id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
§4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.
77bis van 19 december 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 25 januari 2002; - voor zoveel als nodig, artikel 20, §
§4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.
77 van 14 februari 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, vóór de vervanging ervan door de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 maart
- Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 13 oktober 2005 en verklaart, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van de verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof beslist dienvolgens de eiseres te veroordelen tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 15.148,84 euro als forfaitaire vergoeding wegens schending van het ontslagverbod, vermeerderd met wettelijke interest vanaf 16 juli 2004 en gerechtelijke interest vanaf 16 november
- Het arbeidshof steunt die beslissing op de volgende motieven: "2.
- De bijzondere vergoeding wegens schending van het ontslagverbod Met conclusie van 7 maart 2005 breidde (de verweerster) haar eis uit en vorderde de betaling van een forfaitaire vergoeding van 15.148, 84 euro wegens schending van het ontslagverbod op grond van de CAO nr.
- Overeenkomstig het bepaalde in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de eerste rechter aanhangig is worden uitgebreid of gewijzigd, indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Een vordering in rechte kan worden uitgebreid of gewijzigd bij conclusie, indien de feiten waarop die conclusie berust dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden vermeld, ook al had de eiser daaruit toen geen gevolg afgeleid nopens de gegrondheid van zijn vordering (Cass. 18 februari 2000, A.C. 2000, 136). In casu vermeldt de dagvaarding - het bestaan van een tijdskrediet dat liep van 11 juli 2002 tot 10 juli 2004 - het feit dat (de verweerster) na het verstrijken van de duur van het tijdskrediet het werk wenste te hervatten in de overeengekomen voorwaarden - het feit dat de (eiseres) essentiële arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigde - het feit dat (de verweerster) op grond daarvan contractbreuk vaststelde ten laste van (de eiseres). Bijgevolg is de eis van (de verweerster) zoals gesteld in haar conclusie van 7 maart 2005 wel degelijk gesteund op feiten aangevoerd in de dagvaarding, zij het dat zij op grond van die feiten in de dagvaarding zelf geen eis strekkend tot het bekomen van een bijzondere vergoeding wegens schending van een ontslagverbod had ingesteld. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechters deze eis niet ontvankelijk hebben verklaard omdat ze niet zou berusten op een feit of akte aangehaald in de dagvaarding. Krachtens artikel 20, §2, van de CAO 77 mag de werkgever geen handeling verrichten die tot doel heeft eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens de uitoefening van het recht op tijdskrediet of loopbaan-vermindering. In casu heeft de (eiseres) de arbeidsovereenkomst niet beëindigd wegens dringende reden en voert zij enkel aan geen bijzondere vergoeding te moeten betalen, nu (de verweerster) ten onrechte contractbreuk zou hebben vastgesteld wegens eenzijdige wijziging van essentiële arbeidsvoorwaarden. De (eiseres) voert echter niet aan - a fortiori bewijst zij niet - dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens de uitoefening van het recht op tijdskrediet of loopbaanvermindering. De eis van (de verweerster), die cijfermatig niet wordt betwist, is dan ook gegrond" (bladzijde 11, onder punt 2.
- t.e.m. bladzijde 12, zevende alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof verwijst de eiseres in de kosten van beide instanties (bladzijde 13, midden, van het bestreden arrest). Grieven
- Eerste onderdeel 1.1.
- Overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Het arbeidshof geeft dat artikel in het bestreden arrest overigens correct weer (bladzijde 11, punt 2.4., tweede alinea, van het bestreden arrest). Een vordering in rechte kan met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek worden uitgebreid of gewijzigd, indien de feiten waarop die conclusie berust dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden vermeld, ook al had de eiser daaruit toen geen gevolg afgeleid met betrekking tot de gegrondheid van zijn vordering. Het arbeidshof geeft dat beginsel in het bestreden arrest overigens correct weer (bladzijde 11, laatste alinea, van het bestreden arrest). Zijn de toepassingsvoorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek niet vervuld, dan is sprake van een "nieuwe" vordering die met de oorspronkelijke vordering geen verband houdt: zij berust niet op een feit of op een handeling in de gedinginleidende akte aangevoerd en is derhalve onafhankelijk van de oorspronkelijke vordering. Zij is in beginsel niet toegela¬ten, tenzij met instemming van de tegenpartij. 1.1.
- De oorspronkelijke vordering van de verweerster strekte ertoe te horen zeggen voor recht dat de arbeidsovereenkomst door de eiseres op 16 juli 2004 eenzijdig werd "verbroken", de eiseres te horen veroordelen tot betaling van een "verbrekingsvergoeding" begroot op een bedrag van 32.822,50 euro, tot afgifte van alle wettelijk vereiste sociale documenten en tot betaling van alle kosten van het geding en de gerechtelijke interest (blz. 2, onderaan t.e.m. blz. 3, bovenaan, van de oorspronkelijke dagvaarding van 16 november 2004). De verweerster breidde bij conclusie van 7 maart 2005 haar vordering uit met een forfaitaire vergoeding wegens beweerde schending van het in artikel 20, §2 t.e.m. §4, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis bepaalde ontslagverbod, begroot op een bedrag van 15.148,84 euro (blz. 6/7, punt 3, eerste alinea, en blz. 7/7, eerste alinea, van de conclusie van de verweerster van 7 maart 2005). Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dan ook wettig dat de verweerster bij conclusie van 7 maart 2005 haar vordering uitbreidde en betaling vorderde van een forfaitaire vergoeding wegens schending van het in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 bepaalde ontslagverbod, begroot op een bedrag van 15.148,84 euro (bladzijde 11, punt 2.4., eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat in de dagvaarding van de verweerster wordt gewag gemaakt van het bestaan van een tijdskrediet dat liep van 11 juli 2002 tot 10 juli 2004, van het feit dat de verweerster na het verstrijken van de duur van het tijdskrediet het werk wenste te hervatten volgens de overeengekomen voorwaarden, van het feit dat de eiseres essentiële arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigde en van het feit dat de verweerster op grond daarvan "contractbreuk" vaststelde ten laste van de eiseres (bladzijde 12, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is van oordeel dat "bijgevolg de eis van (de verweerster) zoals gesteld in haar conclusie van 7 maart 2005 wel degelijk gesteund is op feiten aangevoerd in de dagvaarding, zij het dat zíj op grond van die feiten in de dagvaarding zélf geen eis strekkend tot het bekomen van een bijzondere vergoeding wegens schending van een ontslagverbod had ingesteld" (bladzijde 12, tweede alinea, van het bestreden arrest). 1.1.
- De verweerster voerde in haar oorspronkelijke dagvaarding van 16 november 2004 slechts aan: "Aangezien (zij) bij (de eiseres) in dienst is sedert 1 april 1992; Aangezien (zij) met ingang van 1 september 2000 de functie toegewezen kreeg van Office Manager en in die hoedanigheid een arbeidstijd van 4/5 overeengekomen was met volgende arbeidsuren: maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag: van 08u30 tot 12u30 en van 13u00 tot 17u
- Dat hiervoor een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen werd gesloten op 26 juni 2000; Aangezien deze uurrooster voor (haar) bijzonder belangrijk is, daar het omwille van familiale en organisatorische redenen zeer belangrijk is dat zij woensdag vrij heeft; Aangezien in het kader van deze tewerkstelling tevens aan (haar) een bedrijfswagen ter beschikking werd gesteld; Aangezien de arbeidsovereenkomst van (haar) werd geschorst ingevolge een tijdskrediet dat liep van 11 juli 2002 tot en met 10 juli 2004; In april 2004 gaf (zij) dan ook aan (de eiseres) te kennen na afloop van het tijdskrediet het werk te zullen hervatten; (De eiseres) gaf aanvankelijk te kennen hieraan geen medewerking te willen verlenen; Op 14 mei 2004 deelt (de eiseres) dan mee dat een andere functie als administratief medewerkster wordt aangeboden, evenwel met andere arbeidsuren, waarbij (zij) ook op woensdag zou moeten gaan werken; Aangezien aan (haar) tevens geen bedrijfswagen meer ter beschikking wordt gesteld door (de eiseres); Aangezien (zij) via een in gebrekestelling van haar raadsman van 16 juli 2004 dan ook de eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst door (de eiseres) diende vast te stellen omwille van de eenzijdige wijziging van een aantal essentiële arbeidsvoorwaarden, waarbij (de eiseres) in gebreke werd gesteld tot betaling van de verbrekingsvergoeding overeenstemmend met het loon voor een periode van 13 maanden, oftewel 32.822,50 euro" (blz. 1 t.e.m. blz. 2, bovenaan, van de oorspronkelijke dagvaarding van 16 no¬vember 2004). De (onregelmatige) beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan aanleiding geven tot uiteenlopende vorderingen. Om de beschermingsfunctie van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek te respecteren, is het noodzakelijk dat aan de algemene "oorzaak" van de vordering (het einde van de arbeidsovereenkomst) de specifieke, eigenlijke oorzaak, meer bepaald specifieke feiten of akten worden toegevoegd die toelaten de aard en inhoud van de concre¬te vordering te bepalen. Dat beginsel houdt in dat de vordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod wegens het opnemen van tijdskrediet, gesteund is op concrete feiten waaruit kan worden afgeleid dat het ontslagverbod werd miskend (m.a.w. dat de verweerster werd ontslagen om reden dat zij tijdskrediet opnam) en dus niet louter op het ontslag en het feit dat tijdskrediet werd opgenomen. In de oorspronkelijke dagvaarding van de verweerster van 16 november 2004 worden geen concrete feiten vermeld waaruit kan worden afgeleid dat het ontslagverbod werd miskend, m.a.w. dat de verweerster ontslagen werd omwille van het opnemen van tijdskrediet. Aangezien dergelijke concrete feiten niet worden vermeld in de oorspronkelijke dagvaarding van 16 november 2004, berust de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod wegens het opnemen van tijdskrediet niet op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof leidt uit de omstandigheid dat in de dagvaarding van de verweerster wordt gewag gemaakt van het bestaan van een tijdskrediet dat liep van 11 juli 2002 tot 10 juli 2004, van het feit dat de verweerster na het verstrijken van de duur van het tijdskrediet het werk wenste te hervatten volgens de overeengekomen voorwaarden, van het feit dat de eiseres essentiële arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigde en van het feit dat de verweerster op grond daarvan "contractbreuk" vaststelde ten laste van de eiseres, niet wettig af dat de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod wegens het opnemen van tijdskrediet gesteund is op feiten aangevoerd in de dagvaarding. Aangezien de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod wegens het opnemen van tijdskrediet, niet berust op een feit of een akte aangevoerd in de dagvaarding van 16 november 2004 en de eiseres zich daarop in conclusie beriep (zie o.m. blz. 13, punt 10, eerste en tweede alinea, van de syntheseconclusie in hoger beroep van de eiseres, "syntheseconclusies in beroep" genaamd), diende die vordering onontvankelijk te worden verklaard. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de eerste rechters ten onrechte de uitgebreide vordering niet ontvankelijk hebben verklaard aangezien zij niet zou berusten op een feit of een akte aangehaald in de dagvaarding. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de bij conclusie van 7 maart 2005 gestelde vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod wegens het opnemen van tijdskrediet (begroot op een bedrag van 15.148,84 euro), gesteund is op feiten aangevoerd in de dagvaarding van 16 november 2004 en bijgevolg ontvankelijk is (schending van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek). Het arbeidshof beslist aldus ook niet wettig dat de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een bijzondere vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod gegrond is en veroordeelt de eiseres dus niet wettig tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 15.148,84 euro als forfaitaire vergoeding wegens schending van het ontslagverbod, vermeerderd met wette¬lijke interest vanaf 16 juli 2004 en gerechtelijke interest vanaf 16 november 2004 (schending van artikel 20, §
§4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.
77bis van 19 december 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 25 januari 2002, en van artikel 20, §2, en §4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, vóór de vervanging ervan door de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 maart 2001). Het arbeidshof verwijst ook niet wettig de eiseres in de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 1.
- Tweede onderdeel 1.2.
- Artikel 20, §2, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis van 19 december 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, hieronder afgekort als de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, bepaalt dat de werkgever geen handeling mag verrichten die tot doel heeft eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking behalve om een dringende reden (als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet) of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking vanwege de uitoefening van het recht op tijdskrediet, loopbaanvermin¬dering of vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking. Artikel 20, §2, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking (hieronder afgekort als de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77), was in nagenoeg identieke bewoordingen gesteld. Het arbeidshof overweegt overigens zelf in het bestreden arrest dat de werkgever krachtens artikel 20, §2, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 geen handeling mag verrichten die tot doel heeft eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereen-komstenwet of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens de uitoefening van het recht op tijdskrediet of loopbaanvermindering (bladzijde 12, vierde alinea, van het bestreden arrest). Op grond van artikel 20, §4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis dient de werkgever die de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties vanwege de uitoefening van het recht op tijdskrediet, loopbaanvermindering of vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een "verbreking" van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer betaald moeten worden. Artikel 20, §4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 was in nagenoeg identieke bewoordingen gesteld. 1.2.
- Partijen hebben in verband met de feiten een dubbele taak: enerzijds het aanvoeren van de juridisch relevante of juridisch draagkrachtige feiten (aanvoeringslast), anderzijds het bewijs van die aangevoerde feiten (bewijslast). In de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis komt geen bepaling voor die de aanvoeringslast en de bewijslast regelt in geval de werknemer een miskenning van het in artikel 20 van die collectieve arbeidsovereenkomst voorkomende ontslagverbod inroept. Ook in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 komt geen dergelijke bepaling voor. Er dient dan ook toepassing gemaakt te worden van de gemeenrechtelijke regels met betrekking tot de aanvoeringslast en de bewijslast. 1.2.2.
- In het gemeen recht moet elke partij de feiten aanvoeren die voor haar eis of verweer van belang zijn omdat zij juist de toepassing van de ingeroepen norm mogelijk maken. In geval de werknemer een miskenning van het in artikel 20 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis bepaalde ontslagverbod inroept, komt het aan hem toe aan te voeren dat hij werd ontslagen zonder dringende reden, maar om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties ingevolge de uitoefening van het recht op tijdskrediet, loopbaanvermindering of vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking. Om met toepassing van artikel 20, §4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis aanspraak te kunnen maken op een forfaitaire vergoeding gelijk aan het loon van zes maanden, dient de werknemer dus aan te voeren dat hij werd ontslagen zonder dringende reden, maar om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties ingevolge de uitoefening van het recht op tijdskrediet, loopbaanvermindering of vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking (m.a.w. om een niet-toegelaten reden). 1.2.2.
- De artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek bevatten de gemeenrechtelijke bewijslastregels. Artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen en dat omgekeerd hij die beweerd bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van de verbintenis heeft teweeggebracht. Artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert. De artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de uitdrukking van het adagium "actori probatio incubit" (de eiser draagt de bewijslast). Met toepassing van de in de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde gemeenrechtelijke bewijslastregels komt het aan de werknemer die aanvoert dat hij werd ontslagen met miskenning van het in artikel 20 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis voorkomende ontslagverbod (d.i. zonder dringende reden, maar om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties ingevolge de uitoefening van het recht op tijdskrediet), toe te bewijzen dat hij werd ontslagen zonder dringende reden, maar om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties ingevolge de uitoefening van het recht op tijdskrediet, m.a.w. dat hij werd ontslagen om een reden die niet toegelaten is. 1.2.
- Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest wettig vast dat de eiseres de arbeidsovereenkomst niet heeft beëindigd wegens dringende reden en dat zij enkel aanvoert geen bijzondere vergoeding te moeten betalen, aangezien de verweerster ten onrechte "contractbreuk" zou hebben vastgesteld wegens eenzijdige wijziging van essentiële arbeidsvoorwaarden (bladzijde 12, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt vervolgens in het bestreden arrest: "De (eiseres) voert echter niet aan - a fortiori bewijst zij niet - dat de arbeidsover-eenkomst werd beëindigd om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens de uitoefening van het recht op tijdskrediet of loopbaanvermindering" (bladzijde 12, zesde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof is aldus van oordeel dat het aan de eiseres (werkgever) toekomt aan te voeren en te bewijzen dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens de uitoefening van het recht op tijdskrediet of loopbaanvermindering, m.a.w. om een toegelaten reden. Zoals hierboven werd uiteengezet, komt het evenwel aan de verweerster (werkneemster) die een miskenning van het in artikel 20 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis bepaalde ontslagverbod inroept, toe aan te voeren en te bewijzen dat zij werd ontslagen om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties ingevolge de uitoefening van het recht op tijdskrediet, m.a.w. dat zij werd ontslagen om een reden die niet toegelaten. is. Met zijn beslissing dat het aan de eiseres (werkgever) toekomt aan te voeren en te bewij¬zen dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens de uitoefening van het recht op tijdskrediet of loopbaanvermindering, m.a.w. om een toegelaten reden, legt het arbeidshof de aanvoerings- en bewijslast niet wettig op de eiseres (werkgever). Conclusie Het arbeidshof schendt, door de aanvoerings- en bewijslast op de eiseres (werkgever) te leggen, de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof beslist niet wettig dat de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een bijzondere vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod gegrond is en veroordeelt de eiseres dan ook niet wettig tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 15.148,84 euro als forfaitaire vergoeding wegens schending van het ontslagverbod, vermeerderd met wettelijke interest vanaf 16 juli 2004 en gerechtelijke interest vanaf 16 november 2004 (schending van artikel 20, §
§4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.
77bis van 19 december 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 25 januari 2002, en, voor zoveel als nodig, van artikel 20, §
§4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.
77 van 14 februari 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, vóór de vervanging ervan door de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 maart 2001). Het arbeidshof verwijst dan ook niet wettig de eiseres in de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.
- Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat de nieuwe vordering, wanneer zij berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, uitsluitend op dat feit of die akte berust.
- De dagvaarding vermeldt onder meer als feiten dat: - de arbeidsovereenkomst van de verweerster werd geschorst ingevolge een tijdskrediet dat liep van 11 juli 2002 tot en met 10 juli 2004; - de verweerster in april 2004 aan de eiseres te kennen gaf na afloop van het tijdskrediet het werk te zullen hervatten; - de eiseres aanvankelijk te kennen gaf hieraan geen medewerking te willen verlenen; - de eiseres op 14 mei 2004 dan mededeelde dat een andere functie als administratief medewerkster werd aangeboden, evenwel met andere arbeidsuren, waarbij de verweerster ook op woensdag zou moeten werken; - door de eiseres tevens geen bedrijfswagen meer ter beschikking werd gesteld; - de verweerster dan ook op 16 juli 2004 de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de eiseres diende vast te stellen omwille van de eenzijdige wijziging van een aantal essentiële arbeidsvoorwaarden.
- De vordering tot betaling van een forfaitaire vergoeding wegens miskenning van het ontslagverbod bepaald in artikel 20, §2, van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst inzake het tijdskrediet die de verweerster bij tegensprekelijke conclusies tegen de eiseres heeft ingesteld, onder verwijzing naar artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, berust onder meer op deze feiten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 20, §2, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis van 19 december 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, hierna genoemd: CAO nr. 77bis, mag de werkgever geen handeling verrichten die tot doel heeft eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking vanwege de uitoefening van het recht op tijdskrediet, loopbaanvermindering of vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, als bedoeld in de artikelen 3, 6 en
- Krachtens artikel 20, §3, van deze collectieve arbeidsovereenkomst geldt dit verbod om eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking vanaf de datum van de schriftelijke kennisgeving als verricht overeenkomstig artikel 12, maar ten vroegste 3 maanden vóór de gewenste begindatum van de periode van schorsing of onderbreking van de arbeidsprestaties wanneer de werkgever meer dan 20 werknemers tewerkstelt en 6 maanden wanneer hij ten hoogste 20 werknemers tewerkstelt, en eindigt het 3 maanden na de einddatum van diezelfde periode of 3 maanden na de datum van kennisgeving van niet-instemming van de werkgever ter uitvoering van artikel
- Krachtens artikel 20, §4, eerste lid, van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst dient de werkgever die, ondanks de bepalingen van §2 van dit artikel, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties vanwege de uitoefening van het recht op tijdskrediet, loopbaanvermindering of vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, als bedoeld in de artikelen 3, 6 en 9, aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van 6 maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer betaald moeten worden.
- Uit deze bepalingen volgt dat in geval de werknemer de in artikel 20, §4, van de CAO nr. 77bis bedoelde bijzondere vergoeding vordert, de werkgever, die in de periode waarin het bij artikel 20, §2, bedoelde ontslagverbod geldt, de dienstbetrekking van de werknemer die het recht op tijdskrediet heeft uitgeoefend eenzijdig heeft beëindigd, dient te bewijzen dat hij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd om een dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens de uitoefening van het recht op tijdskrediet. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 150,28 euro jegens de eisende partij en op de som van 189,61 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en acht uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2008:ARR.20081110.19 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3F.6 ECLI:BE:CTBRL:2025:ARR.20251104.2 ECLI:BE:TTLIE:2009:JUG.20091118.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div