id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070925.4 Rolnummer: P.06.1531.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-10-23 Raadplegingen: 387 - laatst gezien 2026-07-03 10:13 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.4 Fiche 1 Een arrest waarbij de appelrechters enerzijds de vordering van de eisers tegen de verweerster ongegrond verklaren in zoverre zij strekt tot betaling van een vervallen en opeisbare schuld en anderzijds de verweerster veroordelen tot betaling van een voorschot uit hoofde van bijkomende kosten en de zaak voor verdere afhandeling van die schadepost naar de eerste rechter verwijzen is geen eindbeslissing zodat het cassatieberoep daartegen niet ontvankelijk is
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Burgerlijke rechtsvordering - Burgerlijke partij UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Arrest dat over de burgerlijke vordering deels een eindbeslissing inhoudt en deels een niet-definitieve beslissing inhoudt - Voorziening - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 25 sept. 2007, AR P.06.1531.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Burgerlijke rechtsvordering - Burgerlijke partij UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Arrest dat over de burgerlijke vordering deels een eindbeslissing inhoudt en deels een niet-definitieve beslissing inhoudt - Voorziening - Ontvankelijkheid Tekst van de conclusie P.06.1531.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
- Eisers in cassatie stonden aan M.D.M., de vader van verweerster, een lening toe en gaven hem een aantal effecten in bewaring. De lening werd niet terug betaald en de effecten werden niet teruggeven. Het hof van beroep te Gent bevestigde bij arrest van 9 maart 2000 een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 15 mei 1998 waarbij M.D.M. werd veroordeeld om aan eisers zowel de lening terug te betalen als ook de tegenwaarde van de in bewaring ontvangen effecten, dit alles vermeerderd met interesten en kosten.
- Een poging van eisers om tot gedwongen uitvoering over te gaan mislukte, waarop eisers zich tegen de vader van verweerster burgerlijke partij stelden voor de onderzoeksrechter wegens bedrieglijk onvermogen. Bij de regeling van de procedure op het einde van het gerechtelijk onderzoek werden zowel M.D.M. als verweerster verwezen naar de correctionele rechtbank te Brugge. Bij vonnis van 29 december 2004 werden beiden strafrechtelijk veroordeeld om als dader of mededader zijn bedrieglijk onvermogen te hebben bewerkt of niet aan de op hem rustende verplichtingen te hebben voldaan. Dit werd feitelijk omschreven als niet te hebben voldaan 'aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit zijn veroordeling (...) en zijn uitgaven, en liggende gelden aan beslag te onttrekken en/of beneden het beslagbaar minimum te houden, door deze onder te brengen bij en te beheren door tussenkomst van N.D.M., onder meer via een bankrekening op naam van deze laatste'. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 24 oktober 2006 oordeelde dat de tenlastelegging ook in hoger beroep bewezen bleef en veroordeelde de beklaagden opnieuw. Dit gebeurde met eenparigheid van stemmen: de appelrechters hielden bij de straftoemeting ten aanzien van verweerster immers rekening met 'haar noodzakelijk, jarenlang volgehouden mededaderschap aan het bewezen verklaard misdrijf' en vonden dat de strafmaat gehanteerd door de eerste rechter een 'te milde bestraffing in haren hoofde is om haar tot blijvend schuldinzicht te brengen'.
- Voor de eerste rechter vorderden eisers op burgerlijk gebied dat de vader van verweerster zou veroordeeld worden tot vergoeding van de schade ingevolge de bijkomende kosten van administratie, strafklacht en benaarstiging van de procedure. Eisers gingen er van uit dat, vermits zij tegen hem reeds over een titel beschikten wat het bedrag van de lening en de tegenwaarde van de effecten betreft, zij aan de strafrechter bij wege van burgerlijke partijstelling geen tweede titel konden vragen. Eisers vorderden ook genoegdoening van verweerster. De tegen haar gerichte burgerlijke vordering omvatte de bijkomende kosten ten gevolge van de mislukte tenuitvoerlegging van het arrest van 9 maart 2000 én het bedrag van de veroordeling door dit arrest uitgesproken tegen M.D.M.. Het eerste deel van de vordering werd toegekend, en verweerster werd solidair met haar vader veroordeeld tot betaling van één euro provisioneel. De rechtbank oordeelde dat de schade die voor de strafrechter in aanmerking komt, de specifieke schade is die voortspruit uit de krenking van het rechtmatig belang op onmiddellijke betaling waardoor bijzondere bijkomende kosten zijn ontstaan
(1). De vordering van eisers werd door de correctionele rechter in eerste aanleg echter afgewezen in zoverre zij strekte tot het bekomen van verweerster van het bedrag van de lening en van de tegenwaarde van de effecten; de rechtbank steunde daarbij op een arrest van Uw Hof waarvan de er in vervatte regel weliswaar tot een andere conclusie zou moeten leiden
(2). De appelrechters bevestigden de beroepen beslissing, afgezien van de aanvangsdatum waarop de gerechtelijke interesten beginnen te lopen, en verwezen de zaak op burgerlijk gebied voor verdere afhandeling terug naar de eerste rechter. Het hof van beroep oordeelde ter zake dat 'de schade die door de schuld van tweede beklaagde (verweerster in cassatie), mededader aan het misdrijf van bedrieglijk onvermogen, werd veroorzaakt, valt immers niet samen met de onbetaalde schuld van de eerste beklaagde ten aanzien van de burgerlijke partijen (eisers in cassatie)' en 'de bijkomende kosten (...) vormen de specifieke schade die voortspruit uit de krenking van het rechtmatig belang op onmiddellijke betaling, zoals bijvoorbeeld deurwaarderskosten, kosten ingevolge onnuttig beslag, administratie en dergelijke. Deze schade staat immers in rechtsreeks causaal verband met de onrechtmatige daad, op basis waarvan de beklaagden werden veroordeeld'. 4. Op 7 november 2006 tekenden eisers cassatieberoep aan tegen het arrest van het hof van beroep te Gent en dit tegen al de beschikkingen hen betreffende op burgerlijk gebied ten aanzien van N.D.M.
(3). De eerste vraag die zich stelt is of deze voorziening al dan niet ontvankelijk is? In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing waarbij een veroordeling wordt uitgesproken tot betaling van één euro provisioneel en de zaak voor verdere afhandeling wordt verwezen naar de eerste rechter, ligt geen eindbeslissing voor en is het cassatieberoep in toepassing van artikel 416 Sv. niet ontvankelijk. In zoverre er wordt van uitgegaan dat de beslissing van de appelrechters waarbij de vordering tegen verweerster tot betaling van het bedrag van de vervallen schuld en van de tegenwaarde van de effecten ongegrond wordt verklaard, kan afgesplitst worden van de beslissing waarbij één euro provisioneel wordt toegekend voor de bijkomende kosten en de zaak voor verdere afhandeling wordt verwezen naar de eerste rechter, ligt op dat eerste punt wél een eindbeslissing voor en is het cassatieberoep ontvankelijk. Niettemin zou in dergelijke gevallen het cassatieberoep toch als voorbarig en derhalve niet-ontvankelijk moeten worden beschouwd, onder voorbehoud van de uitzondering uit de tweede alinea van artikel 416 Sv. betreffende het beginsel van aansprakelijkheid
(4). Dit laatste zou er dan op neerkomen dat het cassatieberoep slechts ontvankelijk is in zoverre uitspraak gedaan wordt over een beginsel van aansprakelijkheid, wat in casu het geval lijkt te zijn: de appelrechters achten verweersters immers niet aansprakelijk voor de vermogensschade van eisers die voortvloeit uit het feit dat haar vader bepaalde van zijn verbintenissen niet is nagekomen. Anderzijds heeft Uw Hof bovendien reeds beslist om akte van afstand te verlenen van een cassatieberoep in zoverre de bestreden beslissing uitspraak deed over de vergoeding van de schade en een deskundigenonderzoek beval, doch het cassatieberoep ontvankelijk verklaarde in zoverre de bestreden beslissing uitspraak deed over de aansprakelijkheid en over het bedrag van de schadevergoeding voor de wachttijd
(5). Dit arrest lijkt dan ook te impliceren dat Uw Hof van oordeel was dat de beslissing die definitief uitspraak deed over bepaalde schadeposten kon afgesplitst worden van de andere posten van de schadebegroting waarover nog geen definitieve uitspraak was gedaan, en dat het cassatieberoep dan ook ontvankelijk was in de mate waarin het was gericht tegen het gedeelte van de beslissing dat op definitieve wijze uitspraak deed over een schadepost. Ik besluit dan ook tot de ontvankelijkheid van de voorziening. (...) _______________
(1)N. BAUWENS, "Bedrieglijk onvermogen", R.W. 1989-90,
(273)294
(2)Cass., 20 februari 2001, A.R. P.99.0480.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.4, nr. 102: zie infra sub 6
(3)Eerder had de raadsman van eisers per abuis cassatieberoep aangetekend voor N.D.M.. Dit euvel werd op 8 november 2006 rechtsgezet door een afstand van voorziening.
(4)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 2732
(5)Cass. 12 februari 2002, A.R. P.00.0984.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020212.11, nr. 96 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.4 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020212.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div