← België

ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071004.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071004.6 Rolnummer: D.07.0001.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-12-10 Raadplegingen: 354 - laatst gezien 2026-07-03 22:26 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071004.6 Fiches 1 - 2 Wanneer de eerste kamer van het hof van beroep moet oordelen over een verzoek een zware tuchtstraf uit te spreken ten aanzien van een plaatsvervangende vrederechter, maar oordeelt dat slechts een lichte straf moet worden uitgesproken, kan zij een lichte straf opleggen en is zij niet verplicht de zaak te verwijzen naar de tuchtoverheid die bevoegd is om een lichte straf op te leggen

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hof van beroep - Zware tuchtstraf - Lichte tuchtstraf - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 414 en 415, §§ 2 en 4 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - TUCHTZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hof van beroep - Zware tuchtstraf - Lichte tuchtstraf - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 414 en 415, §§ 2 en 4 Fiches 3 - 4 Nu de wetgever aan alle zittende magistraten een principieel recht heeft toegekend op een hoger beroep in volle omvang tegen de tuchtbeslissingen die hen betreffen en aan het openbaar ministerie een recht tot hoger beroep heeft toegekend ten aanzien van elke tuchtstraf, volgt hieruit dat hoger beroep openstaat in volle omvang bij de rechtsinstantie die bevoegd is de in eerste aanleg genomen beslissing te hervormen of te bevestigen, ongeacht de aard van de eindbeslissing die in eerste aanleg is genomen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hoger beroep tegen tuchtbeslissingen - Bevoegde rechtsinstantie Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 415 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hoger beroep tegen tuchtbeslissingen - Bevoegde rechtsinstantie Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 415 Fiches 5 - 8 Concl. eerste adv.-gen. DE SWAEF, Cass., 4 okt. 2007, AR D.07.0001.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hof van beroep - Zware tuchtstraf - Lichte tuchtstraf - Bevoegdheid Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - TUCHTZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hof van beroep - Zware tuchtstraf - Lichte tuchtstraf - Bevoegdheid Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hoger beroep tegen tuchtbeslissingen - Bevoegde rechtsinstantie Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde Vrije woorden: Hoger beroep tegen tuchtbeslissingen - Bevoegde rechtsinstantie Tekst van de conclusie D.07.0001.N Conclusie van het openbaar ministerie
  1. Deze procedure betreft een tuchtzaak lastens J.C., plaatsvervangend vrederechter. De wet bepaalt de overheden bevoegd om een tuchtstraf op te leggen op grond enerzijds van de functie die de magistraat bekleedt en anderzijds, van de aard van de op te leggen tuchtstraf. Dit is een op zich gesloten systeem, waarbij de wet lichte en zware tuchtstraffen onderscheidt (art. 405, Ger.W.).
  2. Luidens artikel 414, Ger.W. ressorteren de plaatsvervangende magistraten in deze hoedanigheid onder dezelfde tuchtoverheden als de werkende magistraten. De artikelen 410, § 1, 1° en 412, § 1, Ger.W. verlenen aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de (plaatsvervangende) vrederechter de bevoegdheid om een lichte straf op te leggen. Ingeval de overheid die bevoegd is om lichte straffen op te leggen na onderzoek oordeelt dat een zware straf moet worden opgelegd, moet zij de zaak aanhangig maken bij de Nationale Tuchtraad (art. 411, § 2, Ger.W.). Dat is te dezen gebeurd. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde maakte het dossier van de tuchtprocedure over aan de Nationale Tuchtraad die op 21 maart 2006 tot een tuchtschorsing voor een periode van 6 maanden adviseerde (zware tuchtstraf van de eerste graad) en, bij toepassing van de artikelen 412, § 2, 1° en 419, Ger.W., de zaak aanhangig maakte bij de eerste kamer van het hof van beroep te Gent, tuchtoverheid die bevoegd is om een zware tuchtstraf op te leggen.
  3. De aldus wettig geadieerde eerste kamer van het hof van beroep legde op 21 december 2006 aan J.C. de (lichte) tuchtstraf van de berisping op (art. 405, § 1, Ger.W.). Zich baserend op artikel 415, § 12, Ger.W. legde de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent op 5 januari 2007 voor het Hof van cassatie een verzoekschrift houdende beroep neer en ertoe strekkende dat een zware tuchtsanctie zou worden opgelegd. Artikel 415, Ger.W. bepaalt enerzijds in § 2 dat de verenigde kamers van het Hof van cassatie kennis nemen van het hoger beroep ingesteld tegen de zware straffen, opgelegd o.m. aan de (plaatsvervangende) vrederechters en anderzijds in § 4 dat de eerste kamer van het hof van beroep kennis neemt van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen, opgelegd aan de (plaatsvervangende) vrederechters (door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg).
  4. Nu spruit de problematiek in deze zaak precies voort uit de omstandigheid dat de tuchtoverheid, bevoegd om een zware straf op te leggen, een lichte straf heeft uitgesproken, terwijl ze daarvoor tegelijk wettelijk als tuchtoverheid in hoger beroep wordt aangewezen. De procureur-generaal te Gent motiveert de adiering van het Hof van cassatie van zijn hoger beroep met de overweging dat de bevoegde beroepsinstantie dient te worden bepaald op grond van de functie van diegene aan wie de tuchtstraf werd opgelegd en niet op grond van de aard van de straf, aangezien het onmogelijk is dat de 1ste kamer van het hof van beroep kennis neemt van het hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van diezelfde eerste kamer van het hof van beroep, zelfs anders samengesteld. Eenzelfde gerecht kan inderdaad in dezelfde zaak bezwaarlijk zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitspraak doen. Maar kon het hof van beroep, geadieerd ingevolge de bevoegdheid voor het opleggen van zware tuchtstraffen in eerste aanleg, een lichte tuchtstraf uitspreken t.a.v. een (plaatsvervangende) vrederechter, dan wanneer de wet hiertoe de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aanwijst? M.a.w., moet, indien een hof van beroep, na het niet bindend advies van de Nationale Tuchtraad over de op te leggen straf (art. 409, § 1, Ger.W.), van oordeel is dat enkel een lichte straf moest worden opgelegd, dan de zaak niet terugwijzen naar de voor die sanctie bevoegde overheid (i.c. de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die zich eventueel moet laten vervangen gezien hij reeds stelling heeft genomen over de aard van de sanctie door de zaak aanhangig te maken bij de Nationale Tuchtraad)? Voor een bevestigend antwoord op die vraag kan m.i. aansluiting worden gevonden bij de wettelijk regeling die voorschrijft dat, indien de overheid, bevoegd voor het opleggen van een zware straf van de eerste graad van oordeel is dat een zware straf van de tweede graad moet worden opgelegd, zij het dossier overzendt aan de overheid bevoegd om een zware straf van de tweede graad op te leggen (art. 419, Ger.W.). Te dezen zou het een verwijzing in omgekeerde zin betreffen, maar de ratio legis blijft identiek. De verdere uitwerking van die regeling leidt ertoe dat de aldus door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op verwijzing getroffen beslissing rechtsgeldig het voorwerp kan uitmaken van een hoger beroep voor de eerste kamer van het hof van beroep (anders samengesteld gezien de vorige tussenkomst) en dat die tuchtoverheid in beroep overeenkomstig artikel 415, § 9, Ger.W. lichtere of zwaardere straffen kan opleggen dan diegene die zijn uitgesproken. En al is zulke oplossing aan het in deze zaak gestelde procedureprobleem niet vrij van enige complexiteit, toch sluit ze m.i. zo nauw mogelijk aan bij de wet en haar doelstelling en is ze voldoende consistent. De bevoegdheid van iedere tuchtinstantie wordt erdoor geëerbiedigd, het recht op hoger beroep blijft gevrijwaard en de appelinstantie behoudt de vrije keuze in de op te leggen sanctie.
  5. De zienswijze die ervan uitgaat dat de door de Nationale Tuchtraad geadieerde overheid zowel een lichte als een zware straf kan opleggen (X. De Riemaecker, Aspects du nouveau droit disciplinaire des magistrats, Imperat Lex-Liber Amicorum Pierre Marchal, Larcier, 2003, 309
(315)) gaat m.i. in tegen de wet, zowel wat de aangewezen overheden bevoegd om een straf op te leggen betreft als met betrekking tot de beroepsinstanties. Toegepast op de huidige procedure dient er immers vastgesteld enerzijds, dat de eerste kamer van het hof van beroep niet de tuchtoverheid is die lastens een (plaatsvervangend) vrederechter bevoegd is om een lichte straf op te leggen en, anderzijds, dat de verenigde kamers van het Hof van cassatie geen kennis nemen van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd aan voornoemde magistraat. Aan voornoemde instanties die bevoegdheden toch toekennen druist dan ook tegen het wettelijk stelsel in 6. Blijft nog de vraag welk gevolg aan het hoger beroep van de procureur-generaal te Gent dan moet worden voorbehouden. Uit hetgeen voorafgaat moet m.i. blijken dat het Hof niet bevoegd is om zich ten gronde uit te spreken over het hoger beroep tegen een aan een (plaatsvervangende) vrederechter opgelegde lichte tuchtstraf, nu de wet deze mogelijkheid niet voorziet in het gesloten stelsel der tuchtinstanties. Het hoger beroep van de procureur-generaal moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard. Hoeft dit meteen ook te betekenen dat de (foutieve) beslissing van het hof van beroep te dezen niet vatbaar is voor enig rechtsmiddel? Ik meen van niet. Want, zo artikel 415, § 11, Ger.W. bepaalt dat de voorzieningen in cassatie bedoeld in de artikelen 608, 609 en 612 zijn uitgesloten, blijven ook in tuchtzaken behouden de vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen waardoor o.m. rechters en tuchtrechtelijke overheden van openbare en ministeriële ambtenaren hun bevoegdheid mochten hebben overschreden (artt. 610 en 1088, Ger.W.). Conclusie: verwerping. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071004.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.