id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.6 Rolnummer: S.07.0030.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2008-02-04 Raadplegingen: 606 - laatst gezien 2026-07-03 18:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het in artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969, zoals te dezen van toepassing, gestelde vermoeden dat de deeltijdse werknemers arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, geldt slechts bij ontstentenis van openbaarmaking van werkroosters en niet in het geval afwijkingen op het normaal deeltijds werkrooster niet of onjuist genoteerd werden. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Toezicht en sancties Vrije woorden: Sociale zekerheidsbijdragen - Deeltijdse werknemers - Vermoeden van het verrichten van voltijdse prestaties - Niet of onjuist vermelden van afwijkingen - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art. 22ter Fiche 2 De rechter die van oordeel is dat hij op de hem voorgelegde feiten een andere dan de aangevoerde wettelijke bepaling niet kan toepassen, dient, bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, dit niet te vermelden. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Toezicht en sancties Vrije woorden: Taak van de rechter - Toepasselijke rechtsgrond - Afwezigheid van conclusie Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Tekst van de beslissing Nr. S.07.0030.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DE BRUG, naamloze vennootschap, met zetel te 3118 Rotselaar (Werchter), Provinciebaan 153, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 september 2006 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 22ter, vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, bekrachtigd bij wet van 24 februari 2003, van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet); - de artikelen 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989; - de artikelen 774, 780, 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verplicht om, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp, noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregels toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen, waarvan de artikelen 774, 780, 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing vormen. Bestreden beslissing Het bestreden arrest bevestigt het beroepen vonnis van de eerste rechter, die de vordering van eiser als ongegrond had afgewezen, om de volgende redenen: "Uit de Pro Justitia dd. 20 oktober 1997 van de sociale inspectie blijkt dat de volgende inbreuken werden vastgesteld: - als werkgever ressorterend onder het P.C. van het Hotelbedrijf de tijdstippen van het begin van de arbeidsdag van gelegenheidswerknemers onvolledig of onjuist te hebben vermeld in het aanwezigheidsregister; - het niet beschikken over een document waarin alle afwijkingen op de werkroosters worden opgetekend, inbreuk op artikel 160 van de Programmawet van 22 december
- In de uiteenzetting der feiten van deze Pro Justitia wordt vermeld dat werd vastgesteld dat voor het vast deeltijds personeel (H.S., R.G. en J.H.) de beginuren vermeld in de afwijkingsdocumenten zoals voorgeschreven door de wetgeving op de deeltijdse werknemers niet klopten met de verklaringen van deze werknemers. Het hof stelt vast dat een inbreuk van ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters zoals bedoeld in de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet van 22 december 1989 niet is vastgesteld. Uit de verklaringen van mevrouw Hans dat de bazin haar de dag voordien had gezegd dat zijn moest beginnen om 18.00 uur kan niet worden afgeleid dat voor mevrouw J. en de heer R. variabele werkroosters golden. Met verklaringen van de betrokkenen i.v.m. een variabel werkrooster kan niet met afdoende zekerheid worden gesteld dat de variabiliteit van het werkrooster van de betrokkenen de regel was en dat het niet ging om een vast uurrooster waaraan wijzigingen werden aangebracht in functie van de omstandigheden. Hetzelfde geldt voor wat betreft de met de hand bijgeschreven vermelding op de arbeidsovereenkomst van J. ‘uren en dagen kunnen variëren' . In ieder geval werd enkel vastgesteld dat de beginuren van de arbeidsprestaties vermeld op de afwijkingsdocumenten van de betrokken werknemers niet strookten met de verklaringen van deze werknemers. Uit de overeenkomsten van de betrokkenen blijkt dat zij vanaf 18 november 1996 een deeltijdse betrekking à rato van 20 uur per week hadden met een vast uurrooster van 12 tot 20 uur met een pauze van 14 tot 18 uur. Terecht stelt (de verweerster) in dit verband dat niet de afwijkingsdocumenten nog werden ingevuld tijdens de controle doch wel het aanwezigheidsregister. Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de feiten die werden vastgesteld ter gelegenheid van de controle op 18 oktober 1997 waaronder het onjuist vermelden van de beginuren van de deeltijdse werknemers in het afwijkingsdocument niet voldoen aan de bovenvermelde kwalificatie van artikel 22ter, lid 2, van de Programmawet, maar vallen onder de bepalingen van Afdeling II, onderafdeling 2 (artikel 160 tot en met 169) van de Programmawet van 22 december
- Het vermoeden arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid zoals bepaald in fine van artikel 22ter is van toepassing wanneer de werkroosters niet worden openbaar gemaakt zoals voorzien in artikel 157 en 159 van de Programmawet en niet wanneer afwijkingen op het normaal deeltijds werkrooster niet of onjuist opgetekend werden zoals in casu. Grieven Eerste onderdeel Uit artikel 22ter, eerste lid, van de RSZ-wet volgt, dat, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989, of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, de deeltijdse werknemers worden vermoed hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van diezelfde wet. Wanneer tijdens een controle door de sociale inspectie wordt vastgesteld dat de beginuren van de deeltijdse werknemers onjuist werden vermeld in de afwijkingsdocumenten bedoeld in de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet, wat volgens het arrest in casu het geval was (zie p. 7, voorlaatste alinea), waardoor het vaststaat, minstens waarschijnlijk is dat deze deeltijds werknemers hun prestaties hebben verricht buiten de normale werkroosters waarvan de openbaarmaking beantwoordt aan de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet, dan kan worden gesteld dat dit gelijkstaat aan een ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 22ter RSZ-wet, en dient het vermoeden te worden toegepast dat de deeltijdse werknemers arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de vastgestelde feiten niet beantwoorden aan een ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters in de zin van de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet en bijgevolg de vordering van eiser, gestoeld op artikel 22ter, tweede lid, van de RSZ-wet, niet wettig heeft kunnen afwijzen (schending van artikel 22ter van de RSZ-wet, in het bijzonder het tweede lid, en de artikelen 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164 en 165 van de Programmawet van 22 december
- Tweede onderdeel Het is de taak van de rechter op de hem regelmatig voorgedragen feiten, de geldende rechtsregel toe te passen en, desnoods ambtshalve, de door partijen aangevoerde rechtsgronden aan te vullen ter inwilliging of verwerping van de voor hem gebrachte vordering. Bepalingen die van openbare orde zijn, wat het geval is met artikel 22ter van de RSZ-wet, moeten ambtshalve door de rechter worden toegepast. Het arbeidshof nam aan dat de afwijkingen op de werkroosters niet of onjuist door de verweerster waren opgetekend en oordeelde dat deze inbreuken vielen onder de bepalingen van Afdeling II, onderafdeling 2 (artikel 160 tot en met 169) van de Programmawet van 22 december 1989 waarop het vermoeden dat besloten ligt in het eerste lid van artikel 22ter van de RSZ-wet van toepassing is (zie p.8, tweede en derde lid). Niettemin werd door het arbeidshof niet onderzocht of deze inbreuken en het daarop toepasselijke vermoeden van het eerste lid van artikel 22ter van de RSZ-wet de inwilliging van de vordering van de Rijksdienst niet gedeeltelijk kon verantwoorden. Ingevolge de ontstentenis van inschrijving in de documenten overeenkomstig de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet, of bij gebrek aan gebruik van de apparatuur bedoeld in artikel 164 van diezelfde wet, lag het bewijs van zwartwerk nochtans voor de hand zodat het aan het arbeidshof stond om op deze feiten, die de grondslag vormden van de vordering van eiser, de geldende rechtsregels toe te passen, met name het vermoeden vervat in het eerste lid van artikel 22ter van de RSZ-wet. Minstens had het arbeidshof de debatten moeten heropenen teneinde eiser toe te laten zijn vordering verder uit te werken op basis van dit wettelijk vermoeden. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de vordering van de eiser niet wettig ongegrond heeft kunnen verklaren zonder na te gaan of deze vordering niet gedeeltelijk kon worden toegewezen met toepassing van het vermoeden bedoeld in het eerste lid van artikel 22ter van de RSZ-wet, en zonder dienaangaande de debatten te heropenen teneinde de eiser toe te laten om zijn vordering op grond van deze bepaling verder uit te werken (schending van artikel 22ter van de RSZ-wet, in het bijzonder het eerste lid, de artikelen 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989 en het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verplicht om, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten, zonder het voorwerp, noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregels toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen, waarvan de artikelen 774, 780, 1138, 2° en 3°, van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing vormen, schending van deze laatste bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het in artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969, zoals te dezen van toepassing, gestelde vermoeden dat de deeltijdse werknemers arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, geldt slechts bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters.
- Dit vermoeden geldt niet in het geval afwijkingen op het normaal deeltijds werkrooster niet of onjuist genoteerd werden.
- De grief van de eiser als zou door de vaststelling van de sociale inspectie dat de beginuren van deeltijdse werknemers onjuist vermeld werden in de afwijkingsdocumenten, bedoeld in artikel 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989, waarschijnlijk worden gemaakt dat de werknemers prestaties hebben verricht buiten de normale werkroosters waarvan de openbaarmaking beantwoordt aan de artikelen 157 tot 159 van de voormelde Programmawet, en dit zou gelijkstaan met de ontstentenis van de openbaarmaking van de werkroosters, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 22ter van de RSZ-wet, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest niet onderzocht heeft of de vastgestelde inbreuken en het daarop toepasselijk vermoeden van het eerste lid van artikel 22ter van de RSZ-wet de inwilliging van de vordering van de eiser op deze grond kon verantwoorden.
- De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen eerbiedigt. De rechter die van oordeel is dat hij op de hem voorgelegde feiten een andere dan de aangevoerde wettelijke bepaling niet kan toepassen, dient, bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, dit niet te vermelden. Uit het enkele feit dat een rechter in zijn vonnis niet vermeldt dat geen andere wetgeving op de door de partijen voor hem aangevoerde feiten toepasselijk is, kan, bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, niet worden afgeleid dat hij de toepasselijkheid van die andere wettelijke bepaling niet heeft onderzocht.
- Uit de redenen van het arrest en bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, blijkt niet dat de appelrechters de toepasselijkheid van de in het onderdeel bedoelde wettelijke bepaling niet hebben onderzocht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters de eiser niet in de gelegenheid hebben gesteld zijn vordering op grond van de in het onderdeel bedoelde wettelijke bepaling verder uit te werken, is het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging niet als miskend aangewezen. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 183,51 euro jegens de eisende partij en op de som van 211,27 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en acht uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130118.7 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171214.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div