← België

ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070925.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 september 200

Art. 149Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt.

195, eerste lid, en 371 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Vrijwillige verschijning Vrije woorden: Veroordelende beslissing - Opgave van de wetsbepalingen Wettelijke bepalingen:

Art. 149Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt.

195, eerste lid, en 371 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De veroordelende beslissing voor een fiscale valsheid of gebruik moet de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten vermelden die de dader heeft overtreden of heeft willen overtreden

(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Vrijwillige verschijning Vrije woorden: Fiscale valsheid en gebruik van valse stukken - Veroordeling - Te vermelden wetsbepalingen Wettelijke bepalingen:

Art. 149Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt.

195, eerste lid, en 371 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 449 en 450, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Vrijwillige verschijning Vrije woorden: Fiscale valsheid en gebruik van valse stukken - Veroordeling - Te vermelden wetsbepalingen Wettelijke bepalingen:

Art. 149Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt.

195, eerste lid, en 371 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 449 en 450, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 25 sept. 2007, AR P.07.0420.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Vrijwillige verschijning Vrije woorden: Strafvordering - Veroordelende beslissing - Opgave van de wetsbepalingen Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Vrijwillige verschijning Vrije woorden: Veroordelende beslissing - Opgave van de wetsbepalingen Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Vrijwillige verschijning Vrije woorden: Fiscale valsheid en gebruik van valse stukken - Veroordeling - Te vermelden wetsbepalingen Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Vrijwillige verschijning Vrije woorden: Fiscale valsheid en gebruik van valse stukken - Veroordeling - Te vermelden wetsbepalingen Tekst van de conclusie P.07.0420.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE 1. Eisers werden vervolgd en in eerste aanleg veroordeeld voor feiten die in het exploot van rechtsingang

(1)en in het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 22 april 2005 werden omschreven als volgt: 'Bij inbreuk op de artikelen 339 en 340, eerste lid (oud) en 449 en 450, eerste lid (nieuw) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, met het oogmerk, om met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te overtreden, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschillen valsheid te hebben gepleegd en/of met hetzelfde oogmerk van een zodanig vals geschrift gebruik te hebben gemaakt, namelijk door het opstellen van fictieve facturen van de BVBA BRISTI teneinde fictieve aftrekposten te creëren in de aangifte van de bestemmeling van de factuur: te Heist-Op-Den-Berg en bij samenhang elders in het Rijk: (vervolgt met de opsomming van de tenlasteleggingen A.40 tot en met A.128 waarin telkens de datum van het feit, het nummer van de factuur, het factuurbedrag en het nummer van het overtuigingstuk worden gepreciseerd)'. 2. Uit de stukken met betrekking tot de procedure in hoger beroep, en meer bepaald uit het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 01 februari 2007
(2), blijkt dat het Openbaar Ministerie met betrekking tot hoger vermelde tenlastelegging A de precisering van het bedrieglijk oogmerk vorderde, namelijk: 'Als dader of mededader, bij inbreuk op de artikelen 449 en 450 eerste lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te overtreden, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd en/of met hetzelfde oogmerk van een zodanig vals geschrift gebruik te hebben gemaakt, namelijk door het opstellen van fictieve facturen van de bvba BRISTI teneinde fictieve aftrekposten te creëren in de aangifte van de bestemmeling van de factuur en de verschuldigde directe belastingen (vennootschapsbelastingen) van de bvba Print Star te ontduiken'. In beroepsbesluiten voor eiser neergelegd ter zitting van 01 februari 2007
(3)nam eiser er trouwens nota van dat het Openbaar Ministerie (reeds) ter zitting van 1 december 2005 had meegedeeld 'de dagvaarding in die zin te laten wijzigen'. Het bestreden arrest stelt vast dat eisers kennis konden nemen van die precisering, daaromtrent hun zienswijze konden laten kennen en dat zij na die precisering nog steeds voor dezelfde feiten werden vervolgd
(4). De appelrechters bevestigden het veroordelende vonnis van de eerste rechter, met dien verstande dat het bedrag voor financiering van het Bijzonder Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders werd aangepast en dat tegen eiseres met eenparigheid van stemmen de bijzondere verbeurdverklaring werd uitgesproken van bepaalde overtuigingstukken.
  1. Het enige en gezamenlijke middel voert aan dat het bestreden arrest niet naar genoegen van recht is gemotiveerd omdat het arrest, noch zelf, noch door overneming, enige wettelijke bepaling van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten vermeldt die eisers hebben overtreden of hebben willen overtreden middels de ten laste gelegde valsheid.
  2. Het is de vaststaande rechtspraak van Uw Hof dat in strafzaken de veroordelende beslissingen, om naar recht met redenen te zijn omkleed, niet alleen opgave moeten doen van de wetsbepalingen waarbij een straf wordt bepaald, doch ook van de bepalingen waarbij de bestanddelen van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf worden vastgesteld
(5). Het doel van de motiveringsplicht bestaat erin dat de verdachte kennis kan nemen van de hem ten laste gelegde feiten en, onder meer, kan nagaan of de veroordeling gegrond is doordat die feiten binnen de wettelijke delictsomschrijving vallen. De verplichte vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen wordt beschouwd als een substantieel of essentieel voorschrift
(6). 5. Sinds het arrest van Uw Hof van 10 maart 1993
(7)is het eveneens vaste rechtspraak
(8)dat een veroordeling wegens fiscale valsheid in geschriften de wetsbepalingen moet aanduiden die de dader van de valsheid middels het valse stuk overtrad of zinnens was te overtreden. Het arrest van 10 maart 1993 vernietigt het bestreden arrest van het hof van beroep omdat noch dit arrest, noch het vonnis waarnaar het verwijst, melding maken van enige bepaling van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen of van de uitvoeringsbesluiten daarvan die eiser met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden zou hebben overtreden of zou hebben willen overtreden door valsheid in geschriften te plegen of gebruik te maken van een dergelijk vals stuk. 6. De vraag rijst of deze rechtspraak zonder meer houdbaar blijft. Het komt mij immers voor dat die rechtspraak reeds een uitbreiding inhoudt van de hoger sub 4 geciteerde rechtspraak over de motivering in strafzaken. Met betrekking tot voorliggende problematiek worden de strafbare feiten bepaald door de artikelen 339 tot 349 W.I.B.
(9), thans de artikelen 449 en volgende van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. Artikel 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 stelt dat onverminderd de administratieve sancties, hij, die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 12.500 euro of met één van die straffen alleen. Artikel 450 eerste lid van hetzelfde Wetboek bepaalt dat met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 euro tot 12.5000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 449 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt. Een in rechte afdoende motivering in strafzaken moet ook, zoals hoger aangetoond, de wettelijke bepalingen vermelden die de bestanddelen van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf vaststellen. Het is voormeld artikel 450, en enkel dat artikel, dat de bestanddelen van het misdrijf van fiscale valsheid in geschriften vaststelt. Bij het misdrijf van fiscale valsheid in geschriften is het oogmerk om een van de in artikel 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde misdrijven te plegen een constitutief bestanddeel van het misdrijf
(10). In overeenstemming met de rechtspraak van Uw Hof dient het veroordelende vonnis of arrest bijgevolg te verwijzen naar artikel 450 van ditzelfde Wetboek dat dit bestanddeel inhoudt, wat het bestreden arrest in casu trouwens heeft gedaan. Het exacte voorwerp van dit oogmerk, zijnde de concrete inbreuk op de fiscale bepalingen die wordt beoogd, is daartegen naar mijn oordeel, geen constitutief bestanddeel van het misdrijf. Slechts 'het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden' gerelateerd aan een wetsovertreding bedoeld in artikel 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is ter zake als bijzonder opzet een bestanddeel van het ten laste gelegde misdrijf, niet de beoogde inbreuk zelf. Bovendien is het zo dat er geen wettelijke bepaling bestaat die de bestanddelen vaststelt van de concrete inbreuken die bij de fiscale valsheid in geschriften beoogd kunnen worden, buiten artikel 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, waarnaar artikel 450, eerste lid van ditzelfde Wetboek verwijst. Het bedoelde Wetboek omvat immers geen bepalingen met de omschrijvingen van de diverse overtredingen van fiscale bepalingen die kunnen worden begaan of beoogd door de fiscale valsheid. Enkel artikel 449 van het Wetboek bevat een generieke delictsomschrijving: de overtredingen van de bepalingen van het Wetboek of van de uitvoeringsbesluiten ervan, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, maken misdrijven uit. De bepaling van het Wetboek of van de uitvoeringsbesluiten waarvan de overtreding beoogd werd bij het plegen van de valsheid in geschriften, is op zich geen bepaling die de bestanddelen van een misdrijf vaststelt. Deze bepaling is integendeel het spiegelbeeld van dergelijke bepaling. Zij stelt op zich niet vast wat de bestanddelen zijn van het fiscale misdrijf, maar bepaalt wat de inhoud is van de fiscale verplichting die uit die bepaling voortvloeit of wat de grenzen zijn van het fiscale recht dat die bepaling instelt. Niet wat niet mag, maar wel wat mag of moet, is het voorwerp van die bepaling. In voorliggend geval zijn de bepalingen waarvan de overtreding werd beoogd door het fiscale misdrijf de bepalingen op het gebied van de fiscale aftrekken die de belastingplichtige kan toepassen en de bepalingen in verband met de verplichting om belasting te betalen. De bepalingen die de fiscale aftrekken regelen, bepalen enkel welke aftrekken mogen gebeuren, zij stellen niet vast welke feiten een schending van de aftrekregeling uitmaken of wat de bestanddelen zijn van een inbreuk op de aftrekregeling. Zelfs indien men blijft aanvaarden dat de fiscale bepalingen, al naargelang het geval, het materieel bestanddeel zouden opleveren van het misdrijf bedoeld in artikel 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, denk ik niet dat daaruit volgt dat zij een bestanddeel uitmaken van het misdrijf van artikel 450 van hetzelfde Wetboek. Bedoelde artikelen vormen immers elk op zich een autonoom misdrijf. Eenmaal zulks aangenomen wordt is het dan niet vereist dat wordt verwezen naar de concrete fiscale bepaling waarvan de overtreding beoogd wordt. In andere gelijkaardige, maar daarom niet analoge gevallen lijkt de rechtspraak niet zo streng. De wanbedrijven omschreven in artikel 505 van het Strafwetboek en het wanbedrijf omschreven in artikel 3 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden
(11)zijn bijvoorbeeld misdrijven waarvan het bestaan afhangt van een ander misdrijf
(12). Uw Hof oordeelde in eerstgenoemde gevallen dat het om zelfstandige misdrijven gaat
(13), dat het niet vereist is dat de daders aan het voorafgaande wanbedrijf gekend of veroordeeld zijn
(14), dat de veroordelende beslissing geen opgave moet doen van de misdaad of het wanbedrijf waardoor de vermogensvoordelen zijn verkregen
(15)en dat de rechter het precieze misdrijf niet moet kennen
(16). Met betrekking tot de aangehaalde inbreuk op de racismewet werd geoordeeld dat bedoelde inbreuk een zelfstandig misdrijf is dat niet vereist dat de groep of vereniging waartoe de dader behoort, werd of wordt vervolgd, persoonlijk schuldig werd geacht of veroordeeld
(17). 7. Uit de stukken waar Uw Hof acht vermag op te slaan, meer bepaald de besluiten die voor eisers werden ontwikkeld voor de eerste rechter
(18)en voor de appelrechters
(19), blijkt niet dat eisers op enig ogenblik verweer hebben gevoerd omtrent het moreel bestanddeel van de ten laste gelegde inbreuk op artikel 450 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, noch omtrent de beoogde fiscale inbreuk; evenmin blijkt dat eisers op enig ogenblik tegen de aangevoerde tenlastelegging een exceptio obscuri libelli hebben aangevoerd of hebben verzocht om de toepasselijke fiscale bepalingen aan te duiden. Uit de initiële feitelijke omschrijving en uit de latere precisering van het ten laste gelegde misdrijf blijkt trouwens expliciet dat het oogmerk van het opstellen van fictieve facturen in casu bedoeld was om 'fictieve aftrekposten te creëren in de aangifte van de bestemmeling van de factuur' en 'de verschuldigde directe belastingen van de BVBA PRINT STAR te ontduiken'. Ik denk dat enkel in het geval dat een beklaagde voor de feitenrechter expliciet verweer heeft gevoerd omtrent de bepaling van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 of van de uitvoeringsbesluiten ervan waarvan hij de overtreding heeft beoogd middels de verweten valsheid, de vermelding van die bepaling in het veroordelend vonnis vereist zou kunnen worden in het raam van de motiveringsplicht in strafzaken. De verwijzing naar de fiscale bepalingen waarvan de overtreding werd beoogd door de fiscale valsheid zou in bepaalde gevallen immers nuttig kunnen zijn. De positieve omschrijving van de fiscale verplichting of van het fiscale recht maakt het immers mogelijk om uit te maken wat binnen die verplichting of dat recht valt en dus geen overtreding van de fiscale bepaling uitmaakt. Dit laat aldus onrechtstreeks toe om, door uitsluiting, na te gaan wat in concreto moet worden verstaan onder de door artikel 449 op generieke wijze strafbaar gestelde overtredingen van de fiscale bepalingen. Zulke verwijzing kan in het bijzonder nuttig zijn wanneer een recht aan bepaalde in de wet opgesomde voorwaarden is gekoppeld. Het ontbreken van een van die voorwaarden kan dan een aanwijzing uitmaken voor het voorhanden zijn van een fiscale inbreuk
(20). De omstandigheid dat die verwijzing in bepaalde gevallen nuttig kan zijn vormt mijns inziens nog geen afdoende verantwoording om van de verwijzing naar de concrete bepaling een altijd geldende vereiste voor een rechtsgeldige motivering te maken. In het voorliggende geval lijkt de verwijzing naar de concrete bepalingen die de fiscale aftrek van kosten regelen hoe dan ook weinig zinvol omdat het oogmerk van het ten laste gelegde misdrijf erin bestaat dat niet bestaande, fictieve kosten in aftrek worden gebracht. De bepalingen die de voorwaarden omschrijven waaronder reële kosten kunnen in aftrek worden gebracht, kunnen weinig of geen elementen aanreiken die enig belang vertonen bij de totstandkoming en beoordeling van het ten laste gelegde misdrijf. Het doel van de motiveringsplicht
(21)werd in casu afdoende bereikt. Conclusie: Verwerping. ________________
(1)Dagvaarding ten verzoeke van de Procureur des Konings te Mechelen.
(2)Proceduredossier hof van beroep Antwerpen, stuk 25 zoals trouwens ook geciteerd in het bestreden arrest sub 4 (p. 6 en 7).
(3)Proceduredossier hof van beroep Antwerpen, stuk 26.
(4)Bestreden arrest p. 7.
(5)Cass., 28 mei 1986, A.R. 5020, nr. 607; cass., 26 janurai 1988, A.R. 781, nr. 319; Cass., 27 maart 1996, A.R. P.95.1105.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960327.10, nr. 107; Cass., 20 december 2000, A.R. P.00.1384.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001220.11, nr. 713; Cass., 14 februari 2001, A.R. P.00.1350.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14, nr. 91; Cass., 4 juni 2002, A.R. P.01.0706.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.4, nr. 339; Cass., 18juni 2003, A.R. P.03.0269.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030618.9, nr. 358; Cass., 13 juni 2006, A.R. P.06.0233.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060620.8, www.cass.be.
(6)Cass., 3 mei 2002, A.R. P.99.1197.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000503.17, nr. 268.
(7)Cass., 10 maart 1993, A.R. 34, nr. 138.
(8)Cass., 14 februari 2001, A.R. P.00.1350.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14, P.00.1353.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 en P.00.1363.F, nr. 91; Cass., 5 maart 2002, A.R. P.01.1434.N, nr. 158; Cass., 13 december 2006, A.R. P.05.1434.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061213.7, www.cass.be.
(9)R. DECLERCQ, "Strafrechtelijke aspecten van de recente wijzigingen inzake inkomstenbelastingen" in Strafrecht en belastingrecht, L. DUPONT en F. VANISTENDAEL (ed.), Kluwer, 1983, 4.
(10)L. DUPONT, "Fiscale valsheid in geschriften" in Strafrecht en belastingrecht, L. DUPONT en F. VANISTENDAEL (ed.), Kluwer, 1983, 107-108.
(11)Thans artikel 22 ingevolge de Wet van 10 mei 2007 (B.S. 30.05.2007)
(12)Heling en witwasheling veronderstellen een basismisdrijf; het misdrijf van lidmaatschap aan een vereniging in de zin van de wet van 30 juli 1981 veronderstelt een groepering die racisme of segregatie verkondigt.
(13)Cass., 17 augustus 1982, A.C. 1981-1982, nr. 671.
(14)Cass., 25 oktober 1988, A.R. 2283, nr. 113.
(15)Cass., 21 juni 2000, A.R. P.99.1285.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30, P.00.0351.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30 en P.00.0856.F, nr. 387.
(16)Cass., 25 september 2001, A.R. P.01.0725.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010925.7, nr. 493.
(17)Cass., 9 november 2004, A.R. P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, nr. 539.
(18)Gemeenschappelijke conclusie van eisers medegedeeld op 16 september 2004 (stuk 674, procedurebundel eerste aanleg) en neergelegd ter zitting van de correctionele rechtbank op 4 maart 2005 (stuk 802, procedurebundel eerste aanleg).
(19)Beroepsbesluiten dd. 1 februari 2007 van eiser (stuk 26, procedurebundel hof van beroep) en van eiseres (stuk 28, procedurebundel hof van beroep) .
(20)Het misdrijf voorzien in artikel 449 wetboek van Inkomstenbelastingen.
(21)Cfr. supra sub 4. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960327.10 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000503.17 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001220.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010925.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030618.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060620.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061213.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.