id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.13 Rolnummer: F.06.0082.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2008-02-01 Raadplegingen: 584 - laatst gezien 2026-07-03 17:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De omstandigheid dat artikel 3O5, § 2, W.I.B.
(1964)de schorsing van de door de belastingplichtige verschuldigde nalatigheidsinteresten doet ingaan vanaf de eerste dag van de maand na het verstrijken van de termijn van achttien maanden na de indiening van het bezwaar, heeft niet tot gevolg dat de schorsing van de nalatigheidsinterest uitwerking kan krijgen voor de datum van inwerkingtreding van die bepaling. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Stuiting Vrije woorden: Invordering van de belasting - Wanbetaling - Nalatigheidsinteresten - Bezwaar - Uitblijven van een beslissing na 18 maanden - Schorsing van de nalatigheidsinterest Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 305, § 2 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 414, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Algemeen Annotaties Publicaties: R.A.B.G. - X; Noot - 2008, 532-536 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0082.N C.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1081 Brussel, Jules Besmetstraat 124, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Antwerpen I, directie Invorderingen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 9, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 12, 700, 701, 702, 3°, 1034bis, 1034ter, 4°, en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel genaamd het beschikkingsbeginsel. Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat het hof van beroep daarin zijn hoger beroep en dienvolgens ook zijn initiële vordering tot betaling van een schadevergoeding onontvankelijk verklaart. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende gronden: 2.
- de ontvankelijkheid van de vordering tot betaling van een schadevergoeding Krachtens artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass., 27 mei 1994, RW, 1994-95, 1017). Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding hij gerechtsdeurwaardersexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft. Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar. De vordering tot betaling van een schadevergoeding werd ingesteld bij de gedinginleiding en is dan ook een hoofdvordering. Er is geen wettelijke afwijking voorzien voor een vordering tot betaling van een schadevergoeding zodat deze hoofdvordering bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning diende te worden ingesteld. Terecht stelt de eerste rechter dat de vordering tot betaling van een schadevergoeding, nu deze bij verzoekschrift werd ingesteld, niet ontvankelijk is". (pagina 5 van het bestreden arrest). Grieven
- Luidens artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. Artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt voorts dat verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij een zelfde akte worden ingesteld. Deze regel geldt ten aanzien van alle samenhangende vorderingen, ongeacht of ze in hoofdorde dan wel in subsidiaire orde worden ingesteld, met dien verstande dat alsdan de in hoofdorde ingestelde vordering de vorm van de gedinginleidende akte zal bepalen. Wanneer op grond van een daartoe strekkende bepaling een rechtsgeding regelmatig wordt ingeleid bij een verzoekschrift op tegenspraak, kan de eiser bijgevolg, voor het geval deze hoofdvordering niet zou worden ingewilligd, bij dezelfde akte van rechtsingang een subsidiaire vordering instellen, ook al zou zij normalerwijze, wanneer zij bij wijze van hoofd vordering wordt ingeleid, bij een andere akte van rechtsingang te worden ingeleid.
- Iedere vordering die het rechtsgeding opent is een inleidende vordering. Weliswaar is niet iedere inleidende vordering een hoofdvordering. Aldus kan een partij vrij beslissen om bij éénzelfde akte meerdere vorderingen die samenhangend zijn, in te leiden, Desbetreffend komt het aan de partij toe te bepalen of de samenhangende vorderingen die bij een zelfde akte van rechtsingang worden ingeleid evenwaardig zijn, dan wel of één van die vorderingen slechts wordt ingesteld voorzover de rechter een andere, in hoofdorde ingestelde, vordering ongegrond zou bevinden. Een en ander zal blijken uit de omschrijving van het onderwerp van de vorderingen, overeenkomstig artikel 702, 3°, en 1034ter, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Uit de procedurestukken blijkt dat de eiser in hoofdorde bij toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek een vordering instelde bij een verzoekschrift op tegenspraak, zoals bedoeld in artikel 1034bis van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij hij de rechtbank van eerste aanleg verzocht de directoriale beslissing van 23 juli 2002, gewezen op een verzoek tot vermindering en kwijtschelding van intresten bij toepassing van de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, te vernietigen en onder meer te zeggen voor recht dat de loop van de nalatigheidsintresten was geschorst vanaf 18 maanden na de indiening van het bezwaarschrift, zulks overeenkomstig artikel 305, §2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zodat een vrijstelling moest worden verleend tussen 1 december 1980 en 30 augustus 1986, en te zeggen voor recht dat de schorsing van nalatigheidsintresten nooit opgehouden heeft en ook vermindering of kwijtschelding van de nalatigheidsintresten die het bedrag van 49.798,86 euro overschrijden te verlenen. Te dezen werd niet betwist dat deze vordering regelmatig bij een verzoekschrift op tegenspraak werd ingesteld. In ondergeschikte orde, d.w.z. voorzover voornoemde vordering niet zou worden toegewezen, verzocht eiser de rechtbank om verweerder te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het equivalent van de nalatigheidsintresten, gelopen op de aanslag met artikel 947422, die het voornoemde bedrag van 49.798,86 euro overschrijden, zulks in toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Besluit Waar het hof van beroep vooreerst de vordering tot betaling van een schadevergoeding op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek kwalificeert als een hoofdvordering om de eenvoudige reden dat zij bij een geding inleidende akte werd ingesteld, aldus ervan uitgaande dat iedere vordering ingeleid bij een dergelijke akte gelijk staat met een hoofdvordering, ongeacht de bedoeling van de eiser terzake en de wijze waarop die vordering wordt geformuleerd in die akte, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 12, 700, 701, 702, 3°, 1034bis, 1034ter, 4°, en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek evenals het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel). Bovendien miskent het de bewijskracht van eisers verzoekschrift, waar het oordeelt dat de vordering, gestoeld op artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, net zoals de vordering, gericht tegen de directoriale beslissing, een hoofdvordering was, anders gezegd een vordering waarover de rechter zich diende te buigen zelfs zo op de vraag tot vernietiging van de directoriale beslissing en op het verzoek tot kwijtschelding en vermindering van intresten bij toepassing van de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen werd ingegaan, en dit terwijl de eiser in voornoemd verzoekschrift uitdrukkelijk preciseerde dat hij de rechtbank verzocht de verweerder te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het equivalent van de nalatigheidsintresten, gelopen op de aanslag met artikel 947422 die het voornoemde bedrag van 49.798,86 euro overschrijden, indien de vordering op grond van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen niet werd toegewezen, aldus aan dat verzoekschrift een uitlegging gevende die met de bewoordingen ervan onverenigbaar was (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Ten slotte kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat de eerste rechter terecht had beslist dat de vordering tot betaling van een schadevergoeding, ingesteld bij de gedinginleiding, niet ontvankelijk was omdat zij niet bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning werd ingesteld (schending van de artikelen 700, 701, 1034bis en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 49 van de programmawet van 9 juli
- Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat het hof van beroep daarin zijn hoger beroep en dienvolgens ook zijn initiële vordering aangaande de verjaring van de fiscale vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart. Het hof van beroep stoelt deze beslissing onder meer op volgende gronden: "2.
- de verjaring van de fiscale vordering Terecht stelt tevens de eerste rechter dat de litigieuze fiscale vorderingen (van de fiscus) evenmin verjaard zijn, gelet op het feit dat op 11 februari 1998 en 18 november 2002 door appellant nog schulderkenningen en verjaringsverzakingen werden ondertekend. Voordien waren er de verjaringsstuitende dwangbevelen resp. dd. 31 oktober 1983, 28 april 1988 en 20 april
- De geldigheid van deze verjaringsstuitende akten wordt bevestigd door artikel 49 van de programmawet van 9 juli 2004, Belgisch Staatsblad, 15 juli 2004, waarvan de retroactieve werking verantwoord is (zie: Arrest Arbitragehof, 7 december 2005, nr. 177/2005). (pag. 6 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet moeten de rechtscolleges antwoorden op aangevoerde middelen en motiveren waarom deze worden aanvaard of verworpen. In zijn syntheseconclusie in beroep neergelegd ter griffie van het Hof op 31 maart 2005 had de eiser tot cassatie op pag. 19 gesteld dat en toegelicht waarom het niet bewezen voorkomt dat artikel 49 van de betrokken programmawet een retroactief karakter heeft. In die conclusie werd daarbij onder meer verwezen naar de voorbereidende werken aan deze wetsbepaling en naar het feit dat een wetsbepaling slechts retroactieve werking kan hebben omdat hierover niets bepaald is in de wet en er geen duidelijke aanwijzingen zijn in die zin. Daarop heeft het hof van beroep niet geantwoord. De bestreden beslissing miskent derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Tweede onderdeel Zelfs in zoverre zou worden aangenomen dat de beslissing van het hof van beroep een antwoord inhoudt op het middel aangevoerd door de eiser tot cassatie ontwikkeld op pag. 19 in zijn syntheseconclusie in beroep (cf. eerste onderdeel) dient te worden vastgesteld dat het hof van beroep minstens impliciet maar zeker beslist heeft dat aan artikel 49 van de programmawet van 9 juli 2004 een retroactieve uitwerking kan worden verleend zodoende dat een verjaring die reeds verworven was op het ogenblik van de uitvaardiging en de normale datum van inwerkingtreding van de programmawet, door een achteraf door de uitwerking van dit artikel 49 van de programmawet rechtsgeldig bevonden stuitingsdaad niet meer verworven blijkt te zijn. Luidens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek beschikt de wet evenwel alleen voor het toekomende; zij heeft geen terugwerkende kracht. Bovendien kan een nieuwe wet nooit afbreuk doen aan reeds verworven rechten en een voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet verworven verjaring ongedaan maken. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat aan een handeling uit het verleden, in casu de dwangbevelen van 31 oktober 1983, 28 april 1988 en 20 april 1993, een stuitende werking moest worden verleend, werking die zij in het verleden, voor de inwerkingtreding van artikel 48 van de programmawet van 9 juli 2004 evenwel niet bezaten, verleent het hof van beroep op onwettige wijze retroactieve werking aan voornoemde bepaling (schending van de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek en 49 van de Programmawet van 9 juli 2004). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 305, §2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)(WIB 1964); - de artikelen 55 en 116 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen; - voor zoveel als nodig artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat het hof van beroep daarin zijn hoger beroep en dienvolgens ook zijn initiële vordering tot uitbreiding van de schorsingstermijn van de door hem verschuldigde nalatigheidsinteresten ontvankelijk doch ongegrond verklaart. Het hof van beroep stoelt deze beslissing onder meer op volgende gronden: 2.7. de toepassing van artikel 305, §2, WIB
(1964)(...) 2.7.
- de aanvangsdatum De litigieuze wetsbepaling is van toepassing vanaf 1 september
- Dit betekent dat de erin bedoelde schorsing ten vroegste kan worden toegepast vanaf 1 september
- Voor alle vóór 1 maart 1985 ingediende bezwaarschriften kan er aldus met de schorsing op grond van deze wetsbepaling slechts vanaf 1 september 1986 rekening worden gehouden. De litigieuze wetsbepaling behoort tot het formele belastingrecht en is overeenkomstig artikel 3 van het Gerechtelijk wetboek van toepassing op de hangende rechtsgedingen. Een nieuwe wet, hoewel zij vanaf haar inwerkingtreding van toepassing is op hangende rechtsgedingen, tast, behoudens andersluidende bepaling, de geldigheid niet aan van de onder de vroegere wet verrichte handelingen (Cass., 17 juni 1971, Arr. Cass., 1971, 1047; Cass., 10 februari 1972, Arr. Cass., 1972, 536; Cass., 22 november 1984, Arr. Cass., 1984-85, 413; Cass., 29 april 1993, Arr. Cass., 1993, 417; Patricia POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd, APR, Story-scientia, 1999, p. 73, randnr. 112). De nieuwe wet in casu kan dan ook geen afbreuk meer doen aan de reeds gelopen nalatigheidsintresten tot aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet. De eerste rechter heeft dit dan ook terecht zo beslist. (pag. 6-7 van het bestreden arrest). Grieven Artikel 55 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen heeft een tweede paragraaf aan het artikel 305 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)(WIB
(1964)toegevoegd, luidend als volgt: "Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 276 bedoelde beslissing niet binnen achttien maanden na de indiening van het bezwaarschrift dan is de in paragraaf 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 301 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand welke volgt op die waarin de termijn van achttien maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin van de beslissing van de directeur kennis wordt gegeven". Het hof van beroep beslist, in navolging van de belastingadministratie, dat dit wetsartikel van toepassing is op het bezwaar dat door of voor de eiser tot cassatie was ingediend in mei 1979 terwijl de kennisgeving van de beslissing dateert van 28 oktober 1986. Het hof van beroep beslist evenwel dat de schorsing van de interest slechts ten vroegste een aanvang kan hebben genomen vanaf 1 september 1986. De stelling van de eiser tot cassatie luidde dat een wetsbepaling die van toepassing is in een bepaald lopend geschil met de belastingdiensten, moet worden toegepast conform de wettelijke libellering van het wetsartikel, zo bijvoorbeeld in de mate dat er in het wetsartikel zelf een aanvangsdatum van de schorsing wordt bepaald. Inderdaad bepaalt artikel 305, §2, WIB
(1964)dat de schorsing van de nalatigheidsinteresten desgevallend ingaat vanaf 18 maanden na de indiening van het bezwaarschrift (in casu dus op 1 december 1980 zijnde 18 maanden na de indiening van het bezwaarschrift). Deze stelling van eiser tot cassatie is aldus door het hof van beroep afgewezen. De eiser tot cassatie ontwaart in deze beslissing een miskenning van de supra aangeduide wetsbepalingen in het bijzonder van artikel 305, §2, WIB
(1964)zelf. Een wetsbepaling (lees: de schorsing in kwestie) is ofwel toepasselijk ofwel niet toepasselijk. Als een wetsbepaling (zoals artikel 305, §2, WIB/64) toepasselijk is op een hangend geschil of geding (zoals het hof van beroep beslist heeft), dit is "in werking getreden" in termen van "overgangsrecht", dan moet de wetsbepaling in al haar geledingen worden toegepast. Het "overgangsrecht" moet alsdan niet meer worden toegepast om de aanvang van de gevolgen van de wetsbepaling te kennen aangezien deze aanvangsdatum in de wet zelf is ingeschreven. Door een wetsbepaling niet volledig toe te passen is de wetsbepaling zelf geschonden. Een (algemeen rechtsbeginsel van) overgangsrecht kan geen duidelijke wettekst "overrulen". Een (algemeen rechtsbeginsel van) overgangsrecht kan hoogstens tot gevolg hebben dat een wettekst op een bepaald hangend geschil niet toepasselijk is. In feite is dit zelfs af te leiden uit het gezegde van het hof van beroep dat een nieuwe wet vanaf haar inwerkingtreding en behoudens andersluidende bepaling de geldigheid niet kan aantasten van de onder de vroegere wet verrichte handelingen en geen afbreuk meer kan doen aan reeds gelopen nalatigheidsinteresten. Dit is in casu des te meer het geval daar artikel 305, §2, WIB
(1964)de gevolgen regelt van een toestand die of een feit dat zich voordoet na de datum van inwerkingtreding van de wijzigingswet, met name de kennisgeving van de directoriale beslissing (die laattijdig wordt ter kennis gebracht). Als deze laattijdige kennisgeving de toepasselijkheid van artikel 305, §2, WIB
(1964)teweegbrengt, dient eenvoudigweg de sanctie die daarop door de wetgever is voorzien, waarvan de aanvangsdatum duidelijk door de wetgever is bepaald, te worden toegepast. Als dat al zou bestaan. Artikel 305, §2, WIB
(1964)onderscheidt zich van andere wijzigingswetten over bijvoorbeeld tarieven van interesten doordat deze wetsbepaling duidelijk stelt vanaf welke datum de rechtsgevolgen van de wetsbepaling uitwerking moeten hebben. Dat tarieven van interesten die in de loop van een rechtsgeding wijzigen slechts worden toegepast vanaf de datum van de inwerkingtreding van de wijzigingswet is logisch omdat en voor zover in de wijzigingswet geen exacte aanvangsdatum is vastgesteld. De eiser meent, kortom, dat de alhier bevochten beslissing van het hof van beroep indruist tegen de uitdrukkelijke wettelijke bepaling van artikel 305, §2, WIB
(1964)die immers uitdrukkelijk en op niet mis te verstane wijze stelt dat de schorsing ingaat vanaf 18 maanden na indiening van een bezwaarschrift. Derhalve kan nimmer wettig worden besloten dat een schorsing die effectief moet worden verleend, slechts kan ingaan vanaf een andere datum (de eerste dag van de kalendermaand volgend op de inwerkingtreding van de wet van 4 augustus 1986). Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat de schorsing der interesten ten vroegste een aanvang nam op 1 september 1986, en dit terwijl het bezwaarschrift werd neergelegd in mei 1979, hetzij meer dan achttien maanden voor de door het hof van beroep weerhouden datum van 1 september 1986, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht (schending van de in het middel aangehaalde bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing gewezen in een geschil dat ingeleid werd overeenkomstig artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek en waarin de eiser vorderingen instelde die zowel betrekking hadden op specifiek fiscaal materieel recht als op gewone civielrechtelijke materies.
- De appelrechters stellen vast in het tussenarrest van 4 oktober 2005 dat de vordering strekt tot vaststelling dat de loop van de nalatigheidsinterest geschorst was vanaf 18 maanden na de indiening van het bezwaarschrift en dat die schorsing nooit heeft opgehouden, "zoniet, de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten belope van het equivalent van een schadevergoeding ten belope van het equivalent van de nalatigheidsinterest die het bedrag van 2008881 frank overschrijdt".
- Het cassatieberoep strekt ertoe te doen erkennen dat de eiser het recht had ook die vordering bij wijze van de uitzonderingsprocedure voor fiscale zaken in te leiden, omdat, volgens het standpunt van de eiser, die vordering maar een subsidiaire vordering was, ingesteld voor zover eiser geen gelijk kreeg in verband met zijn aanvoeringen over de nalatigheidsinterest. Een dergelijk cassatieberoep mag door een advocaat die geen advocaat is bij het Hof van Cassatie, worden ondertekend en neergelegd. Hier anders over oordelen zou aan de eiser het recht ontnemen dat hij door het Hof wil doen erkennen. Het cassatieberoep is ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het bestreden arrest verwerpt het in het onderdeel bedoelde verweer en beantwoordt het met de in het onderdeel weergegeven motivering. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. De wetgever mag evenwel van dit beginsel afwijken en in dat geval hoeft zijn wil, hoewel hij dient vast te staan, nochtans niet noodzakelijk in uitdrukkelijke termen in de wet geuit te zijn.
- Artikel 49 van de programmawet van 9 juli 2004 erkent de geldigheid van de verjaringstuitende bevelen.
- De appelrechters die deze stuitende kracht aannemen, schenden de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het te dezen toepasselijke artikel 305, §2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)bepaalt dat indien de kennisgeving van de in artikel 276 bedoelde beslissing niet binnen achttien maanden na de indiening van het bezwaarschrift geschiedt, de in paragraaf 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd is voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 301 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand welke volgt op die waarin de termijn van achttien maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin van de beslissing van de directeur kennis wordt gegeven.
- De omstandigheid dat voormeld artikel 305, §2, de schorsing in de regel doet ingaan vanaf de eerste dag van de maand na het verstrijken van de termijn van achttien maanden na de indiening van het bezwaar, heeft niet tot gevolg dat de schorsing van de nalatigheidsinterest uitwerking kan krijgen voor de datum van inwerkingtreding van die bepaling. De verwijzing naar de eerste van de maand na het verstrijken van de termijn van achttien maanden als aanvangspunt van de schorsing, toont niet aan dat de wetgever gewild heeft dat deze bepaling terugwerkt in de tijd tot voor de datum van inwerkingtreding ervan. Voor die datum vervallen nalatigheidsinterest blijven verschuldigd.
- De appelrechters verantwoorden naar recht hun beslissing dat de nieuwe wet hier in casu geen afbreuk kan doen aan de reeds gelopen nalatigheidsinterest tot aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel
- Het arrest gaat ervan uit dat de vordering tot schadevergoeding een hoofdvordering was erop gericht schadeloosstelling te krijgen ongeacht de wijze waarop uitspraak werd gedaan over de overige vorderingen van de eiser. Dit was niet de draagwijdte van wat de eiser aan de appelrechter vroeg.
- De appelrechters miskennen aldus het beschikkingsbeginsel dat door de eiser wordt aangevoerd. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Het Hof vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot schadevergoeding. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser in twee derden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 23,94 euro jegens de eisende partij en op de som van 111,76 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van 17 januari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in anwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101001.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250929.3F.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250929.3F.3 ECLI:BE:ORGNT:2008:JUG.20080521.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div