oordeelde de tweede kamer van het Hof in een arrest van 6 maart 1990 dat niet ontvankelijk was 'de voorziening van de rechtstreeks dagende partij die - na als beklaagde veroordeeld te zijn op de civielrechtelijke vordering, tot het betalen van een dwangsom voor iedere dag vertraging in de uitvoering van de hoofdveroordeling en na de vroegere burgerlijke partij rechtstreeks te hebben gedagvaard voor de strafrechter tot opheffing van de veroordeling tot het betalen van een dwangsom, wegens de onmogelijkheid om de hoofdveroordeling na te leven - zijn cassatieberoep tegen de beslissing waarbij de rechtstreekse dagvaarding ongegrond werd verklaard, niet heeft doen betekenen aan de rechtstreeks gedaagde partij'
(9). Aan die rechtspraak lag de gedachte ten grondslag dat - hoewel een beklaagde in toepassing van artikel 418 Sv. niet gehouden was tot betekening van zijn cassatieberoep - hij daar in uitzonderlijke omstandigheden wél toe diende over te gaan, wanneer hij zijn positie van verwerende partij verliet en zelf als vragende partij optrad
(10). Waar een arrest van 4 september 2001
(11)dat over een derdenverzet handelde niet echt transponeerbaar is naar de voorliggende zaak, is dit in beginsel wél het geval met het precedent van 6 maart 1990. In dit laatste ging het om een persoon die eerder als beklaagde was veroordeeld en naderhand zelf rechtstreeks dagende partij werd teneinde opheffing van de dwangsom te bekomen. In aansluiting met het arrest van 6 maart 1990 - en uiteraard nog steeds abstractie makend van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in verband met artikel 418 Sv. - zou men thans ook moeten besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep bij gebrek aan betekening. Ook in voorliggend geval verliet de verdachte immers zijn positie van 'verweerder' en stelde hij voor de feitenrechter een vordering in tegen iemand, waaruit dan volgt dat het cassatieberoep diende te worden betekend aan die laatste persoon
(12). Blijft het precedent van 6 maart 1990 evenwel nog overeind na de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
(13)? De vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Immers, waar de ratio legis om aan een beklaagde in uitzonderlijke omstandigheden toch een betekeningsverplichting op te leggen te maken had met het feit dat de beklaagde in die gevallen zijn positie van 'verweerder' verliet en zelf als vragende partij optrad, lijkt er een assimilatie mogelijk met de burgerlijke partij die de vragende partij is tot het bekomen van schadevergoeding. In de mate waarin ingevolge de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof aan die burgerlijke partij evenwel geen betekening meer kan worden opgelegd, lijkt het moeilijk verdedigbaar om de verplichting tot betekening te handhaven in de uitzonderlijke omstandigheden waarin de beklaagde zelf vragende partij wordt, door bijvoorbeeld om een opheffing of vermindering van de dwangsom te verzoeken. De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over artikel 418 Sv. impliceert dat enkel nog de vervolgende partij tot betekening van het cassatieberoep dient over te gaan; de betekeningsverplichting voor de burgerlijke partij (of de civielrechtelijk aansprakelijke partij) vervalt. Meer nog, door in die omstandigheden aan de beklaagde die uitzonderlijk zelf vragende partij wordt een betekeningsverplichting op te leggen die de burgerlijke partij thans niet meer heeft, lijkt men precies een nieuwe ongelijkheid in het leven te roepen. Dit laatste geldt nog des te meer nu het Grondwettelijk Hof in het arrest van 30 juni 2004 de discriminatie tussen de burgerlijke partij en de beklaagde die niet dient te betekenen bekeken heeft vanuit het recht van verdediging en de wapengelijkheid, nu naar het oordeel van het Hof de betekening ertoe strekte het cassatieberoep ter kennis te brengen van de partij tegen wie het is gericht, teneinde die partij toe te staan haar verdediging voor te bereiden
(14). In het arrest van 13 september 2005 herinnerde het Grondwettelijk Hof er aan dat het bij arrest van 30 juni 2004 had beslist dat er geen reden was om enerzijds de burgerlijke partij, en anderzijds, de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde verschillend te behandelen ten aanzien van hun recht om in kennis te worden gesteld van de hen betreffende voorzieningen en dat tussen beide categorieën partijen in een strafproces geen verschillen bestaan die voldoende groot zijn opdat hun rechten van verdediging verschillend worden behandeld wat die kennisgeving betreft
(15). Het openbaar ministerie bevond zich daarentegen in een andere situatie zodat daarvoor de betekeningsverplichting werd gehandhaafd. Waar het derhalve ingevolge de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof niet mogelijk is om inzake kennisgeving van het cassatieberoep een onderscheid te maken tussen de beklaagde enerzijds en de burgerlijke partij anderzijds doch de betekeningsverplichting wel kan worden gehandhaafd voor het openbaar ministerie, lijkt het dan ook logisch om géén betekeningsverplichting meer op te leggen in de mate waarin een beklaagde uitzonderlijk vragende partij wordt, zoals in het geval waarin een beklaagde verzoekt tot opheffing van een dwangsom. De argumentatie van het Grondwettelijk Hof in verband met het recht van verdediging en de wapengelijkheid lijkt inderdaad transponeerbaar naar deze zaak. Het is verzoenbaar met de ratio van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ook in voorliggend geval de betekeningsverplichting van artikel 418 Sv. niet meer toepasselijk te achten. 5. De voorziening is ontvankelijk, de door eiser aangevoerde grieven lijken mij echter niet tot cassatie te kunnen leiden. Conclusie: Verwerping. ________________
(1)K. WAGNER, Dwangsom, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 58.
(2)K. WAGNER, o.c., nrs. 145 e.v.
(3)M. DE SWAEF, Penaal cassatieberoep van nu en straks: enkele denkrichtingen voor de toekomst, mercuriale van 1 september 2005, nr. 19; M. DE SWAEF en M. TRAEST, "Enkele kanttekeningen bij de wrakingsprocedure in strafzaken", in F. VERBRUGGEN e.a. (red.), Strafrecht als roeping. Liber Amicorum Lieven Dupont, Leuven, Acco, 2005
(775)776-778.
(4)Cass., 29 september 2006, A.R. P.06.0843.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.11, www.cass.be.
(5)Artikel 133 Ger.W.
(6)Cfr.: S. SONCK, Cassatieberoep in strafzaken met modellen voor de rechtspraktijk, Gent, Mys & Breesch, 1999, nr. 1.3.
(7)J. BORÉ en L. BORÉ, La Cassation en matière pénale, Paris, Dalloz, 2004, nr. 02.22.
(8)Gw.H., arrest nr. 120/2004 van 30 juni 2004; Gw.H., arrest nr. 139/2005 van 13 september 2005.
(9)Cass. 6 maart 1990, A.C. 1989-90, A.R. 3597, nr. 410.
(10)Zie de noot onder Cass. 4 september 2001, A.R. P.01.0545.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010904.9, nr. 440. In dat arrest werd overigens ook geoordeeld dat niet ontvankelijk was, wegens niet betekening aan de partij waartegen zij is gericht, de voorziening van de eiser, verweerder op derdenverzet, tegen een beslissing op grond van een door hemzelf ingestelde vordering tot opheffing van de met toepassing van artikel 1385bis Ger.W. bevolen dwangsom. In voornoemde noot wordt uitdrukkelijk naar het arrest van 6 maart 1990 verwezen omdat in dat geval de beklaagde zijn positie van verweerder blijkt te hebben verlaten door de opheffing van de veroordeling tot betaling van een dwangsom te vorderen.
(11)Cfr. supra voetnoot 10.
(12)Cfr. D. DE WOLF, "De betekening van het cassatieberoep na het arrest van het Arbitragehof van 30 juni 2004", T. Strafr. 2005,
(323)324-325.
(13)Cfr. Supra voetnoot 8.
(14)Gw.H., arrest nr. 120/2004 van 30 juni 2004, rechtsoverweging B.7.
(15)Gw. H., arrest nr. 139/2005 van 13 september 2005, rechtsoverweging B.5. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010904.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div