id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
3 B.W., zoals ingevoegd door Wet 18 juli 1991, en zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij Wet 3 mei
- Deze problematiek, die in de rechtsleer aanleiding gaf tot uiteenlopende standpunten, kreeg later inderdaad een wetgevende oplossing door de wet van 3 mei
- Het nieuwe artikel 488bis, h, § 2, B.W. voorziet nu een uitdrukkelijke regeling; de beschermde persoon kan slechts geldig schenken onder levenden of een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter, die oordeelt over zijn wilsgeschiktheid. Het O.M. concludeerde tot verwerping en stelde dat uit de voorbereidende werken van de wet van 18 juli 1991 blijkt dat de wetgever een algemene onbekwaamheid van de onder voorlopige bewindvoering geplaatste meerderjarige voor ogen had. Thesaurus CAS: ONBEKWAAMVERKLARING EN GERECHTELIJK RAADSMAN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Voorlopige bewindvoering Vrije woorden: Voorlopige bewindvoering - Meerderjarige - Oogmerk - Bekwaamheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 488bis, a, c, § 1, en f, §§ 1,
3 Fiches 2 - 3 De persoonlijke rechtshandeling van het testeren, die een beschikking uitmaakt voor na het overlijden van de testator en die hem niet benadeelt, wordt niet getroffen door onbekwaamheid, onverminderd de wettelijke mogelijkheden tot betwisting inzake de gezondheid van geest en de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot onbekwaamverklaring. Thesaurus CAS: ONBEKWAAMVERKLARING EN GERECHTELIJK RAADSMAN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Voorlopige bewindvoering Vrije woorden: Testament Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 895, 901 en 902 Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Voorlopige bewindvoering Vrije woorden: Testament - Begrip - Bekwaamheid van de testator Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 895, 901 en 902 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0620.N H.L., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen MISSIEHUIS VAN SCHEUT, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1070 Anderlecht, Ninoofsesteenweg 548, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 27 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 895, 901 en 902 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 488bis, a), 488bis, c., §1, 488bis, f., §1, §
§3
, en 488bis, i., van het Burgerlijk Wetboek zoals ingevoerd bij wet van 18 juli 1991 betreffende de bescherming van de goe¬deren van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, en voor de vervanging bij wet van 3 mei
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres onge¬grond, en bevestigt het vonnis a quo waarbij het testament, op 7 mei 2002 door wijlen A. gedicteerd aan notaris Karel Vandeputte, notaris te Roeselaere, waarbij de testator zijn gehele vermogen legateert aan de eiseres en, bij haar overlijden, aan haar kinderen, nietig wegens hande¬lingsonbekwaamheid van de testator, op volgende gronden: "
- De eerste rechter heeft bij bestreden vonnis het testament van 7 mei 2002 vernietigd omdat de erflater onbekwaam was om te testeren. De erflater was op dat ogenblik onder voorlopig bewindvoering geplaatst. Onder het regime van de wet van 18 juli 1991 is er geen eensgezindheid over het antwoord op de vraag naar de testamentaire bekwaamheid van de beschermde persoon wanneer de voorlopige bewindvoerder zoals hier een algemene vertegen¬woordigingsopdracht heeft. De eerste rechter sluit zich aan bij de rechtsleer en de rechtspraak die ervan uitgaan dat dergelijke algemene bewindvoering onder het regime van de wet van 18 juli 1991, dat hier van toepassing is, tot gevolg heeft dat de beschermde persoon algeheel handelingsonbekwaam is om giften te doen en/of een testament te maken. Met de eerste rechter wordt aangenomen dat de wetgever van 1991 de algemene en volledige vermogensrechtelijke onbekwaamheid van die beschermde persoon beoogt. De onbekwaamheid is een maatregel over een persoon en moet worden onderscheiden van een maatregel van onbevoegdheid die slaat op een deel of het geheel van het vermogen dat onder bewind is geplaatst. De maatregel van onbekwaamheid is tweeledig: hij voorziet in een plaatsvervan¬gend bewind en verbiedt nog rechtshandelingen te stellen. Dit sanctieaspect heeft tot gevolg dat wanneer de voorlopige bewindvoerder een algemene ver¬tegenwoordigingsopdracht heeft, de beschermde persoon voor alle rechtshandelingen onbekwaam is, dus ook wat het testament betreft. De beschermde persoon als onbekwame mag niet testeren, zelfs al zou hij dat kunnen. De eerste rechter verwees naar de parlementaire voorbereidingen van de wet van 18 juli 1991 (Parl. St. Senaat 19990-91, nr. 1102/3, p. 91) waarin die onbekwaamheid uitdrukkelijk wordt bevestigd wat de testamenten betreft. In de navolgende wet van 3 mei 2003 heeft de wetgever met betrekking tot de testamenten een regime ingevoerd dat de beschermde persoon toelaat een uiterste wilsbeschikking te maken doch uitsluitend na machtiging door de vre¬derechter. Het huidig artikel 488 bis, h), §2, eerste alinea, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: ‘De beschermde persoon kan slechts geldig schenken onder levenden of een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsgeschiktheid van de beschermde persoon'. De huidige bepaling van artikel 488bis, h), §2, eerste alinea, van het Burgerlijk Wetboek voorziet nu een uitzondering op de principiële onbekwaamheid van de beschermde persoon onder een algemeen bewind. Die onbekwaamheid strekt ertoe vooraf duidelijkheid te bekomen over de geldigheid van de voorgenomen rechtshandeling. De beschermde persoon kan geldig schenken onder levenden of een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. Hiertoe kan de vrederechter conform huidig artikel 488bis, h), §2, vierde alinea, van het Burgerlijk Wetboek een geneesheer - deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoe¬stand van de te beschermen persoon. Huidig testament dateert van 7 mei 2002 onder de gelding van het regime van de wet van 18 juli 1991 en voor de wetswijziging van 3 mei
- Nu de erflater onbekwaam was om een wilsbeschikking te maken, is elk verder onderzoek naar de gezondheid van geest van de erflater op het ogenblik van die wilsbeschikking overbodig. De eerste rechter heeft terecht het notari¬ële testament van 7 mei 2002 op verzoek van de geïntimeerde (verweerster) nietig ver¬klaard. Het overige verweer van (de eiseres) vergt geen verder onderzoek" (arrest pp. 12-14). Het vonnis a quo van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 13 april 2005, verklaarde het notarieel testament nietig op volgende gronden: "Onbekwaamheid om te testeren. (De verweerster) voert in hoofdorde aan dat de erflater op 7 mei 2002 geen rechtsgeldig testament kon opstellen aangezien hij op dat ogenblik onder voorlopige bewindvoering was geplaatst en bovendien gecolloceerd was in een psychiatrische instelling, zodat hij rechtens onbekwaam was om te testeren. Uit de overgelegde stukken blijkt inderdaad dat, hetgeen (de eiseres) niet betwist, de erflater bij beschikking van de vrederechter van Neerpelt van 22 januari 2001 wegens ‘dementie en waangedachten' onder voorlopige bewindvoering werd geplaatst en dat de voorlopige bewindvoerder mocht handelen overeenkom¬stig artikel 488bis, f., §1 en §2 (toenmalig) van het Burgerlijk Wetboek. Het betrof dus een algemene bewindvoering, zonder inperkingen, in welk geval de bewindvoerder de beschermde persoon vertegenwoordigt in alle rechtshandelingen en procedures. De rechtbank sluit zich aan bij de rechtsleer en rechtspraak die ervan uitgaat dat dergelijke algemene bewindvoering onder het regime van de wet van 18 juli 1991, dat in deze van toepassing is, de algehele handelingsonbe¬kwaamheid voor gevolg had, inclusief de handelingsonbekwaamheid om giften te doen en/of een testament te maken (zie M. Coene, Erfenissen, schenkingen en testamenten - Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, onder artikel 902, nr. 10; F. Swennen, Geestesgestoorden in het Burgerlijk Recht, nr. 353; F. Swennen, Voorlopig bewind en testamenten, noot onder Vred. St-Niklaas 27.08.2001, R.W. 2001-2002, 1143). De wetgever had de algemene en volledige vermogensrechtelijke onbe¬kwaamheid voor ogen in de hypothese waarin, zoals in deze, de voorlopige bewindvoerder een algemene vertegenwoordigingsopdracht heeft. In dat geval vertegenwoordigt de voorlopige bewindvoerder de beschermde persoon in alle rechtshandelingen, zodat de beschermde persoon voor alle rechtshandelingen onbekwaam is (P. Delnoy, De la capacité d'une personne pourvue d'un admi¬nistrateur provisoire de faire un testament, J.L.M.B., 1999, blz. 819 e. v.). In de parlementaire voorbereidingen van de wet van 18.07.1991 wordt dat uitdruk¬kelijk bevestigd voor wat betreft testamenten (Parl. St. Senaat, 1990-91, 1102/3,91). In de navolgende wet van 3 mei 2003 heeft de wetgever m.b.t. testamenten een regime ingevoerd dat de beschermde persoon toch toelaat een uiterste wilsbeschikking te maken doch uitsluitend na machtiging door de vrederechter (zie F. Swennen, Het voorlopig bewind hervormd, R.W. 2004-2005, blz. 9, nr. 49). Deze wetswijziging was ingegeven door de reeds geciteerde bestaande con¬troverse in rechtspraak en rechtsleer m.b.t. de handelings(on)bekwaamheid van de beschermde persoon. Dat een machtigingsregime werd ingevoerd bevestigt dat de wetgever in 2003 (enkel) een correctie, een uitzonderingsregime heeft willen invoeren op de uit de wet van 18 juli 1991 voortvloeiende en bij de wet van 3 mei 2003 niet gewijzigde algemene regel van de volledige hande¬lingsonbekwaamheid in geval van voorlopig bewind met algemene omvang. Om hoger vermelde redenen aanvaardt de rechtbank dat de erflater op 7 mei 2002 rechtens niet handelingsbekwaam was om een uiterste wilsbe¬schikking aan de notaris te dicteren, zodat het testament van 7 mei 2002 als nietig dient te worden beschouwd" (vonnis van 13 april 2005 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, pp. 4-5). Grieven
- Een testament is, luidens artikel 895 van het Burgerlijk Wetboek, een akte waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen. Luidens artikel 902 van het Burgerlijk Wetboek kunnen alle perso¬nen beschikken en verkrijgen, hetzij bij schenking onder de levenden, hetzij bij testament, uitgezonderd degenen die de wet daartoe onbekwaam verklaart. Artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat om een schenking onder de levenden te kunnen doen of een testament te kunnen maken, men gezond van geest moet zijn.
- Overeenkomstig artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek kan de meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn ge¬zondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren, met het oog op de bescherming ervan, een voorlopige bewindvoerder toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoordiger werd toegevoegd. Luidens artikel 488bis, c), §1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor diens vervanging bij artikel 3 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, wijst de vrederechter bij gemotiveerde beschikking een voorlopige bewindvoerder aan met in achtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen, de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon en zijn gezinstoestand. Artikel 488bis, f), §1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepas¬sing voor diens vervanging bij artikel 6 van de voornoemde wet van 3 mei 2003, bepaalt dat de voorlopige bewindvoerder tot taak heeft de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren. Krachtens artikel 488bis, f), §2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor diens vervanging bij artikel 6 van de voornoemde wet van 3 mei 2003, bepaalt de rechter, met inachtneming van de aard en de samenstel¬ling van de te beheren goederen evenals met de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de omvang van de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder. Naar luid van artikel 488bis, f), §3, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor diens vervanging bij artikel 6 van de voornoemde wet van 3 mei 2003, vertegenwoordigt de voorlopige bewindvoerder, bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking tot aanstelling, de beschermde persoon in alle rechtshandelingen en procedures als de eiser en als de verweerder. Voor de handelingen opgesomd in §3, kan de voorlopige bewindvoerder slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter optreden, met name de beschermde persoon in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechts¬plegingen en handelingen dan die bedoeld in de artikelen 1150, 1180-1°, 1187, tweede lid, en 1206, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vervreemden, leningen aangaan en hypotheken toestaan, berusten in een vordering betreffende onroe¬rende rechten, een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden of deze verwerpen, een schenking of een legaat aanvaarden, en een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten. Krachtens artikel 488bis, i), van het Burgerlijk Wetboek, zijn alle handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met de bepa¬lingen van artikel 488bis, f), nietig en kan deze nietigheid uitsluitend door de beschermde persoon of de voorlopige bewindvoerder worden ingeroepen.
- Uit de hiervoor geciteerde wetsbepalingen vloeit geenszins voort dat de beschermde persoon door een algehele onbekwaamheid wordt getroffen wanneer de vrederechter in de beschikking tot aanstelling van de voorlopige bewindvoerder geen nadere aanwijzingen geeft over de rechtshandelingen waarvoor de bewindvoerder kan optreden, en de bewindvoerder aldus een algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid geeft. De plaatsing onder voorlopig bewind treft de beschermde slechts met onbekwaamheid binnen de perken van de door de wet beoogde bescher¬ming, met name de bescherming van zijn goederen, in zijn voordeel, en bij zijn leven. Zij treft de beschermde persoon geenszins in zijn bekwaamheid om te testeren, nu het opmaken van een testament een strikt persoonlijke rechtshandeling is waarvoor de bewindvoerder de beschermde niet op grond van arti¬kel 488bis, f), §3, van het Burgerlijk Wetboek kan vertegenwoordigen, en geen rechtshandeling is die verband houdt met het door de voorlopige bewindvoerder krachtens artikel 488bis, f), §1, van het Burgerlijk Wetboek, waar te nemen beheer van de goederen van de beschermde als een goed huisvader. Door bij testament over zijn goederen te beschikken ontdoet de beschermde zich geenszins onmiddellijk of definitief van deze goederen, schaadt hij zichzelf niet, en doet hij geen afbreuk aan het door de bewindvoerder waar te nemen beheer, doch beschikt hij voor na zijn overlijden, waarbij slechts bij het overlijden de definitieve wil kan blijken gelet op de herroepbaarheid van testamenten. Nu noch de artikelen 488bis, a, c, f, en i, van het Burgerlijk Wetboek, noch enige andere wetsbepaling, de onder voorlopige bewindvoerder beschermde persoon, in afwijking van artikel 902 van het Burgerlijk Wetboek, wettelijk onbekwaam maken tot het beschikken over zijn goederen bij testament, en derhalve geen wettelijk vermoeden bestaat dat de beschermde persoon in de periode dat hij onder voorlopig bewindvoerder werd geplaatst, niet de gezond¬heid van geest heeft om over zijn goederen te beschikken bij testament, dient, overeenkomst artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek het bewijs te worden geleverd dat de erflater op het ogenblik van het opmaken van het testament niet gezond van geest was.
- Het bestreden arrest stelt vast dat wijlen A. bij beschikking van 22 januari 2001 van de Vrederechter te Neerpelt onder voorlopig bewindvoerder met algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid werd geplaatst, en dat wijlen A. op 7 mei 2002 ten overstaan van notaris K. Vandeputte te Roeselaere, een testament dicteerde waarbij alle voorgaande testamenten werden herroepen en de eiseres, en bij haar overlijden, haar kinderen, als algemeen legataris werden aangesteld. Het bestreden arrest oordeelt in rechte dat de wet van 18 juli 1991 betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te behe¬ren, waarbij artikelen 488bis, a), tot k) in het Burgerlijk Wetboek werden inge¬voerd, een principiële onbekwaamheid voorziet van de beschermde per¬soon voor alle rechtshandelingen, ook wat het testament betreft, wanneer, zoals te dezen, de voorlopige bewindvoerder een algemene vertegenwoordigingsopdracht heeft. Het bestreden arrest verklaart op die principiële gronden het testament van 7 mei 2002 nietig, en besluit dat ingevolge die onbekwaamheid om een wilsbeschikking te maken, elk onderzoek naar de gezondheid van geest van de erflater op het ogenblik van de wilsbeschikking overbodig is. Nu, anders dan door het bestreden arrest weerhouden, geen onbekwaamheid tot het testeren blijkt uit de te dezen toepasselijke artikelen 488bis van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij wet van 18 juli 1991, en zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 3 mei 2003, kon het niet wettig het litigieuze testament nietig verklaren zonder in feite na te gaan of de erflater op het ogenblik van het opmaken ervan, daadwerkelijk ongezond van geest was (schending van de artikelen 895, 901, 902 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 488bis, a), 488bis, c), §1, 488bis, f), §1, §
§3
, en 488bis, i), van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij wet van 18 juli 1991 betreffende de be¬scherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of gees¬testoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, en zoals van toepassing voor de vervanging bij wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wet¬geving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 488bis, a., van het Burgerlijk Wetboek kan aan de meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren, met het oog op de bescherming ervan, een voorlopig bewindvoerder toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoor¬diger werd toegevoegd. Krachtens artikel 488bis, c., §1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 3 van de wet van 3 mei 2003, wijst de vrederechter bij gemotiveerde beschikking een voorlopig bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de sa¬menstelling van de te beheren goederen, de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon en zijn gezinstoestand. Krachtens artikel 488bis, f., §1, §
§3
, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 6 van de wet van 3 mei 2003: - heeft de voorlopig bewindvoerder tot taak de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren; - bepaalt de rechter, met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen evenals met de gezondheids¬toestand van de beschermde persoon, de omvang van de bevoegdhe¬den van de voorlopig bewindvoerder; - vertegenwoordigt de voorlopig bewindvoerder, bij gebrek van aanwijzingen in de artikel 488bis, c), bedoelde beschikking, de beschermde persoon in alle rechtshandelingen en procedures als eiser en als verweerder. Evenwel kan de voorlopig bewindvoerder slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter optreden voor de handelingen opgesomd in voormelde derde paragraaf.
- Overeenkomstig artikel 895 van het Burgerlijk Wetboek is een testament een akte waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen. Krachtens artikel 901 van datzelfde wetboek moet men, om een schenking onder de levenden te kunnen doen of een testament te kunnen maken, gezond van geest zijn. Krachtens artikel 902 van voormeld wetboek kunnen alle personen beschikken en verkrijgen, hetzij bij schenking onder de levenden, hetzij bij testament, uitgezonderd degenen die de wet daartoe onbekwaam verklaart.
- Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen blijkt dat, met de voorlopige bewindvoering zoals ingevoerd bij wet van 18 juli 1991 en voor de wijziging ervan bij wet van 3 mei 2003, de bescherming beoogd wordt van de goederen van de onder deze maatregel geplaatste meerderjarige en dit gedurende zijn leven. Uit voormelde bepalingen volgt niet dat de onder de voorlopige bewindvoering geplaatste persoon waarvan de bewindvoerder een algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft, door een volledige onbekwaam¬heid wordt getroffen.
- De persoonlijke rechtshandeling van het testeren die een beschikking uitmaakt voor na het overlijden van de testator en die hem niet benadeelt, wordt niet getroffen door de onbekwaamheid. Dit geldt onverminderd de wettelijke mogelijkheden tot betwisting inzake de gezondheid van geest en de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot onbekwaamverklaring.
- De appelrechters, die oordelen dat, wanneer de voorlopig bewindvoerder een algemene vertegenwoordigingsopdracht heeft, de beschermde persoon, onder de gelding van de wet van 18 juli 1991, zoals van toepassing voor de wetswijziging van 3 mei 2003, voor alle rechtshandelingen onbekwaam is en dus ook wat het opmaken van een testament betreft, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 10 januari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080110.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div