← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.2 Rolnummer: C.06.0496.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-01-25 Raadplegingen: 515 - laatst gezien 2026-07-03 05:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het zittingsblad maakt geen deel uit van het dossier van de rechtspleging van een bepaalde zaak. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak Vrije woorden: Zittingsblad Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 783 en 784 Fiches 2 - 3 Niet ontvankelijk is het cassatiemiddel dat steunt op vermeldingen van het zittingsblad dat niet aan het Hof in eensluidend afschrift is voorgelegd

(1).
(1)Het O.M. was van oordeel dat de opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid niet kon aangenomen worden omdat de eiser kennelijk de processen-verbaal van de zitting bedoelde, die deel uitmaken van het dossier van de rechtspleging en waaruit de onregelmatigheid kan blijken (art. 720, juncto 721, sub 3°, Ger.W.; zie Cass., 5 nov. 1976, Arr. Cass., 1976-77, 272). Het concludeerde vervolgens tot gegrondheid van het middel. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak Vrije woorden: Zittingsblad - Cassatiemiddel - Voorlegging - Ontstentenis - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Te voegen stukken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak Vrije woorden: Zittingsblad - Voorlegging - Ontstentenis - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0496.N R.N., eiser, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 21 september 2006, nr. G.06.0137.N, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. DUCABYL, naamloze vennootschap, met zetel te 8908 Vlamertinge, Albrecht Rodenbachstraat 17A, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 2. DANNEELS - DERUMEAUX - LEMIEGRE, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8560 Wevelgem, Papestraat 4, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 7 juni 2006 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 778, 779, 780, 1°, 785, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemene rechtsbeginsel dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis stelt dat het: "Aldus gewezen en uitgesproken (
  1. is)in openbare terechtzitting van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper, zesde kamer met drie rechters, zetelend in graad van hoger beroep, van woensdag zeven juni tweeduizend en zes" (vonnis, p. 15). en vermeldt als aanwezige rechters: "de heer D. D., toegevoegd rechter, dd. Voorzitter, de heer J.P. , rechter mevrouw S. G. , rechter" Het bestreden vonnis is ondertekend door dezelfden. Uit het zittingsblad van de zitting van 5 april 2006 blijkt echter dat de zaak werd gepleit voor "P. D.V. , rechter-voorzitter, J. P. , rechter, D. D., rechter" dat "partijen (...) de zaak (hernemen) in deze samenstelling en pleiten, dat de "debatten (worden) gesloten" en dat "de rechtbank (...) de zaak in beraad houdt" terwijl uit het zittingsblad van de zitting van 7 juni 2006 blijkt dat het vonnis werd uitgesproken door "D. D., toegevoegd rechter-voorzitter, J. P. en S. G. , rechters". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 779, eerste lid, juncto 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het vonnis "enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid". In geval van afwezigheid van een rechter, preciseert het tweede lid van artikel 779 juncto 1042 van het Gerechtelijk Wetboek dat "wanneer een rechter wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van een vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd overeenkomstig artikel 778, (...) de voorzitter van het gerecht evenwel een andere rechter (kan) aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen". Artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereist dat de rechters die de zaak behandeld hebben "alle" zittingen moeten bijgewoond hebben, hetgeen veronderstelt dat dezelfde rechters aanwezig moeten zijn op de zitting waarop, in de door hen behandelde zaak, een vonnis wordt geveld. Hetzelfde lid bepaalt uitdrukkelijk dat een schending van dit wettelijke vereiste door nietigheid wordt gesanctioneerd. Zulks toont aan welk belang de wetgever hecht aan de naleving van de vereisten van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof had trouwens de gelegenheid te onderstrepen dat de sanctie van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek op een schending van artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is (Cass., 5 mei 1988, A.C., 1987-88, p. 1134; Cass., 30 mei 1991, A.C., 1990-91, nr. 502). Bovendien kan volgens de rechtspraak van Uw Hof een raadsheer die wettig verhinderd is om de uitspraak bij te wonen alleen worden vervangen door een andere raadsheer die door de voorzitter van dat gerecht is aangewezen (Cass., 13 mei 1981, A.C., 1980-81, nr. 521, p. 1052). Wanneer, bijgevolg, een vonnis een samenstelling van de zetel vermeldt die strijdig is met het proces-verbaal van de terechtzitting, zonder dat die stukken of een beschikking van de voorzitter aantonen dat een rechter is aangewezen om een andere te vervangen die wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen, is dit vonnis nietig (Cass., 22 april 1999, A.C., 1999, p. 548, nr. 234). Het aangevochten eindvonnis van 7 juni 2006 werd door dezelfde rechters gewezen als het tussenvonnis van 15 februari 2006, met name door de heer D. D., in zijn hoedanigheid van toegevoegd rechter die de zitting voorzat, en door de heer P. J. en Mevrouw G. S., in hun hoedanigheden van rechters. Uit de zittingsbladen blijkt echter dat, indien op de zitting van 7 september 2005 de zaak werd gepleit voor dezelfde rechters die het tussenvonnis van 15 februari 2006 hebben ondertekend, en uitgesproken dit niet het geval was op de zitting van 5 april 2006: op deze zitting werd de zaak hernomen, gepleit voor en in beraad genomen door de heer D.V. P., in zijn hoedanigheid van rechter-voorzitter en de heren P. en D. terwijl het de heer D., D., in zijn hoedanigheid van toegevoegd rechter die de zitting voorzat, en de heer P. J. en Mevrouw G. S., in hun hoedanigheden van rechters, zijn die het aangevochten eindvonnis dd. 7 juni 2006 hebben ondertekend en uitgesproken zonder dat in dit vonnis evenwel wordt gepreciseerd dat de heer D.V. , voor wie de zaak werd gepleit en die derhalve mede heeft beraadslaagd, wettig verhinderd was en door Mevrouw G. , op grond van een aanwijzing door de voorzitter van het gerecht, vermocht te worden vervangen voor de ondertekening en de uitspraak. Nadat de zaak op de zitting van 5 april 2006 was hernomen en, na sluiting der debatten, in beraad was genomen, voor drie rechters, die de heer D.V. P., in zijn hoedanigheid van rechter-voorzitter en de heren P. en D. waren, kon het aangevochten vonnis, bij gebreke aan melding van door de voorzitter van het gerecht aangeduide rechter om de wettig verhinderde rechter te vervangen, op de zitting van 7 juni 2006 niet wettig worden uitgesproken door de heer D. D., in zijn hoedanigheid van toegevoegd rechter die de zitting voorzat, en de heer P. J. en Mevrouw G. S., in hun hoedanigheden van rechters zonder het wettelijk vereiste te schenden dat de rechters voor wie de zaak werd behandeld, in casu met herneming der debatten, alle zittingen, waaronder de zitting op dewelke het bestreden vonnis werd uitgesproken, moeten bijwonen (schending van de artikelen 779, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek) en dat de verhinderde rechter door een door de voorzitter van het gerecht aangewezen andere rechter op het ogenblik van de uitspraak wordt vervangen (schending van de artikelen 779, tweede lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 780, 1°, juncto artikel 1042, van het Gerechtelijk Wetboek, bevat het vonnis "op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkende gedeelte", 1° de vermelding van (...) de namen van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld". Artikel 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat "indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, (...) de griffier daarvan melding (maakt) onderaan op de akte" en verder dat "de beslissing (...) geldig (
  2. is)met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken". Alhoewel uit de samenlezing van de artikelen 780, 1° en 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat alle bij de behandeling en beraadslaging aanwezige rechters, in casu de heren D.V. , P. P. , J. en D., het vonnis van de zaak welke voor hen werd hernomen en in beraad genomen moeten ondertekenen, vermeldt het bestreden vonnis de handtekening van een andere rechter, met name mevrouw G. S. Het hof besliste nochtans dat een vonnis dat door geen der rechters is ondertekend zonder dat is vastgesteld dat de rechters in de onmogelijkheid verkeerden het te ondertekenen, nietig is (Cass., 8 juni 1988, A.C., 1987-88, nr. 613, p. 1296). Nadat de zaak op de zitting van 5 april 2006 was hernomen, behandeld en, na sluiting der debatten, in beraad was genomen, voor drie rechters, die de heer D.V. P., in zijn hoedanigheid van rechter-voorzitter en de heren P. en D. waren, kon het bestreden vonnis, bij gebreke aan melding van door de voorzitter aangeduide rechter om de wettig verhinderde rechter, met name de heer D.V. P., te vervangen, op de zitting van 7 juni 2006 niet worden uitgesproken door de heer D. D., in zijn hoedanigheid van toegevoegd rechter die de zitting voorzat, en de heer P. J. en Mevrouw G. S., in hun hoedanigheden van rechters, zonder de wettelijke vereiste te schenden dat de rechters voor wie de zaak, in casu met herneming van de debatten, werd behandeld allen het vonnis moeten ondertekenen (schending van de artikelen 780, 1°, 785, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel Wanneer de zaak na de pleidooien wordt gesloten en in beraad wordt genomen en ingeval de kamer met drie rechters zetelt, doet de voorzitter, krachtens artikel 778, juncto 1042, van het Gerechtelijk Wetboek, "hoofdelijke omvraag, te beginnen met de jongstbenoemde rechter en zo opklimmend, tot de oudstbenoemde" waarbij hij "het laatst zijn mening te kennen (geeft)". Ditzelfde artikel bepaalt in zijn tweede lid dat indien de meningen verdeeld zijn "er opnieuw wordt gestemd". De ratio legis van dit artikel is de vlotte beraadslaging en beslissingneming van een collegiaal samengesteld rechtscollege te bewerkstelligen. Alsdusdanig draagt dit artikel bij tot de rechten van de verdediging door te zorgen dat alle bij de behandeling van de zaak betrokken rechters, effectief hun mening kunnen uiten en dat ingeval van meningsverschil de meerderheidsopvatting het haalt. In een zaak die - zoals het zittingsblad van de zitting van 5 april 2006 het uitdrukkelijk vaststelt - hernomen en behandeld werd voor drie rechters, vermag het vonnis naderhand niet te worden ondertekend en uitgesproken door een kamer met een andere samenstelling dan tijdens de behandeling en de beraadslaging ervan. Nadat de zaak voor een kamer met een bepaalde samenstelling was gepleit en in beraad genomen, vermocht de eiser erop te vertrouwen dat het vonnis eveneens door een kamer met dezelfde samenstelling zou geveld en ondertekend worden hetgeen de naleving van de pleegvormen zoals vooropgezet in artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek bevestigt. Door een door en voor een kamer met drie rechters behandelde en in beraad genomen zaak te laten uitspreken door een kamer met een andere samenstelling en het in het raam daarvan uitgesproken vonnis te laten ondertekenen door één andere rechter voor wie de zaak niet behandeld en in beraad werd genomen, bestaat er geen garantie dat de beraadslaging collegiaal is gebeurd met toepassing van de pleegvormen vooropgesteld door artikel 778 van het Gerechtelijk zodat dit laatste artikel en de rechten van de verdediging werden geschonden (schending van de artikelen 778 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemene rechtsbeginsel dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging voorschrijft). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel in zijn geheel 1. De eerste verweerster werpt op dat het middel in zijn geheel niet ontvankelijk is omdat het steunt op vermeldingen vervat in zittingsbladen die de eiser niet aan het Hof voorlegt in eensluidend afschrift. 2. Krachtens de artikelen 783 en 784 van het Gerechtelijk Wetboek heeft een zittingsblad betrekking op al de zaken behandeld op een zelfde zitting en worden de zittingsbladen per jaar samengevoegd tot een register dat wordt bewaard op de griffie. Het zittingsblad maakt bijgevolg geen deel uit van het dossier van de rechtspleging van een bepaalde zaak. 3. Het middel dat in al zijn onderdelen steunt op vermeldingen van zittingsbladen die niet aan het Hof in eensluidend afschrift zijn voorgelegd, is niet ontvankelijk. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 441,14 euro in debet jegens de eisende partij en op de som van 302,75 euro jegens de verwerende partij sub 1. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 3 januari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.2 Gerelateerde publicatie(
  3. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180528.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180528.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.