id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 september 200
Artikel 2
van de wet van 2 september 1985 - Vermoedelijke dader wordt niet uitgeleverd - Begrip Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te
Artikel 2
van de wet van 2 september 1985 - Beslissing om niet uit te leveren Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te
Artikelen 6.1 en 7 Fiches 12 - 14 Uit de artikelen 6.1 en 7, van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 en artikel 2, van de wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Antiterrorismeverdrag en de Overeenkomst betreffende de toepassing ervan tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979, volgt dat eens de Belgische overheid beslist heeft de in België aangetroffen vermoedelijke dader niet uit te leveren, de Belgische overheid bevoegd is deze wegens het misdrijf dat het voorwerp van het verzoek tot uitlevering uitmaakt, voor de Belgische gerechten te vervolgen; zolang die beslissing niet uit te leveren niet is ingetrokken, nemen een of meerdere latere verzoeken tot uitlevering waarover nog niet is beslist, die bevoegdheid niet weg. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikelen 6.1 en 7 van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 Fiches 15 - 16 De artikelen 6.1 en 7, van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 vereisen niet dat de vermoedelijke dader van het strafbare feit zich op het ogenblik dat het Belgische gerecht uitspraak doet, nog op het Belgisch grondgebied bevindt; het is krachtens die bepalingen enkel vereist dat hij zich op het Belgisch grondgebied bevindt op het ogenblik dat de vervolging wegens het strafbare feit wordt ingesteld
(1).
(1)Zie Cass., 30 mei 2007, AR P.07.0216.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070530.3, nr ... Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te
Artikelen 6.1 en 7 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Aanwezigheid van de vermoedelijke dader op het Belgisch grondgebied - Ogenblik van beoordeling Fiches 17 - 32 Concl. eerste adv.-gen. DE SWAEF, Cass., 18 sept. 2007, AR P.07.0571.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Ontvankelijkheid - Tijdstip van de beoordeling Ontvankelijkheid - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Werking in de tijd - Wet 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht - Regelmatige vervolging voor inwerkingtreding - Overgangsrecht Werking in de tijd - Wet van 22 mei 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van de wet van 17 april 1878 - Overgangsrecht Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt - Misdrijf bedoeld in artikel 1 Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te
Artikel 2
van de wet van 2 september 1985 - Vermoedelijke dader wordt niet uitgeleverd - Begrip Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te
Artikel 2
van de wet van 2 september 1985 - Beslissing om niet uit te leveren Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te
Artikelen 6.1 en 7 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikelen 6.1 en 7 van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te
Artikelen 6.1 en 7 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Aanwezigheid van de vermoedelijke dader op het Belgisch grondgebied - Ogenblik van beoordeling Tekst van de conclusie P.07.0571.N Conclusie van Eerste Advocaat-generaal M. De Swaef: [1] Namens eiseres werd cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent dat de zaak niet in staat verklaart en ze terugzendt naar de onderzoeksrechter voor verder onderzoek. Dit dossier betreft de procedure in België met betrekking tot een drievoudige moord, gepleegd te Istanbul (TR) op 9 januari 1996 en waarvan eiseres die van Turkse nationaliteit is, wordt verdacht als dader of mededader. Vooreerst rijst de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep dat door de eiseres E. werd ingesteld tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.). Overeenkomstig artikel 416, eerste lid, Sv. staat beroep in cassatie tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort eerst open na het eindarrest of het eindvonnis. Waar het bestreden arrest van de KI te Gent als een dergelijk voorbereidend arrest of arrest van onderzoek kan worden gekwalificeerd, dient te worden onderzocht of toepassing kan worden gemaakt van de uitzonderingen van artikel 416, tweede lid, Sv. Artikel 416, tweede lid, Sv weerhoudt als uitzonderingen op de algemene regel, vervat in het eerste lid van dit artikel, de arresten of vonnissen inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, de arresten of vonnissen inzake de burgerlijke rechtsvordering die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, de arresten waarbij overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen. Het bestreden arrest stelt vast dat ingevolge artikel 1, e), Europees Verdrag tot bestrijding van het terrorisme en artikel 2 van de Wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Antiterrorismeverdrag en de Overeenkomst betreffende de toepassing tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979, alsook ingevolge artikel 12bis, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de Belgische rechtbanken bevoegd zijn. De zaak wordt aldus voor verder onderzoek verzonden naar de onderzoeksrechter te Brugge omdat zij niet in staat is. [2] In eerste instantie rijst de vraag of men te maken heeft met een arrest inzake bevoegdheid zodat daartegen wél onmiddellijk cassatieberoep openstaat, dan wel of hier toepassing kan gemaakt worden van de uitzondering met betrekking tot de artikelen 135 en 235bis, Sv., met name of de beslissing van het bestreden arrest kan gekwalificeerd worden als een uitspraak over een grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, waardoor het cassatieberoep eveneens ontvankelijk is. De overige uitzonderingen waarvan sprake in artikel 416, tweede lid, Sv. vinden hier geen toepassing. [3] De uitzondering in artikel 416, tweede lid, Sv. betreffende arresten inzake bevoegdheid houdt in dat, wanneer een beslissing alvorens recht te doen wordt uitgesproken inzake bevoegdheid, niet mag gewacht worden op de eindbeslissing om cassatieberoep in te stellen tegen dat vonnis of arrest
(1). Er wordt voorgehouden dat bevoegdheid in de zin van die bepaling strikt moet worden geïnterpreteerd: het moet gaan om een uitspraak die inhoudt dat de rechter zich de bevoegdheid van een andere instantie heeft aangematigd
(2). Een arrest inzake bevoegdheid betreft dan ofwel een beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over een door partijen opgeworpen geschil inzake bevoegdheid dan wel de beslissing waarbij de rechter zich ambtshalve onbevoegd verklaart
(3). "Il ne s'agit pas là seulement de jugements statuant sur un déclinatoire proposé, mais aussi de tous jugements attaqués du chef d'incompétence, qu'il y ait eu ou non exception proposée"
(4). In die gevallen gaat het immers om een geschil waarbij wordt voorgehouden dat de zaak tot de bevoegdheid van een andere rechter behoorde
(5). Door te voorzien in de mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep wil men bevoegdheidsconflicten en gevallen van regeling van rechtsgebied vermijden
(6). [4] De enige hypothese waarin zulk een onmiddellijk cassatieberoep toepassing kan vinden is het geval waarin een rechtscollege, vooraleer over de grond van de zaak te oordelen, beslist dat ze bevoegd is om kennis te nemen van de kwestieuze zaak
(7). Immers, wanneer een rechtscollege zich onbevoegd verklaart, is er een eindbeslissing en kan onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld, terwijl in het geval waarin samen met de beslissing ten gronde ook uitspraak gedaan wordt over de bevoegdheid, eveneens een eindbeslissing voorligt zodat de uitzondering van artikel 416, tweede lid, Sv. niet geldt
(8). Deze auteur schrijft dat in de enige hypothese waarin het tweede lid van artikel 416, Sv. wél kan spelen, de regel van de restrictieve interpretatie voorligt: "L'acception restrictive de la notion de compétence est ici déterminante. Lorsque, avant les débats sur le fond, un incident est soulevé qui ne concerne pas la compétence proprement dite mais la saisine de la juridiction ou la recevabilité de l'action, la décision qui rejette l'exception n'est pas susceptible de pourvoi avant la décision définitive"
(9). DECLERCQ zegt verder: "Il y a violation des règles de compétence lorsque le juge empiète sur les attributions d'une autre juridiction pénale belge, qu'il s'approprie ainsi la compétence d'un autre juge"
(10). Wanneer men die zienswijze aan het huidige dossier toetst, is er géén sprake van dat de bevoegdheid van een andere Belgische strafrechter wordt toegeëigend, of dat wordt voorgehouden dat een andere Belgische strafrechter bevoegd is; er wordt enkel gezegd dat de Belgische rechtbanken als zodanig bevoegd zijn, hetgeen uiteraard niet inhoudt dat men zich de bevoegdheid van een andere Belgische rechter toeëigent. Bovendien valt op te merken dat de eventuele toepassing van artikel 416, tweede lid, Sv. niet afhangt van de benaming die men aan de betwisting geeft, maar wel van het werkelijke voorwerp van de betwisting: er is maar een geschil inzake bevoegdheid als er betoogd wordt dat de rechter zich de bevoegdheid van een andere rechter zou toeëigenen derwijze dat daaruit een conflict van jurisdictie kan ontstaan waaraan enkel met een regeling van rechtsgebied een einde kan worden gesteld
(11). Dat in casu de bestreden beslissing vaststelt dat de Belgische gerechten bevoegd zijn, is op zich derhalve niet determinerend om uit te maken of terzake toepassing kan worden gemaakt van de uitzondering van artikel 416, tweede lid, Sv. met betrekking tot de bevoegdheid. [5] Toch blijkt niet alle rechtsleer te onderstrepen dat het aspect bevoegdheid restrictief dient te worden geïnterpreteerd. Inderdaad, "cette disposition vise toutes les décisions sur la compétence, non seulement celles qui statuent sur un déclinatoire de compétence, mais aussi celles qui mettent en question la compétence générale du pouvoir judiciaire ou sa compétence ratione materiae, personae ou loci"
(12). Volgens BRAAS is het begrip bevoegdheid ruim: "Le texte de l'alinéa 2 est large : il a trait, non seulement aux décisions statuant sur un déclinatoire exprès, mais aussi à toutes celles qui viennent à être entreprises par le moyen tiré de l'incompétence du juge. Il faut et il suffit, en d'autres termes, que la décision mette en question, soit la compétence général du pouvoir judiciaire, soit la compétence à raison de la matière, du lieu ou de la personne"
(13). [6] Desonsdanks wijzen FRANCHIMONT, JACOBS en MASSET er in hun handboek op dat het Hof van Cassatie heeft beslist dat er géén bevoegdheidsbetwisting is wanneer de discussie betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de strafvordering wegens feiten gepleegd in het buitenland
(14). Het Hof komt in deze arresten doorgaans tot de vaststelling dat in deze gevallen geen kwestie van bevoegdheid aan de orde is doch van jurisdictie en van ontvankelijkheid van de strafvordering. Aldus oordeelde het Hof in het arrest van 8 oktober 1986
(15)dat niet ontvankelijk is de voorziening die de verdachte voor de eindbeslissing heeft ingesteld tegen het arrest van de KI dat uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de strafvordering en niet over de bevoegdheid van de rechter, nu de verdachte beweert dat het misdrijf in het buitenland is gepleegd. Niet alleen wordt in dit arrest nogmaals onderstreept dat het werkelijke voorwerp van het geschil in aanmerking moet worden genomen om uit te maken of men met een kwestie van bevoegdheid te maken heeft, maar bovendien oordeelt het Hof dat de territoriale bevoegdheid van de nationale rechtscolleges bij misdrijven die in het buitenland worden gepleegd, geregeld wordt door artikel 24 Sv., doch dat die bepaling slechts kan toegepast worden wanneer de wegens in het buitenland gepleegde feiten in België ingestelde strafvordering ontvankelijk is. Op vergelijkbare wijze besliste het Hof op 14 maart 1972
(16)dat het arrest dat beslist dat het Belgisch strafgerecht niet bevoegd is om kennis te nemen van een van de aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijven omdat dit misdrijf door een vreemdeling tegen een vreemdeling in het buitenland zou gepleegd zijn, uitspraak doet over de rechtsmacht van het Belgisch gerecht en daarmee over de ontvankelijkheid van de strafvordering zodat de artikelen 226 en 227 Sv. daarop niet van toepassing is. Ook in het arrest van 7 januari 1981
(17)oordeelde het Hof dat er van een geschil inzake bevoegdheid sprake is als wordt gezegd dat een rechter zich de bevoegdheid van een andere rechter heeft toegeëigend, maar een geschil inzake de ontvankelijkheid van de strafvordering wegens in het buitenland gepleegde misdrijven is geen geschil inzake bevoegdheid bedoeld in artikel 416, Sv. Tenslotte kan nog gewezen worden op een arrest van 30 november 1976
(18)waarin werd geoordeeld dat er, niettegenstaande de gebruikte bewoordingen, geen sprake was van een geschil inzake bevoegdheid nu eiser niet stelde dat de raadkamer zich de bevoegdheid van een ander gerecht zou toeëigenen. In een noot onder dit arrest wordt herhaald dat bevoegdheid in de zin van artikel 416, tweede lid, Sv. in enge zin moet worden verstaan, dat volgens het Hof een dergelijk geschil inzake bevoegdheid bestaat wanneer betoogd wordt dat de rechter zich de bevoegdheid van een andere rechter toeëigent, dat er géén sprake van een geschil inzake bevoegdheid is wanneer de beklaagde beweert dat de feiten in het buitenland zijn gepleegd en hij niet in België werd aangetroffen en dat in de meeste gevallen waarin het Hof heeft beslist dat het niet ging om een geschil inzake bevoegdheid, het geoordeeld heeft dat het de ontvankelijkheid van een rechtsvordering betrof. "De regels van de artikelen 416 en 539, Sv. zijn bedoeld om geschillen inzake jurisdictie te vermijden. Dergelijke geschillen kunnen enkel rijzen als er een geschil inzake bevoegdheid bestaat (...). Zij beletten de normale gang van het gerecht en alles moet gedaan worden om ze te vermijden. Dat is niet het geval met de andere excepties of middelen waarover de raadkamer eventueel te beslissen heeft. Men kan vrezen dat, in deze gevallen, aanwending van rechtsmiddelen tegen de beslissingen van de onderzoeksgerechten, vóór een eindbeslissing over de grond van de zaak, ontaardt in een voortdurend uitstellen van de zaak"
(19). Bij toepassing van deze rechtspraak in de huidige zaak is duidelijk géén geschil inzake bevoegdheid gerezen - laat staan dat werd voorgehouden dat de KI zich de bevoegdheid van een ander (Belgisch) rechtscollege zou hebben toegeëigend - . De "bevoegdheid" waarover de KI te Gent zich uitsprak heeft in werkelijkheid betrekking op de vraag of de Belgische gerechten jurisdictie hebben met betrekking tot de feiten die aan de eiseres ten laste worden gelegd en betreft dus een vraag over de ontvankelijkheid van de strafververvolging. Dit laatste blijkt overigens ook uit het feit dat het bestreden arrest telkenmale vaststelt dat "de Belgische rechtbanken bevoegd" zijn, hetgeen laat verstaan dat uitspraak wordt gedaan over de jurisdictie van de Belgische rechtscolleges - in hun totaliteit - met betrekking tot de in het buitenland gepleegd feiten. Dergelijke beslissing lost blijkens de rechtspraak van het Hof géén bevoegdheidsgeschil als bedoeld in artikel 416, Sv. op. [7] Daarbij komt nog de bedenking dat de regels op grond waarvan de KI te Gent tot het besluit komt dat de Belgische rechtbanken bevoegd zijn - met name artikel 1, e), Europees Verdrag tot bestrijding van het terrorisme en artikel 2 van de Wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Antiterrorismeverdrag en de Overeenkomst betreffende de toepassing tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979, alsmede artikel 12bis, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - te beschouwen zijn als regels van materieel strafrecht en géén procedurewetten zijn, laat staan regels van bevoegdheid in de zin van artikel 416, tweede lid, Sv. In het arrest van 20 april 2005 oordeelde het Arbitragehof dat de bepaling van artikel 10, 6°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering die de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische gerechten uitbreidt waardoor een wettelijke grondslag wordt gegeven aan de vervolging en bestraffing in België, een regel van materieel strafrecht is
(20). Zo ook had VAN DEN WYNGAERT reeds de visie verdedigd dat wetten betreffende de toepassing van de strafwet in de ruimte, materieelrechtelijke bepalingen en geen procedurewetten zijn
(21). Het Hof van Cassatie kwam ook reeds tot dit besluit in een arrest van 12 oktober 1964
(22), hoewel in eerdere arresten het tegendeel werd gezegd
(23). In het arrest van 29 juni 2005 (P.04.0482.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050629.11) oordeelde het Hof van Cassatie eveneens dat artikel 29, § 3, van de Wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht een regel van materieel strafrecht is. Gaat men er derhalve van uit dat wetten betreffende de toepassing van de strafwet in de ruimte, materieelrechtelijke bepalingen zijn, dan lijkt dit een argument te meer om te besluiten dat het oordeel van een rechtscollege dat het "bevoegd" is om kennis te nemen van bepaalde misdrijven in het buitenland gepleegd op grond van dergelijke wetten betreffende de toepassing van de strafwet in de ruimte, géén oordeel over bevoegdheid inhoudt zoals bedoeld in artikel 416, tweede lid, Sv. [8] Kortom, - het principe dat het begrip bevoegdheid in de zin van artikel 416, tweede lid, Sv. strikt dient geïnterpreteerd te worden, - de interpretatie van dit begrip die inhoudt dat het moet gaan om het zich toeëigenen van een bevoegdheid die aan een ander (Belgisch) rechtscollege toekomt, - de ratio legis van het onmiddellijk cassatieberoep inzake bevoegdheid die erin bestaat gevallen van regeling van rechtsgebied te vermijden, - de aangehaalde rechtspraak van het Hof van Cassatie dat geschillen inzake de ontvankelijkheid van de strafvordering wegens in het buitenland gepleegde misdrijven geen geschillen inzake bevoegdheid zijn zoals bedoeld in artikel 416 Sv., - de aangehaalde rechtspraak van het Arbitragehof en daaropvolgende rechtspraak van het Hof van Cassatie, betreffende het materieelrechtelijk karakter van de toepassing van de strafwet in de ruimte zijn even zoveel argumenten om te besluiten dat het oordeel van de appelrechters dat de Belgische rechtbanken ingevolge de aangehaalde wetsbepalingen - die te kwalificeren zijn als wetten betreffende de toepassing van de strafwet in de ruimte - bevoegd zijn, géén geschil inzake bevoegdheid is in de zin van artikel 416, tweede lid, Sv., zodat die uitzondering op de ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep niet te weerhouden is. [9] Uit de rechtspraak die hierboven werd aangehaald en waaruit volgt dat er geen bevoegdheidsbetwisting is wanneer de discussie betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de strafvordering wegens feiten gepleegd in het buitenland, blijkt daarentegen dat de bestreden beslissing die uitspraak doet over de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken (in hun totaliteit) in werkelijkheid kan worden gekwalificeerd als een beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering. Er wordt immers uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de strafvordering in België voor feiten die in het buitenland werden gepleegd. In dat geval komt de uitzondering van artikel 416, tweede lid, Sv. betreffende arresten "met toepassing van de artikelen 135 en 235bis" in beeld. In sommige van de hierboven aangehaalde arresten zegt het Hof immers ook dat de vraag naar de mogelijkheid om in België feiten die in het buitenland zijn gepleegd te vervolgen, geen vraag is inzake bevoegdheid - toen de enige grond om in toepassing van artikel 416 Sv. onmiddellijk cassatieberoep in te stellen - maar wel een vraag van ontvankelijkheid van de strafvordering; dat in die arresten dan toch nog tot de onontvankelijkheid van het cassatieberoep werd besloten, had te maken met het feit dat toen enkel de uitzondering inzake bevoegdheid bestond
(24). De doctrine is gevestigd in dezelfde zin: de vraag naar de gelding van de strafwet in de ruimte, en de vereisten die desgevallend moeten vervuld zijn opdat de mogelijkheid bestaat om in België feiten te vervolgen die in het buitenland werden gepleegd, is een probleem van ontvankelijkheid van de strafvordering. Indien zo bv. bepaalde door de wet ingebouwde filters niet zijn vervuld (bv. de aanwezigheid van beklaagde op het grondgebied bedoeld in artikel 12 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering) zal de strafvordering niet ontvankelijk zijn
(25). [10] Aldus kan besloten worden dat de uitspraak van de appelrechters dat de "Belgische rechtbanken bevoegd" zijn, een beslissing is over de ontvankelijkheid van de strafvordering in België voor feiten die in het buitenland werden gepleegd. Dergelijk arrest van de K.I. dat uitspraak doet over een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, kan worden beschouwd als een arrest met toepassing van artikel 235bis, Sv. Nu ook in eerste aanleg voor de raadkamer debat werd gevoerd en geconcludeerd over de ontvankelijkheid van de strafvordering, volgt hieruit de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. [11] Ten gronde. In de vorige behandeling van deze zaak door het Hof had mijn ambt geconcludeerd dat de Belgische gerechten vooralsnog geen rechtsmacht hebben om te oordelen over de ontvankelijkheid van de in België tegen de eiseres uit te oefenen strafvordering
(26). Die zienswijze was gestoeld op de volgende rechtsgronden. Het wordt niet betwist dat de vervolging van de eiseres in België moet plaatsvinden binnen het kader van de wetgeving tot bestrijding van het terrorisme. Nu bepaalt artikel 2 van de Wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 en van de Overeenkomst betreffende de toepassing van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979
(27): "Voor de toepassing van voornoemde Verdragen zijn de Belgische rechtbanken bevoegd en is de Belgische strafwet van toepassing op de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 van het Europees Verdrag van 27 januari 1977, wanneer een verzoek tot uitlevering door een Verdragssluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd." Opdat derhalve ingevolge artikel 1 een verplichting tot vervolging in België bestaat, is niet enkel vereist dat men oordeelt dat een halfautomatisch vuurwapen ook een automatisch vuurwapen is in de zin van artikel 1, e), van het Europees Terrorismeverdrag
(28), doch ook dat een verzoek tot uitlevering door een Verdragssluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Het gaat om voorafgaande condities opdat vervolging in België mogelijk is; wordt een dader wél uitgeleverd, dan is er uiteraard geen reden om in ons land tot vervolging over te gaan voor die feiten. [12] In de eerder voornoemde conclusie van het openbaar ministerie werd uiteengezet dat artikel 2 van deze wet uitwerking verleent aan de artikelen 6 en 7 van het Europees Terrorismeverdrag. Artikel 6.1 van het Verdrag bepaalt dat elke Verdragssluitende Staat de maatregelen neemt die nodig zijn om zijn bevoegdheid vast te leggen tot kennisneming van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 in het geval waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en deze Staat hem niet uitlevert na een verzoek tot uitlevering te hebben ontvangen van een Verdragsluitende Staat waarvan de bevoegdheid tot vervolging is gebaseerd op een bevoegdheidsregel die eveneens bestaat in de wetgeving van een aangezochte Staat. Artikel 7 van het Verdrag bepaalt dat een Verdragssluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 wordt aangetroffen en die een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 6, indien hij de vermoedelijke dader van het strafbaar feit niet uitlevert, in alle gevallen verplicht is de zaak zonder onnodig uitstel voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Tevens is in dat artikel bepaald dat laatstbedoelde autoriteiten hun beslissing nemen op dezelfde wijze als in geval van een strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat. Deze bepalingen vormen de weerspiegeling van de rechtsspreuk aut dedere aut iudicare
(29). "De verplichting om de zaak aan de bevoegde autoriteiten voor strafvervolging over te dragen komt in bijkomende orde, in die zin dat zij afhankelijk wordt gesteld aan de voorafgaande weigering in een bepaald geval uit te leveren, wat slechts mogelijk is onder de omstandigheden bedoeld in het Verdrag of in andere verdrags- of wetsbepalingen" (ibid.). De verplichting om de bevoegdheid vast te leggen en de zaak over te dragen aan de rechterlijke autoriteiten komt reeds voor in het Verdrag van Den Haag van 16 december 1970 tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen en het Verdrag van Montreal van 23 september 1971 tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart
(30). [13] Vraagpunt is of artikel 2 van de wet van 2 september 1985 en de artikelen 6 en 7 van het Terrorismeverdrag vereisen dat het uitleveringsverzoek is geweigerd opdat vervolgingen zouden kunnen worden ingesteld. Sluiten de termen indien "deze Staat hem niet uitlevert" uit artikelen 6 en 7 van het Europees Terrorismeverdrag en "wanneer een verzoek tot uitlevering door een Verdragssluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd" uit artikel 2 van de Wet van 2 september 1985 het geval uit waarin een verzoek tot uitlevering werd ingediend doch waarover nog niet is beslist? Ten aanzien van analoge formuleringen in de voornoemde verdragen van Den Haag en Montreal die hetzelfde beginsel bevatten werd gesteld: "(...) les commentateurs se sont interrogés pour savoir si la formule "s'il n'extrade pas ce dernier" signifiait: s'il a refusé l'extradition de ce dernier à la suite d'une demande d'extradition; ou simplement constatait un fait : l'auteur de l'infraction n'a pas été extradé notamment parce qu'aucun Etat n'a formulé de demande d'extradition. Il semble bien que ce soit la première explication qui ait été retenue par la délégation française à La Haye. Mais lors des négociations ultérieures dans le cadre des Nations Unies, la délégation française avec l'appui d'autres délégations a cherché sans succès à changer cette formule. La majorité des Etats préfère l'ambiguïté, trouvant la seconde formule plus contraignante"
(31). VAN DEN WYNGAERT besloot - anders dan BIGAY - dat het Haagse Verdrag niet vereist dat een uitleveringsverzoek werd afgewezen: "In vele verdragen, o.a. in dat van Den Haag, bestaat de verplichting tot vervolging los van de vraag of er een voorafgaandelijk uitleveringsverzoek is geweest, dat werd afgewezen. Sommige meer recente verdragen stellen zich wat meer "bescheiden" op, en verbinden de plicht tot vervolging aan de afwijzing van het uitleveringsverzoek: de plicht tot vervolging bestaat in deze verdragen slechts voor zover uitlevering eerst gevraagd was door een andere staat, en het uitleveringsverzoek niet werd ingewilligd." In voetnoot verwijst deze auteur dan precies naar het Europees Terrorismeverdrag
(32). Ook uit bepaalde passages van het toelichtend rapport bij het verdrag (i.h.b. de hierboven onder randnummer 12 aangehaalde passage ervan) volgt dat het moet gaan om een beslissing waarbij de uitlevering wordt geweigerd. Eenzelfde mening is terug te vinden bij B. DE SCHUTTER, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un (faux) pas en avant ? ", J.T. 1977,
(217)219 en 220; J. DU JARDIN, "De quelques particularités de la Convention européenne pour la répression du terrorisme, par rapport au droit extraditionnel classique", R.D.P. 1980,
(15)28-29 ; S. OSCHINSKY, "Espace judiciaire européen et terrorisme. Essai de mise au point", J.T. 1980,
(289)290 ; J.J.A. SALMON, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un vrai pas en arrière", J.T. 1977,
(497)501 ; C. VAN DEN WYNGAERT, o.c.,
- [14] Op grond van deze elementen werd door mijn ambt reeds eerder besloten dat voor de toepassing van artikel 7 een weigering tot uitlevering moet voorliggen; gelet op het feit dat artikel 2 van de wet van 2 september 1985 de effectuering van de artikelen 6 en 7 van het Europees Terrorismeverdrag beoogt, is het logisch om ook in het kader van artikel 2 van de wet deze conditie te eisen. De beslissing over het verzoek tot uitlevering is krachtens de wet van 2 september 1985 derhalve bepalend voor de eventuele bevoegdheidsuitbreiding van de Belgische rechtscolleges. Vraag is nu of te dezen aan die voorwaarde is voldaan; een eerste Turks uitleveringsverzoek werd geweigerd op 31 mei 2000, maar wat is het gevolg van de twee nieuwe uitleveringsverzoeken waarover België nog geen uitspraak heeft gedaan? Een nieuw uitleveringsverzoek is ongetwijfeld een nieuw gegeven dat wettelijk relevant is ter bepaling van de rechtsmacht van de Belgische gerechten overeenkomstig artikel 2 van de wet van 2 september
- Uit de inlichtingen verstrekt door de minister van Justitie blijkt dat deze de mening is toegedaan dat de twee nieuwe uitleveringverzoeken van de Turkse overheden op dit ogenblik zonder voorwerp zijn nu de eiseres in cassatie niet op het Belgische grondgebied kan worden aangetroffen. Zo voor uitlevering inderdaad een preliminaire voorwaarde is dat de opgeëiste persoon zich op het grondgebied van de aangezochte Staat bevindt, staat het feitelijk niet kunnen uitleveren niet aan een onderzoek naar de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg en ontneemt het niet de grondslag aan de vordering daartoe
(33). Op het tijdstip van de indiening van de (nieuwe) Turkse uitleveringsverzoeken verbleef de eiseres op Belgisch grondgebied zodat na een beslissing over de eventuele toelaatbaarheid van die verzoeken, de daadwerkelijke uitlevering kon worden opgeschort totdat de opgeëiste persoon alsnog in handen van de Belgische overheden zou zijn gevallen. Zoals reeds eerder aangestipt in mijn conclusie voor het arrest van het Hof van 27 juni 2006 is bovendien de verwijzing door de minister van Justitie naar artikel 8 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 dat bepaalt dat een aangezochte partij kan weigeren een persoon wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd ter zake van het feit of de feiten waarvoor uitlevering is verzocht, irrelevant omdat te dezen de wettelijke voorschriften precies het tegenovergestelde geval beogen, met name geen vervolgingsbevoegdheid in geval van uitlevering waaromtrent eerst een beslissing dient tussen te komen. [15] De beslissing over het verzoek tot uitlevering is krachtens de wet van 2 september 1985 derhalve bepalend voor de eventuele bevoegheidsuitbreiding van de Belgische gerechten. Zij kunnen zich slechts uitspreken over een in België uit te oefenen strafvordering indien ze daartoe wettelijk rechtsmacht hebben verkregen, d.i. wanneer een verzoek tot uitlevering werd ingediend en de vermoedelijke dader niettemin niet wordt uitgeleverd. Hieraan is te dezen (nog steeds) niet voldaan, bij ontstentenis van beslissing over alle Turkse uitleveringsverzoeken. Het oordeel van het thans bestreden arrest dat niet behandelde uitleveringsverzoeken geen aanleiding geven tot een weigering om toepassing te maken van artikel 2 van de wet van 2 september 1985 en artikelen 6 en 7 van ht Europees Antiterrorismeverdrag is m.i. dan ook niet naar recht verantwoord. De appelrechters ontberen m.i. nog altijd enige rechtsmacht om te oordelen over de ontvankelijkheid van de alhier uit te oefenen strafvordering omtrent de strafbare feiten, bedoeld in artikel 1 van het Europees Verdrag van 27 januari 1977 alsmede over de toepassing van de Belgische strafwet. Het tweede middel in cassatie aan de eiseres is zodoende gegrond. De overige middelen kunnen niet tot cassatie zonder verwijzing leiden. Nu het Hof zich in zijn arrest van 27 juni 2006 over deze problematiek nog niet heeft uitgesproken, stel ik vernietiging van de bestreden beslissing met verwijzing voor. ______________
(1)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 2382.
(2)M. TRAEST, "Krachtlijnen van het cassatieberoep in strafzaken", NC 2007,
(97)104 en de verwijzingen aldaar.
(3)M. TRAEST, l.c., 104.
(4)C. SCHEYVEN, Traité pratique des pourvois en cassation, Brussel, Bruylant, 1885, nr. 40.
(5)Cfr. M. DE SWAEF, Penaal cassatieberoep van nu en straks: enkele denkrichtingen voor de toekomst, mercuriale van 1 september 2005, nr. 24.
(6)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 2743.
(7)Cfr. R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, nr. 354.
(8)R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, nrs. 350 en 353.
(9)R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, nr. 354.
(10)R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Brussel, Bruylant, 2006, nr. 346.
(11)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, nr. 2743 en de verwijzingen aldaar.
(12)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2006, 934-935.
(13)BRAAS, Précis de procédure pénale, Brussel, II, 1951, nr. 1321.
(14)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, o.c., 935, voetnoot 22 en de verwijzingen aldaar.
(15)A.C. 1986-87, nr. 72.
(16)A.C. 1972, 663.
(17)A.C. 1980-81, nr. 261.
(18)A.C. 1977, 371.
(19)noot E.K. onder Cass. 30 november 1976, A.C. 1977, 373.
(20)Arbitragehof 20 april 2005 nr. 73/2005, T. Strafr. 2005, 342, noot C. REYNGAERT.
(21)C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2006, 112-113.
(22)Pas. 1965, I, 154.
(23)Cass., 4 juli 1949, Pas. 1949, I, 506; Cass., 5 juni 1950, Pas. 1950, I, 695, waarbij in een noot onder laatstvermeld arrest werd geschreven dat men zich kon afvragen of men wel werkelijk met een wet over bevoegdheid te doen had: "De vraag of het deze of gene Belgische rechtbank behoort de zaak te vonnissen is wel een kwestie in verband met de bevoegdheid; de vraag of de strafvervolging van een misdrijf in de vreemde gepleegd in België toegelaten is, is een kwestie in verband met de ontvankelijkheid".
(24)Zie bv. Cass. 7 januari 1981, A.C. 1981-82, nr. 262.
(25)Cfr. F. THOMAS, "De internatonale gelding van de strafwet in de ruimte", in A. DE NAUW, J. D'HAENENS en M. STORME (eds.), Actuele problemen van strafrecht, Antwerpen, Kluwer, 1988,
(195)204.
(26)Cass., 27 juni 2006, AR P.05.1491.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14; N.C., 2007, 141.
(27)B.S. 5 februari 1986.
(28)Zie Cass., 27 juni 2006 voornoemd.
(29)Zie het toelichtend verslag bij het Verdrag van 27 januari 1977, Parl. St. Kamer, 1977-78, nr. 486/1, p. 9, i.h.b. randnummer 26.
(30)Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 1977-78, nr. 486/1, p.4.
(31)J. BIGAY, " Extrader ou punir ", R.D.P. 1980,
(113)118.
(32)C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2003, 1070.
(33)noot N. KEIJZER onder H.R., 6 dec. 2005, N.J., 2006, nr 482. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050629.11 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070530.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div