← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080110.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 1650

Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van de koopprijs - Uitvoering - Actio judicati Wettelijke bepalingen:

Art. 1650

Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van de koopprijs - Uitvoering - Vordering in rechte - Actio judicati Wettelijke bepalingen:

Art. 1650Tekst van de beslissing Nr.

C.06.0643.N

  1. V. W., en,
  2. V. H., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DUYCK Patrick, advocaat, kantoor houdende te 8900 Ieper, Mgr. De haernestraat 27, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van Lucien Verleyen, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 december 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1650, 1653, 2244, 2248, 2251, 2262 voor zijn vervanging door de wet van 10 juni 1998, 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet, en opnieuw wijzende. Verklaart de vordering van (de verweerder) van 22 mei 2000 ontvankelijk en deels gegrond. Veroordeelt (de eisers) om aan (de verweerder) 23.549,88 euro te betalen, meer de gerechtelijke rente vanaf de doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen op het onroerend goed te Ledegem, Menensteenweg, 30, bekend ten kadaster sectie C, deel 701, met een oppervlakte van 7 a, 80 ca, 80 dm². Gelast (de verweerder) onmiddellijk na ontvangst van de prijs, 17.918,53 euro te betalen aan het ontvangkantoor der directe belastingen te Menen. Veroordeelt (de eisers) tot de kosten van de beide instanties. Begroot ze aan de zijde van (de verweerder) volgens opgave op 75,00 euro wegens rolrecht". op grond van de motieven op p. 2: "In hun verzoekschrift tot hoger beroep voeren (de eisers) enkel aan dat de eerste rechter ten onrechte de door hen opgeworpen verjaring heeft verworpen. Het hof (van beroep) kan deze grief niet beamen. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat de principiële verplichting van (de eisers) om de prijs te betalen voor de aankoop van het onroerend goed waarvan sprake is in het vonnis van 7 februari 1974 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk en dat (de eisers) als titel hebben laten overschrijven ten kantore van de hypotheekbewaarder op 28 februari 1974, nog werd bevestigd in het arrest van het hof van beroep van 29 september
  3. Dit arrest oordeelt weliswaar dat (de eisers) zich konden beroepen op artikel 1653 van het Burgerlijk Wetboek om rebus sic stantibus de betaling van de prijs op te schorten maar het oordeelt tevens dat de betaling van de prijs de tegenprestatie vormt van de aflevering van het goed zuiver en onbelast en bevestigt aldus de principiële plicht van (de eisers) de prijs te voldoen tegen de overdracht van het goed, vrij en onbelast. Voor het verloop van dertig jaar kan verjaring van een vonnis of arrest niet aan de orde zijn". Grieven Elk vonnis of arrest geeft aanleiding tot het ontstaan van een vordering met als voorwerp de uitvoering van de uitgesproken veroordeling. Deze vordering, actio judicati geheten, kan worden ingesteld in geval de uitgesproken veroordeling niet vrijwillig uitgevoerd wordt. Daaruit volgt noodzakelijk dat voormelde vordering uitsluitend betrekking kan hebben op veroordelingen die daadwerkelijk werden uitgesproken. Het vonnis van 7 februari 1974 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk spreekt geen enkele veroordeling uit lastens de eisers, maar reguleert enkel de betalingsmodaliteiten van de prijs door deze afhankelijk te maken van de gedraging van de verkopers, waar het beslist: "Zegt voor recht dat bij gebreke van (de verweerder) daaraan te voldoen, onderhavig vonnis geldt als titel voor (de eisers) en dat zij het diens overeenkomstig zullen mogen laten overschrijven ten kantore van de heer bewaarder van hypotheken terwijl zij zich van al hun verplichtingen als koper zullen bevrijden door gelijktijdige storting van 950.000 BEF in de Deposito- en Consignatiekas". Het arrest van 29 september 1988 van het Hof van Beroep te Gent spreekt evenmin enige veroordeling uit lastens de eisers, nu het de vorderingen van de verweerder strekkende tot de verbreking van de bekomen titel wegens wanbetaling en schadevergoeding ongegrond verklaart in het dispositief: "Verklaart de hoofdvordering van (de verweerder) in al haar onderdelen ongegrond"; op de motieven: "De betaling heeft als tegenprestatie de aflevering van het goed ‘zuiver en onbelast'. Waar (de verweerder) niet het nodige deed tot doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen zijn (de eisers) gerechtigd zich te beroepen op artikel 1653 van het Burgerlijk Wetboek en de betaling op te schorten. Om dezelfde reden kan in de huidige stand van zaken van geen schadevergoeding lastens (de eisers) sprake zijn en kunnen zij evenmin tot betaling van de koopprijs worden verplicht". Er is dan ook geen veroordeling van de eisers voorhanden waarvan de verweerder de uitvoering kan vorderen, maar enkel de principiële vaststelling van een verplichting tot betaling van een som, die evenwel niet kan afgedwongen worden omdat zij krachtens de wet opgeschort wordt. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat de vordering van de verweerder niet verjaard is, niet wettig verantwoordt op het motief dat verjaring, van het vonnis van 7 februari 1974 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk of van het arrest van 29 september 1988 van het Hof van Beroep te Gent, niet aan de orde kan zijn vooraleer dertig jaar verlopen zijn, vermits geen van beide beslissingen een veroordeling van eisers uitspreken, die verweerder dan ook niet middels een actio judicati kan uitvoeren (Schending van de artikelen 1650,1653, 2262 voor zijn vervanging door de wet van 10 juni 1998, 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 10 van de aangehaalde wet van 10 juni 1998), minstens de op 22 mei 2000 door verweerder ingestelde vordering niet strekt tot uitvoering van enige uitgesproken veroordeling lastens de eisers (Schending van de artikelen 1650,1653, 2262 voor zijn vervanging door de wet van 10 juni 1998, 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 10 van de aangehaalde wet van 10 juni 1998) terwijl, voor het overige, de op 22 mei 2000 door verweerder ingestelde vordering tot betaling van de op dat ogenblik meer dan 30 jaar geleden op 18 juli 1969 afgesproken verkoopprijs verjaard is (Schending van artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en 10 van de wet van 10 juni 1998) geen oorzaak van schorsing of stuiting aangeduid zijnde door de appelrechters (Schending van de artikelen 2244, 2248 en 2251 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. Het middel gaat er volledig van uit dat er te dezen geen veroordeling van de eisers voorhanden was, maar enkel de principiële vaststelling van een verplichting tot betaling van een som die evenwel niet kan afgedwongen worden omdat zij krachtens de wet opgeschort wordt.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat zowel het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 7 februari 1974 als het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 29 september 1988 de verplichting tot betaling van de koopprijs inhouden. De verweerder kon die veroordeling uitvoeren middels een actio judicati, zoals de bestreden beslissing vaststelt.
  6. Voor het overige gaat het middel er ook van uit dat de door de verweerder op 22 mei 200 ingestelde vordering niet zou strekken tot uitvoering van enige lastens de eisers uitgesproken veroordeling. Uit het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 22 mei 2000 blijkt dat de verweerder de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk beoogde.
  7. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 526,27 euro jegens de eisende partijen en op de som van 139,00 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 10 januari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080110.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.