id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080110.4 Rolnummer: C.07.0295.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2008-01-28 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-07-03 05:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Voor het vaststellen van de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel om kennis te nemen van een geschil over een tekortkoming aan contractuele verbintenissen, dient te worden bepaald of op het ogenblik van de tekortkoming, de partijen kooplieden waren en de contractuele verbintenis een daad van koophandel was
(1).
(1)Zie Cass., 18 mei 1984, AR 4410, A.C., 1983-84, nr
- Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Algemeen Vrije woorden: Rechtbank van koophandel - Tekortkoming aan contractuele verbintenissen - Geschil tussen kooplieden en daad van koophandel - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 573, 1°, en 577, tweede lid Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Algemeen Vrije woorden: Rechtbank van koophandel - Bevoegdheid en aanleg - Tekortkoming aan contractuele verbintenissen - Geschil tussen kooplieden en daad van koophandel - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 573, 1°, en 577, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.07.0295.N BREENDONKSE IMMOBILIËN FINANCIËLE INDUSTRIËLE COMMERCIËLE MAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 1840 Londerzeel, Steenhuffeldorp 60, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- VERDOODT Bert, advocaat, met kantoor te 2800 Mechelen, 't Vlietje 16,
- DE KEERSMAECKER François, advocaat, met kantoor te 2800 Mechelen, Paardenstraatje 35, beiden handelend in hun hoedanigheid van curator van de faillissementen van de NV Verbist en de NV Verbist Brothers, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen, gewezen op 14 maart 2006 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen en op 16 februari 2007 (- bij materiële vergissing gesteld als 22 maart 2007 -) door de Rechtbank van Koophandel te Mechelen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikelen 9, 577 en 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis van 14 maart 2006 van de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen oordeelt dat deze rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep van de eiseres en verzendt de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Mechelen op grond van de volgende overwegingen (bladzijde zes en zeven): "2.1 (De verweerders) betwisten de bevoegdheid van deze rechtbank, zetelend in (...) hoger beroep, onder verwijzing naar artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, stellende dat de rechtbank van koophandel als appelrechter bevoegd is. 2.2 Artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat het hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, wordt gebracht voor de rechtbank van koophandel. 2.3 Er wordt niet betwist dat zowel (de eiseres) als de gefailleerde vennootschappen handelaars waren, zodat een handelshuurovereenkomst tussen hen, waarvan het bestaan door (de eiseres) als rechtsgrond wordt aangehaald, tussen deze vennootschappen een daad van koophandel zou uitmaken. Op grond van artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de (appel)rechter tegen een door de vrederechter in eerste aanleg uitgesproken vonnis betreffende een beweerde handelshuurovereenkomst dan ook de rechtbank van koophandel. De vaststelling dat het een geschil tussen kooplieden betreft volstaat (zie Cass. 07.01.1998, Arr. Cass. 1998, 11 - ook door (de eiseres) aangehaald). 2.4 Het feit dat thans de curatoren, die geen handelaars zijn, optreden in plaats van en ter vertegenwoordiging van de gefailleerde vennootschappen doet daaraan niets af. De hoedanigheid van handelaar moet voor de toepassing van artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden beoordeeld op grond van de hoedanigheid die bestond op het ogenblik dat de betreffende daden werden gesteld (Cass. 30.04.
- R.W. 1999-2000, 1036 - eveneens door (de eiseres) aangehaald). 2.5 Uit de volgehouden uiteenzetting van (de eiseres) kan geen twijfel overblijven dat de beweerde overeenkomsten tussen haarzelf en de gefailleerde vennootschappen dateren van ruim voor het vonnis van faillietverklaring. De betwistingen over een beweerde overeenkomst die door de curatoren ten behoeve van de boedel met (de eiseres) in hoger beroep zou zijn aangegaan is een accessorium dat het principale dient te volgen. De rechtbank van koophandel is derhalve bevoegd in hoger beroep kennis te nemen van de zaak". Het bestreden vonnis van 22 maart 2007 van de derde kamer van de Rechtbank van Koophandel te Mechelen neemt kennis van het hoger beroep van de eiseres en verklaart dit ontvankelijk doch ongegrond na de volgende vaststellingen te hebben gedaan: (bladzijde 1 en 2): "Gelet op het vonnis van de vrederechter van het kanton Willebroek van 6 juni
- Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen op 9 september
- Gelet op het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 14 maart 2006 waarbij de zaak werd verzonden naar de Rechtbank van Koophandel te Mechelen". (bladzijde vier en vijf): "Tegen (het vonnis van de vrederechter) werd hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen op 9 september
- Dit hoger beroep strekte ertoe het bestreden vonnis te doen hervormen, waarbij de oorspronkelijke vorderingen werden hernomen doch waarbij (de eiseres) tevens voorbehoud vroeg voor de bezettingsvergoedingen vanaf 8 juni 2005 alsmede voor de vergoedingen voor de verdere ontruiming van het industrieel pand en meer bepaald voor de waardeloze afval die werd achtergelaten. Bij vonnis van 14 maart 2006 werd deze zaak verzonden naar de Rechtbank van Koophandel te Mechelen". Grieven Het voor de vrederechter te Willebroek gebrachte geschil behoorde tot diens bijzondere bevoegdheid. Op grond van artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de vrederechter immers, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak. Op grond van artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep kennis van de vonnissen door de vrederechter in eerste aanleg gewezen. Die algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg moet slechts wijken voor die van de rechtbank van koophandel wanneer het door de vrederechter beslechte geschil gerezen is tussen kooplieden betreffende handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven. De volstrekte bevoegdheid of de bevoegdheid ratione materiae van de rechtscolleges kan luidens artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek niet worden uitgebreid tenzij de wet anders bepaalt en is bijgevolg van openbare orde. Uit de vermeldingen van de bestreden vonnissen blijkt dat het geschil is gerezen tussen, enerzijds, de eiseres, handelaar, en, anderzijds, de verweerders, curatoren, en dat het geschil betrekking had op de gevolgen van een beweerde handelshuurovereenkomst tussen de eiseres en de gefailleerde vennootschappen, alsook op de bezetting nadien van het goed door de verweerders. Een dergelijk geschil tussen een curator en een koopman wordt door de wet niet toegewezen aan de rechtbank van koophandel, zitting houdend in hoger beroep. Door zichzelf onbevoegd te verklaren, de rechtbank van koophandel als bevoegde rechter aan te duiden en de zaak naar de rechtbank van koophandel te verzenden, breidt het vonnis van 14 maart 2006 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel uit (schending van de artikelen 9, 577 en 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek) en laat het na een uitspraak te doen over een geschil dat tot haar bevoegdheid behoort (schending van de artikelen 9, 577 en 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek) terwijl het de rechtbank van koophandel uitspraak laat doen over een geschil dat niet tot de bevoegdheid behoort van de rechtbank van koophandel (schending van de artikelen 9, 577 en 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek). De nietigheid van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 14 maart 2006 brengt de nietigheid met zich mee van het vonnis van de rechtbank van koophandel van 16 februari
- De vernietiging van de eerste beslissing, die de rechtbank van koophandel aanwijst als bevoegde rechter, strekt zich immers uit tot de beslissing die de rechtbank van koophandel na deze verwijzing ten gronde neemt wegens het verband tussen deze beide beslissingen: de tweede beslissing is het gevolg van de eerste. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de leiding van het proces uitsluitend bij de partijen berust; - het algemeen beginsel van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De rechtbank van koophandel oordeelt in het bestreden vonnis van 16 februari 2007 dat de eiseres en de verweerders een afspraak maakten tot het betalen van een vergoeding wanneer de verweerders de site althans voor een gedeelte konden blijven bezetten, maar laat na een vergoeding toe te kennen voor het gebruik van het onroerend goed door de verweerders na 31 december 2004, en beslist integendeel dat het hoger beroep van de eiseres ongegrond dient te worden verklaard, op grond van de volgende vaststellingen en overwegingen: (bladzijde twee) "Bij exploot van 18 april 2005 ging (de eiseres) over tot dagvaarding van (de verweerders), qq. curatoren van het faillissement NV Verbist en NV Verbist Brothers om te verschijnen voor de Vrederechter van het kanton Willebroek, teneinde te horen zeggen voor recht dat: (...) - dat de failliete boedel hoofdelijk en ondeelbaar gehouden is tot de betaling van het saldo van de bezettingsvergoeding voor de periode 1 juli 2004 tot en met 30 april 2005, hetzij 135.038,80 euro, meer de wettelijke interesten vanaf de gemiddelde datum, hetzij vanaf 1 december 2004, tot de datum van dagvaarding, meer de gerechtelijke intresten vanaf deze datum tot de dag van algehele betaling, en de verweerders qq. te veroordelen tot betaling van deze bedragen aan de eiseres". (bladzijde vier) "Verder stelde de eiseres dat voor de periode juli 2004 tot en met december 2004 tussen de curatoren en de eiseres een beperkte huur werd overeengekomen voor opslag van onderdelen en boekhouding ten belope van 1.250,00 euro per maand, hetzij in totaal 7.500,00 euro, zodat de eiseres stelt dat zij kon besluiten dat het industrieel complex, op een beperkt gedeelte na, zou ter haren beschikking zijn op 30 juni 2004, en geheel ter haren beschikking zou zijn op 31 december
- De eiseres stelde evenwel dat op 1 april 2005 het industrieel complex nog altijd niet ontruimd was, zo waren de ruimtes voor boekhouding en onderdelen nog in gebruik, en bevonden er zich op het terrein nog materialen van de gefailleerde vennootschappen. (De eiseres) stelde dus dat het onbetwistbaar was dat de curatoren qq. sedert het einde van de huurovereenkomst op datum van 30 juni 2004 het industrieel complex zijn blijven bezetten, waarvoor zij vergoeding van 10 maanden huur vorderde minus de 7.500,00 euro betaald door de curatoren qq. voor de beperkte huur, ttz 142.538,80 euro - 7.500,00 euro = 135.038,80 euro". (bladzijde vijf) "Dit hoger beroep strekte ertoe het bestreden vonnis te doen hervormen, waarbij de oorspronkelijke vorderingen werden hernomen doch waarbij (de eiseres) tevens voorbehoud vroeg voor de bezettingsvergoedingen vanaf 8 juni 2005 alsmede voor de vergoedingen voor de verdere ontruiming van het industrieel pand en meer bepaald voor de waardeloze afval die werd achtergelaten". (bladzijde zes) "Waar voor de bezetting na verbreking oorspronkelijk 135.038,80 euro werd gevorderd, stelt (de eiseres) dat de laatste lokalen evenwel pas door (de verweerders) werden ontruimd op 8 juni 2005, waar werd voorzien dat deze zouden ontruimd zijn in april 2005, zodat 2 maanden extra dienden te worden aangerekend, hetzij in totaal 163.546,56 euro". (bladzijde acht, laatste alinea): "(De eiseres) noteert dat (...) bovendien een beperkte huur na de verbreking werd genegotieerd nl. ad 1.250,00 euro per maand van juli 2004 tot en met december 2004 voor opslag van de boekhouding en onderdelen. Vervolgens zal (de eiseres) motiveren dat de site evenwel na 31 december 2004 niet volledig ter beschikking werd gesteld van (de eiseres) en dat zij niet over haar eigendom kan beschikken zoals het past, enerzijds, stelt zij dat aan de opslag van boekhouding en onderdelen slechts een einde zal komen op 8 juni 2005 en, anderzijds, stelt zij dat het industrieel complex niet keurig wordt opgeruimd en niet volledig wordt opgeruimd". (bladzijde negen, zesde alinea): "Verder benadrukken (de verweerders) dat zij geenszins na 1 juli 2004 de site zijn blijven bezetten, behoudens een afzonderlijke overeenkomst welke zij afsloten met de gedelegeerd bestuurder van (de eiseres) betreffende de ter beschikkingstelling van lokalen voor boekhouding en onderdelen". (bladzijde dertien): "Verder blijkt dat (de verweerders) met de gedelegeerd bestuurder van (de eiseres) inderdaad een afspraak maakten tot het betalen van een vergoeding zo zij de site althans voor een gedeelte konden blijven bezetten. Dit is een afzonderlijke overeenkomst die geenszins wijst op het bestaan van een eerder erkende mondelinge huurovereenkomst. De rechtbank meent dan ook met de eerste rechter, dat (de eiseres) er niet in slaagt haar vordering te bewijzen, terwijl zij in eerste instantie dient te bewijzen dat er tussen haar en de gefailleerde wel degelijk een mondelinge huurovereenkomst bestond, voor welke duur deze werd aangegaan, tegen welke prijs, wanneer deze werd aangegaan en onder welke voorwaarden, wat de toestand van de terreinen was op het ogenblik van het aangaan van de beweerdelijke huurovereenkomst en wat verder desbetreffend tussen partijen was overeengekomen. (De eiseres) bewijst niets van dit alles, terwijl zij het is die de bewijslast draagt, zij kan niet aan (de verweerders) verwijten dat deze geen bewijzen voorbrengen die zij zou moeten leveren, zodat haar beroep dient te worden ongegrond verklaard". Grieven Het bestreden vonnis stelt vast dat de verweerders inderdaad met de gedelegeerd bestuurder van de eiseres een afspraak maakten tot het betalen van een vergoeding voor het gedeeltelijk bezetten van de site. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiseres aanvoerde dat deze overeenkomst werd gesloten voor een maandelijkse prijs van 1.500,00 euro en voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2004, en dat daarvoor door de verweerders 7.500,00 euro werd betaald. Het bestreden vonnis stelt tevens vast dat de eiseres aanvoerde dat de verweerders het goed nadien niet ontruimden en dat zij bijgevolg een bezettingsvergoeding vorderde. Tevens stelt het bestreden vonnis vast dat de verweerders benadrukken dat zij de site na 1 juli 2004 slechts zijn blijven bezetten op grond van een afzonderlijke overeenkomst die zij afsloten met de gedelegeerd bestuurder van de eiseres betreffende de ter beschikkingstelling van lokalen voor boekhouding en onderdelen. In hun conclusies betwistten verweerders de afrekening van de eiseres, maar zij erkenden dat een afzonderlijke overeenkomst werd gesloten met betrekking tot de boekhouding en een deel van de stock, dat 1.250,00 euro per maand werd afgesproken voor een gedeeltelijke bezetting, dat werd afgesproken dat de stock zou worden verwijderd na verkoop aan een geïnteresseerde en dat dit gebeurde in de loop van de tweede week van de maand mei 2005, dat bij brief van 3 juni 2005 werd bevestigd dat ook de boekhouding werd opgehaald ("conclusies" van de verweerders voor de rechtbank van koophandel van 27 september 2006, bladzijde acht en negen onder hoofding "
- Vordering wegens bezetting na 1 juli", waar zij verwijzen naar hun vorige conclusies, te weten: "tweede beroepsbesluiten" van de verweerders voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 30 december 2005, op bladzijde vijf en zes, onder de hoofding "
- Betreffende de zogenaamde bezettingsvergoeding" en "besluiten" van de verweerders voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 18 november 2005, op bladzijde vier, alinea 6-13). Het zittingsblad van de derde kamer van de rechtbank van koophandel van 5 januari 2007 vermeldt "(de verweerders) verklaren zich bereid als beheerskosten op te nemen in het faillissement de bezettingsvergoeding zoals zij beweren dat deze werd afgesproken tussen partijen à rato van 7500,00 euro voor 6 maanden waarbij reeds 6 maanden werden betaald tot 31 december 2004 doch er nog een verlenging was met 6 maanden tot 30 juni 2005 waarvoor (de verweerders) bereid (zijn) 7500,00 euro te betalen". Er bestond dan ook geen betwisting tussen partijen over de omstandigheid dat de verweerders in ieder geval een bezettingsvergoeding van 7.500,00 euro verschuldigd waren voor de periode dat de verweerders een deel van het goed gebruikten na 31 december
- Het bestreden vonnis laat bijgevolg na uitspraak te doen over één van de punten van de vordering nu het het hoger beroep van de eiseres ongegrond verklaart zonder enige vergoeding toe te kennen terwijl het vaststelt dat de eiseres een bezettingsvergoeding vorderde en dat er tussen partijen inderdaad afspraken werden gemaakt tot het betalen van een vergoeding (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). Het bestreden vonnis werpt, nu de verweerders de vordering tot vergoeding van de eiseres slechts ten dele betwistten, door de vordering van de eiseres volledig af te wijzen, een betwisting op die de openbare orde niet raakt en die de partijen in hun conclusies gelijkelijk hebben uitgesloten (schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de leiding van het proces uitsluitend bij de partijen berust en krachtens hetwelk de partijen zelf de grenzen bepalen van het geschil dat voor de rechter wordt gebracht), zonder daarbij de partijen de mogelijkheid tot tegenspraak te bieden (schending van het algemeen beginsel van het recht van verdediging). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak. Krachtens artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, gebracht voor de rechtbank van koophandel. Voor het vaststellen van de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel om kennis te nemen van een geschil over een tekortkoming aan contractuele verbintenissen, dient te worden bepaald of op het ogenblik van de tekortkoming, de partijen kooplieden waren en de contractuele verbintenis een daad van koophandel was.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de vordering door de eiseres, een naamloze vennootschap, ingesteld, gericht is tegen de failliete vennootschappen en gebaseerd is op de contractuele verbintenissen van die failliete vennootschappen en op de tekortkoming die deze vennootschappen hadden begaan.
- Het middel vecht het bestreden vonnis niet aan in zoverre het ook oordeelt: "De betwistingen over een beweerde overeenkomst die door de curatoren ten behoeve van de boedel met (de eiseres) zou zijn aangegaan, is een accessorium dat het principale dient te volgen".
- Door te beslissen dat de rechtbank van koophandel bevoegd was om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beslissing van de vrederechter, schendt de appelrechter de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Anders dan het middel aanvoert, verwerpt het bestreden vonnis, door het beroepen vonnis volledig te bevestigen, ook de vordering van de eiseres tot vergoeding wegens de tussen de eiseres en de verweerders gesloten afzonderlijke overeenkomst en voor bezetting van het kwestieuze goed. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis van 16 februari
- Verder vermeldt het zittingsblad van de Rechtbank van Koophandel te Mechelen van 5 januari 2007 wat in het middel is gesteld. Die vermeldingen houden niet in dat er een akkoord was tussen de partijen om de betwistingen aangaande de gevorderde bezettingsvergoedingen te beperken. Aldus bleef, anders dan het middel aanvoert, de volledige betwisting van de door de eiseres gevorderde bezettingsvergoeding in het debat. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 599,53 euro jegens de eisende partij en op de som van 139,00 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 10 januari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div