id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 3
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 2 Artikel 26 van de Wet van 17 april 1878, zoals van toepassing sinds de Wet van 10 juni 1998, samen gelezen met artikel 2262bis, § 1, tweede lid B.W. maakt een nieuwe verjaringstermijn uit voor de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf, in vergelijking met de verjaringstermijn bepaald in het voormeld artikel 26 van de Wet van 17 april 1878, zoals van toepassing vóór de Wet van 10 juni 1998, zodat indien de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, de nieuwe verjaringstermijn, overeenkomstig artikel 10 van deze Wet, slechts begint te lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van de Wet. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf - Bijzondere wet van toepassing op de rechtsvordering tot vergoeding van schade Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek
Art. 26- 01 ELI link Pub nr 1878041750 oud Burgerlijk Wetboek - Art.
2262bis, § 1, tweede lid Fiche 3 De in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, zijn enkel de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van contractuele aansprakelijkheid en dit artikel is dan ook geen bijzondere wet in de zin van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing sinds de Wet van 10 juni 1998. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel Vrije woorden: Artikel 15, Arbeidsovereenkomstenwet - Aard van de rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 15 Voorafgaande titel van het wetboek
Art. 26- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.
S.07.0050.N V.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.W., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 februari 2006 (lees: 13 september 2006) gewezen door het Arbeidshof te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3, 4, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de wijziging ervan bij wet van 28 maart 2000 (wijziging zonder belang voor deze zaak), de vervanging ervan bij wet van 13 april 2005 en de wijziging ervan bij wet van 23 december 2005, en 26, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de wijziging ervan bij wet van 10 juni 1998, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - artikel 2262bis, ingevoegd bij wet van 10 juni 1998, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring; - artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - artikel 61 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereen-komsten en de paritaire comités. Aangevochten beslissing In het bestreden arrest verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke en de bij conclusie neergelegd op 25 februari 2004 uitgebreide vordering van de verweerder ex delicto gesteld tegen de eiser, het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 18 maart 2005 onder meer in zoverre het zegt voor recht dat de vordering ex delicto ten aanzien van de eiser verjaard is en verklaart, opnieuw wijzende, die vordering van de verweerder ontvankelijk en in de navolgende mate gegrond. Het arbeidshof veroordeelt de eiser tot betaling van een bedrag van 25.747,09 euro als schadevergoeding wegens het niet-betalen van het verschuldigde loon over de periode vanaf 1 oktober 1987 tot en met 30 juni 2000, bedrag te vermeerderen met de interest. Het arbeidshof beslist dat op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder de volgende: "4.
- De argumentatie van (de verweerder) dat een vordering ex contractu in de loop van het geding bij toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan worden gewijzigd in een vordering ex delicto, na de verjaringstermijn bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, voor zover de verjaringstermijn van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering te rekenen vanaf het ogenblik waarop het (laatste) misdrijf werd gepleegd nog niet verstreken is op het tijdstip van de wijziging, is weliswaar correct doch niet ter zake dienend. Bij de conclusie d.d. 25 februari 2004 heeft (de verweerder) zijn vordering ex contractu ten aanzien van (de eiser) betreffende de periode van 4 juli 1997 tot en met 30 juni 2000 immers niet gewijzigd in een vordering ex delicto, doch heeft hij enerzijds afstand gedaan van de volledige vordering ex contractu en anderzijds de vordering ex delicto met betrekking tot de periode tot 4 juli 1997 uitgebreid met de periode van 4 juli 1997 tot en met 30 juni
- Alhoewel een en ander op hetzelfde lijkt neer te komen bestaat er tussen de beide rechtsfiguren toch een fundamenteel juridisch verschil. De stelling van (de eiser) dat de vordering ex delicto voor de periode van 7 december 1985 tot 1 juli 2000 verjaard is omdat een vordering die bij de inleiding reeds verjaard was naderhand niet middels conclusie kan worden uitgebreid, om zo de verjaring op te vangen, kan echter niet worden gevolgd. De uitbreiding of wijziging van de vordering onder de in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorwaarden legt aan de rechter slechts de plicht op over de gewijzigde vordering uitspraak te doen. De rechter is er niet toe gehouden bovendien na te gaan of, vóór de wijziging, de vordering vermeld in de dagvaarding ontvankelijk en gegrond was (...). Wanneer de wetgever de bepaling van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek heeft ingevoerd zoals ze is, heeft hij dit gedaan opdat de processen tussen partijen zoveel mogelijk volledig en ineens zouden worden afgedaan en er niet om zuiver processuele redenen telkens nieuwe vorderingen zouden moeten ingesteld worden, met alle tijdverlies en kosten van dien (...). Zoals (de eiser) zelf stelt, had (de verweerder) tot uiterlijk 1 juli 2005 de mogelijkheid om een nieuwe dagvaarding uit te brengen met hetzelfde voorwerp als de bij conclusie van 25 februari 2004 uitgebreide vordering ex delicto ten aanzien van (de eiser). Wanneer de in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorwaarden vervuld zijn, hetgeen in dezen onbetwistbaar het geval was vermits in de dagvaarding werd aangevoerd dat (de eiser) het loon niet had ontvangen waarop hij overeenkomstig de algemeen verbindend verklaarde CAO's, gesloten in het P.C. nr. 302, gerechtigd was en dat dit een misdrijf uitmaakt, was er niets dat (de verweerder) belette om zijn vordering ex delicto ten aanzien van (de eiser) uit te breiden in plaats van (de eiser) opnieuw te dagvaarden. Op 25 februari 2004 was de burgerlijke vordering voortspruitend uit een voortgezet misdrijf dat zich uitstrekt over de periode van 7 december 1985 tot en met 30 juni 2000 niet verjaard (zie verder onder randnummer 4.
- B.). De eerste rechter heeft de vordering ex delicto ten aanzien van (de eiser) bijgevolg ten onrechte (ongemotiveerd) wegens verjaring afgewezen" (blz. 10, onderaan, tot blz. 12, bovenaan, van het bestreden arrest). Na vervolgens te hebben vastgesteld dat de eiser een misdrijf beging en te hebben geoordeeld dat het een collectief misdrijf betreft, zodat de verjaring van de burgerlijke vordering ex delicto maar een aanvang nam vanaf het laatste gepleegde feit (p. 14-16, eerste nieuwe alinea, van het bestreden arrest), beslist het arbeidshof dat de vordering van de verweerder met toepassing van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering in zijn geheel niet verjaard is (p. 16, tweede nieuwe alinea, van het bestreden arrest). Grieven 1.
- De rechtsvordering tot herstel van de schade door een misdrijf veroorzaakt, behoort volgens artikel 3 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, hieronder afgekort als Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, aan hen die de schade hebben geleden, en kan volgens artikel 4 van diezelfde wet afzonderlijk worden vervolgd. De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart, krachtens artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, in de versie van toepassing vóór de vervanging ervan door artikel 2 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, door verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder te kunnen verjaren vóór de strafvordering. Sinds zijn vervanging door artikel 2 van de wet van 10 juni 1998 bepaalt artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering dat de burgerlijke vordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade, zonder evenwel te kunnen verjaren vóór de strafvordering. 1.
- Krachtens artikel 2262bis, §1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing na de invoeging ervan bij artikel 6 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, inwerking getreden op 27 juli 1998, verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aanspra¬kelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Luidens artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. Overeenkomstig artikel 56, 1°, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, begaat de werkgever die een algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst miskent, een misdrijf. De burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van de schade die aan een werknemer wordt toegebracht door de miskenning van een algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, is een vordering die uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan. De algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst is immers precies van toepassing door de arbeidsovereenkomst, zodat de miskenning van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst zonder de arbeidsovereenkomst geen schade zou hebben doen ontstaan. Het misdrijf zou met andere woorden geen misdrijf zijn zonder het bestaan van een arbeidsovereen¬komst, zodat een rechtsvordering tot vergoeding van schade voortvloeiend uit de schending van een algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst een rechtsvordering is die uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan. Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet is aldus een bijzondere wet die van toepassing is op de rechtsvordering tot vergoeding van schade als bedoeld in de versie van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering van toepassing sinds de inwerkingtreding van de voornoemde wet van 10 juni 1998 en is bijgevolg van toepassing op de burgerlijke rechtsvorderingen tot vergoeding van schade die voortvloeien uit de schending van een algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. 1.
- Artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bepaalt dat, wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van die wet, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet, slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding, dit is vanaf 27 juli
- Noch de verjaringstermijnen bepaald in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, noch de in artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn gelijk aan die van de strafvordering vóór dewelke een burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf niet kan verjaren, zijn nieuwe verjaringstermijnen in de zin van de wet van 10 juni 1998, aangezien zij al van vóór de inwerkingtreding van die wet bestonden. 1.
- Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid worden, mits de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Een vordering die op het ogenblik van de dagvaarding is uitgedoofd door verjaring, kan uiteraard niet meer bij conclusie worden uitgebreid met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en de vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat de verweerder bij dagvaarding van 4 juli 2003 "ex delicto" (onder meer) de veroordeling van de eiser vorderde tot betaling van een bepaalde som als schadevergoeding wegens het niet-betalen van loon voor de periode vanaf zijn indiensttreding bij de eiser tot en met 3 juli 1997 (blz. 3 van de dagvaarding van 4 juli 2003, tweede alinea onder "teneinde"; blz. 2, onder 2.2), van het bestreden arrest). Eveneens blijkt uit de stukken van de procedure en de vaststellingen van het arbeidshof dat de verweerder zijn voornoemde vordering tegen de eiser handhaafde en ervan geen afstand heeft gedaan, alsook dat hij die vordering bij conclusie neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde op 25 februari 2004 uitbreidde met een schadevergoeding wegens de niet-betaling van het verschuldigde loon voor de periode van 4 juli 1997 tot 30 juni 2000 (blz. 6, onder punt 4, van de "Besluiten" neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 24 februari 2005; blz. 3, voorlaatste alinea, en blz. 11, eerste nieuwe alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt dat de stelling van de eiser dat de vordering "ex delicto" voor de periode van 7 december 1985 tot 1 juli 2000 verjaard is omdat een vordering die bij de inleiding al verjaard is, naderhand niet middels een conclusie kan worden uitgebreid om zo de verjaring op te vangen, niet kan worden gevolgd (blz. 11, tweede nieuwe alinea, van het bestreden arrest) en beslist dat de vordering van de verweerder met toepassing van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering in zijn geheel niet verjaard is (blz. 16, tweede nieuwe alinea, van het bestreden arrest).
- Op de vordering die de verweerder bij dagvaarding van 4 juli 2003 "ex delicto" stelde tegen de eiser en die strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens de niet-betaling door de eiser van het verschuldigde loon voor de periode vanaf de indiensttreding van de verweerder bij de eiser tot en met 3 juli 1997, zijn de verjaringstermijnen van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing, zijnde een bijzondere wet die van toepassing is op de rechtsvordering tot vergoeding van schade als bedoeld in de op 27 juli 1998 inwerking getreden versie van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande dat, met toepassing van hetzelfde artikel 26, de vordering niet verjaart vóór de strafvordering. De verweerder voerde in de dagvaarding aan dat het niet-betaalde loon verschuldigd is op grond van een algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. De miskenning van een algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst is strafbaar gesteld bij artikel 56 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Op grond van artikel 61 van die wet, verjaart de publiekrechtelijke rechtsvordering wegens een in die wet omschreven misdrijf door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan. Aangezien de burgerlijke rechtsvordering die de verweerder bij dagvaarding van 4 juli 2003 stelde, verjaart door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan en die vordering betrekking heeft op schade ontstaan in de periode vanaf de indiensttreding van de verweerder tot en met 3 juli 1997, was die vordering op het ogenblik van de dagvaarding verjaard. Inderdaad, artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, vindt geen toepassing. De vordering die de verweerder stelde bij dagvaarding van 4 juli 2003, was weliswaar al ontstaan en nog niet verjaard bij het inwerkingtreden van de wet van 10 juni 1998, maar die wet heeft geen nieuwe verjaringstermijn bepaald voor de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van schade voortspruitend uit een arbeidsrechtelijk delict. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering "ex delicto" van de verweerder tot het verkrijgen van een schadevergoeding van de eiser wegens de niet-betaling van het verschuldigde loon voor de periode vanaf zijn indiensttreding tot en met 3 juli 1997, gesteld bij dagvaarding van 4 juli 2003, op dat ogenblik verjaard was. Aangezien de bij dagvaarding tegen de eiser "ex delicto" gestelde vordering verjaard was, kon die vordering bij latere conclusie niet worden uitgebreid, zelfs indien dat op regelmatige wijze gebeurde, meer bepaald de wijze voorge¬schreven door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Door te beslissen dat de vordering ex delicto die de eiser stelde bij dagvaarding van 4 juli 2003 en uitbreidde bij conclusie neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 25 februari 2004, niet verjaard is, schendt het arbeidshof alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de vordering die de verweerder "ex delicto" stelde tegen de eiser, in zijn geheel niet verjaard is en verklaart het hoger beroep van de verweerder op dit punt dan ook niet wettig gegrond (schending van alle wettelijke bepalingen opgesomd in de aanhef van het middel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De wanbetaling van loon maakt een misdrijf uit overeenkomstig de strafbepalingen van de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en de Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zodat de werknemer, in voorkomend geval, krachtens artikel 3 van de Wet van 17 april 1878 houdende Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, beschikt over een rechtsvordering tot herstel van de schade ingevolge dat misdrijf.
- Krachtens artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing voor de vervanging ervan door artikel 2 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder dat zij kan verjaren voor de strafvordering. Krachtens artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing sinds de vervanging ervan door artikel 2 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade, zonder dat zij kan verjaren voor de strafvordering. Artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bepaalt dat, wanneer de rechtsvordering is ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet, slechts beginnen lopen vanaf haar inwerkingtreding, dit is vanaf 27 juli
- Krachtens artikel 2262bis, §1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing sinds de vervanging ervan door artikel 5 van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaren vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
- Het voormelde artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing sinds de Wet van 10 juni 1998, samen gelezen met het voormelde artikel 2262bis, §1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, maakt dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart door verloop van vijf jaren vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, tenzij een bijzondere wet van toepassing is op de rechtsvordering tot vergoeding van schade en zonder dat de burgerlijke rechtsvordering kan verjaren voor de strafvordering.
- Het voormelde artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing sinds de Wet van 10 juni 1998, samen gelezen met het voormelde artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, maakt in zoverre een nieuwe verjaringstermijn uit voor de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf, in vergelijking met de verjaringstermijn bepaald in het voormelde artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing voor de Wet van 10 juni
- Wanneer derhalve de rechtsvordering is ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet, begint, krachtens het voormelde artikel 10 van deze wet, de nieuwe verjaringstermijn slechts te lopen vanaf 27 juli
- Krachtens artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 verjaren de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, een jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn een jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. De hierbij bedoelde rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, zijn enkel de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van contractuele aansprakelijkheid. Het voormelde artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en het voormelde artikel 2262bis, §1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek behelsen elke burgerlijke rechtsvordering die steunt op feiten die het bestaan van een misdrijf doen blijken, zelfs wanneer die feiten eveneens wijzen op contractuele aansprakelijkheid en het voorwerp van de concrete vordering strekt tot nakoming van contractuele verbintenissen bij wijze van herstel van de geleden schade. Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 is dan ook geen bijzondere wet in de zin van het voormelde artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing sinds de Wet van 10 juni
- Het middel gaat er van uit dat artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 een bijzondere wet is in de zin van het voormelde artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing sinds de Wet van 10 juni
- Het middel faalt in zoverre naar recht.
- Gelet op dit vergeefse uitgangspunt, gaat het middel er verder van uit dat de verweerder bij dagvaarding van 4 juli 2003 een vordering heeft ingesteld die op dat ogenblik reeds was verjaard. Het middel vervolgt dat het de verweerder verder onmogelijk was om deze reeds verjaarde vordering, bij toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, uit te breiden.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweerder, bij dagvaarding van 4 juli 2003, ten laste van de eiser een vordering instelt op grond van delictuele aansprakelijkheid wegens het niet-betalen van loon voor de periode vanaf zijn indiensttreding op 7 december 1985 tot en met 3 juli 1997; - de verweerder, bij conclusie van 25 februari 2004, deze vordering op grond van een misdrijf uitbreidt voor de periode vanaf 4 juli 1997 tot 30 juni
- Uit de voormelde randnummers 1 tot en met 6 blijkt dat de vijfjarige verjaringstermijn voor het instellen van de vordering op grond van een misdrijf pas is beginnen lopen op 27 juli 1998, zodat de bij dagvaarding van 4 juli 2003 ingestelde vordering van de verweerder op dat ogenblik nog niet was verjaard. Het middel dat er van uitgaat dat deze vordering wel reeds was verjaard en vervolgt dat het verweerder verder onmogelijk was om deze reeds verjaarde vordering, bij toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, uit te breiden, kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 116,96 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Luc Van hoogenbemt en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en acht uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090420.1 ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230517.1 ECLI:BE:CTBRL:2025:ARR.20251202.2 ECLI:BE:CTBRL:2026:ARR.20260325.1 ECLI:BE:CTBRL:2026:ARR.20260520.1 ECLI:BE:TTBRL:2011:JUG.20110526.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div