id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071030.5 Rolnummer: P.07.1150.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 296 - laatst gezien 2026-07-03 20:18 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071030.5 Fiches 1 - 2 Ook al wordt er geen cassatiemiddel over aangevoerd, toch moet het Hof van Cassatie wanneer er een vraag als bedoeld in artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof rijst, een prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Fiche 5 Concl. eerste adv.-gen. De Swaef, Cass., 30 okt. 2007, AR P.07.1150.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Verplichting Fiche 6 Concl. eerste adv.-gen. DE SWAEF, Cass., 30 okt. 2007, AR P.07.1150.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Verplichting Fiches 7 - 8 Concl. eerste adv.-gen. De Swaef, Cass., 30 okt. 2007, AR P.07.1150.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Tekst van de conclusie P.07.1150.N Conclusie van de eerste advocaat-generaal De Swaef De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van 25 juni 2007 van de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) te Antwerpen dat vaststelt dat er geen onregelmatigheden werden begaan bij de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie. De appelrechters overwegen dat volgens artikel 235ter Strafvordering (Sv.) de opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling er enkel in bestaat te controleren of de gegevens van het open strafdossier met betrekking tot de toegepaste bijzondere opsporingsmethode conform zijn aan deze van het vertrouwelijk dossier. Vervolgens stelt de KI vast dat in conclusies echter de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingmethode observatie ter discussie wordt gesteld, zodat het debat dient te worden geopend met het oog op een mogelijke toepassing van artikel 235bis Sv. Uiteindelijk besluit de kamer van inbeschuldigingstelling, na te hebben vastgesteld dat de schriftelijke machtiging tot observatie beantwoordt aan alle vereisten van art. 47, sexies, § 3, Strafvordering, dat er geen onregelmatigheid werd begaan. Tegen dit arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling stelden de inverdenkinggestelden cassatieberoep in op 29 juni 2007. Het arrest nummer 105/2007 van het Grondwettelijk Hof van 19 juli 2007 vernietigde artikel 235ter, § 6, Sv.; het arrest werd in het Belgisch Staatsblad van 13 augustus 2007 gepubliceerd zodat sinds 13 augustus 2007 artikel 235ter, § 6, Sv. dat bepaalde dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat, moet geacht worden nooit te hebben bestaan (cfr. Art. 9, § 1, Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989). De rechtsvraag die alzo te dezen aan het Hof voorligt is welk gevolg voormeld vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof heeft op de door de eisers ingestelde cassatieberoepen. Hierbij dient mijn inziens eerst de inhoudelijke draagwijdte van de controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie zoals bepaald in artikel 235ter Strafvordering te worden onderzocht. De parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit (B.S. 30 december 2005, Ed. 2) die artikel 235ter in het Wetboek van Strafvordering invoegt geeft hieromtrent niet echt uitsluitsel. Eén lezing van deze wetsbepaling bestaat hierin dat de controle ex art. 235ter Sv. enkel betrekking heeft op het vertrouwelijk dossier en dat, indien ter gelegenheid van de controle van het vertrouwelijk dossier, de kamer van inbeschuldigingstelling beslist over te gaan tot een onderzoek van de wettigheid en de regelmatigheid van de observatie en infiltratie aan de hand van het strafdossier, zij de heropening van de debatten moet bevelen en verder toepassing moet maken van artikel 235bis Sv. (Cass., 31 oktober 2006, P.06.0841.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2 en P.06.0898.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5; Cass., 5 december 2006, P.06.1232.N; Gw.H., 26 juli 2007, nr. 107/2007). Maar echt proceseconomisch is deze oplossing niet, nu ze dezelfde rechter doet oordelen in verschillende procedures over hetzelfde onderwerp met dezelfde partijen. Artikel 235ter Sv. is mijn inziens ook vatbaar voor een andere ruimere interpretatie, en met name dat de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie zich niet tot de enkele controle van het vertrouwelijk dossier beperkt. Art. 235ter Sv. lijkt mij inderdaad slechts een bijzondere toepassing uit te maken van het onderzoek van de regelmatigheid van de procedure, zoals algemeen bepaald in art. 235bis Sv., in die zin dat die controle enkel geldt voor de observatie en de infiltratie en door de wet verplichtend gemaakt is zowel bij opsporingsonderzoek als bij gerechtelijk onderzoek. De controle ex art. 235ter Sv. omvat alsdan zowel het nazicht van het open strafdossier (waarvan de partijen trouwens inzage krijgen overeenkomstig art. 235ter, § 2, Sv.) als van het vertrouwelijk dossier. Dat art. 235ter Sv. slechts een specifiek geval uitmaakt van het algemene artikel 235bis Sv. kan ook worden afgeleid uit de verwijzing door art. 235ter, § 5, Sv. naar de toepassing van art. 235bis, § 5 en 6 met betrekking tot de gevolgen gehecht aan vastgestelde onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden. De door de kamer van inbeschuldigingstelling desgevallend nietig verklaarde en uit het dossier verwijderde stukken met betrekking tot de observatie en infiltratie kan uiteraard enkel terugslaan op stukken uit het open strafdossier (bij uitsluiting van de stukken uit het vertrouwelijk dossier). Aldus sluit de controle, bedoeld in artikel 235ter Sv., het volledige nazicht in van de regelmatigheid en de wettigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie. Maar het is natuurlijk enkel wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling optreedt overeenkomstig art. 235ter, § 1, Sv. dat zij inzage heeft in het vertrouwelijk dossier. Dat vertrouwelijk dossier bevat de volgende stukken (art. 47sexies; 47septies, 47octies en 47novies Sv.):
- a)de machtiging tot observatie of infiltratie vanwege de bevoegde magistraat. Die machtiging houdt volgende elementen in: de proportionaliteit, de subsidiariteit, de persoon die het voorwerp uitmaakt van de maatregel, de periode, de verantwoordelijke politieofficier en het scenario, de techniek en de toegepaste tactiek. Behoudens de toegepaste techniek of tactiek worden alle andere gegevens opgenomen in het proces-verbaal dat zich in het open strafdossier bevindt.
- b)de beslissingen tot aanvulling, wijziging en verlenging van de machtiging.
- c)de beslissing welke strafbare feiten de politiediensten kunnen plegen.
- d)de vertrouwelijke verslagen over elke fase in de uitvoering van de observatie en infiltratie. De controle van voornoemde stukken van het vertrouwelijk dossier put zijn enige relevantie in de gevolgen die er kunnen worden uit afgeleid voor de regelmatigheid van de stukken van het open strafdossier. Ook daarin voorziet artikel 235ter, Sv. De enkele controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling maakt aldus slechts een-zelfs veeleer formeel-element van de globale toetsing van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie uit en behoeft op zich dan ook geen afzonderlijk rechtsmiddel. Blijft daarentegen wel de vraag naar het bestaan van een rechtsmiddel tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling die, na inzage van het vertrouwelijk dossier, uitspraak doet over de regelmatigheid van de observatie en/of infiltratie, zoals gerelateerd in het open strafdossier. Zulk arrest is ongetwijfeld geen eindbeslissing in de zin van artikel 416 Strafvordering. Cassatieberoep is bijgevolg in de huidige stand der wetgeving slechts mogelijk na het eindarrest of het eindvonnis. De cassatieberoepen van de eisers zijn te dezen mitsdien in beginsel niet ontvankelijk. Evenwel, waar artikel 416, tweede lid, Strafvordering een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk maakt tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling, gewezen met toepassing van artikel 235bis Sv. en, in de interpretatie dat artikel 235ter Sv. slechts een bijzondere toepassing uitmaakt van de eerstgenoemde bepaling, kan de vraag worden gesteld of de controle ex art. 235ter Sv. ook niet zou dienen te worden vermeld in art. 416 Sv. onder de gevallen waar onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is zonder de eindbeslissing te moeten afwachten. Weliswaar is de huidige evolutie die ertoe strekt het Hof van Cassatie steeds meer te doen tussenkomen in de lopende strafprocedures in plaats van aan het einde van de procesgang niet echt overtuigend. Het daaraan verbonden vertragend effect op het procedureverloop staat haaks op de roep naar een efficiënte justitie. Maar de consistentie van het bestaande systeem kan een gelijkschakeling tussen de artikelen 235bis en 235ter Sv. wat het onmiddellijk cassatieberoep betreft, niettemin rechtvaardigen. Een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof kan daarover dan ook worden gesteld. Bij arrest AR P.07.0988.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.1 van 2 oktober 2007 heeft het Hof reeds ambtshalve de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden artikel 235ter en/of artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bij een controle van het vertrouwelijk dossier overeenkomstig de artikelen 189ter en/of 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat een voorbereidend arrest is, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging dat een gelijkaardig voorbereidend arrest is als dit gewezen bij toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering?" Deze vraag was luidens de overwegingen van het arrest ingegeven door de vaststelling door het Hof dat "procedure van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering van de ene kant en de procedure van artikel 235bis van de andere kant (...) dermate vergelijkbaar (zijn) dat de vraag rijst of dit onderscheid wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet", nu voor artikel 235bis Sv. wél en voor 235ter Sv. niet in de mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep is voorzien. Zo op de aldus gestelde vraag (beperkt tot de controle van het vertrouwelijk dossier) inderdaad een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zou worden vastgesteld, kan niet voorbijgegaan worden aan de bedenking naar de werkelijke omvang van het toezicht van de cassatierechter op het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling nu dit luidens art. 235ter , § 4, Sv., geen gewag mag maken van de inhoud van het vertrouwelijk dossier, noch van enig element dat de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie of infiltratie en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kan brengen. Want zelfs indien de wetgever de inzage van het vertrouwelijk dossier ook zou toekennen aan de magistraten van het Hof van Cassatie, dan nog zou in dat kader de toetsing door de cassatierechter van de beslissing over de controle van het vertrouwelijk dossier een marginaal karakter behouden. Het Hof van Cassatie kan inderdaad niet in de beoordeling van feitelijke gegevens treden maar enkel in de juridische gevolgtrekkingen ervan. Vandaar de suggestie om indien het Hof thans zou overgaan tot het stellen van een nieuwe prejudiciële vraag, een enigszins gewijzigde tekst aan te houden waarbij aan artikel 325ter Strafvordering een ruimere interpretatie dan de enkele controle van het vertrouwelijk dossier wordt gegeven. De prejudiciële vraag zou alsdan kunnen luiden: "Schenden artikel 235ter en/of artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bij een controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie dat een voorbereidend arrest is, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging dat een gelijkaardig voorbereidend arrest is als dit gewezen bij toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering?" Gerelateerde publicatie(
- s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071030.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div