id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.14 Rolnummer: F.06.0079.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2008-02-01 Raadplegingen: 678 - laatst gezien 2026-07-03 18:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche Tijdens het faillissement kan, onder de gelding van de Faillissementswet 1851, een individuele schuldeiser geen vergoeding krijgen voor zijn aandeel in de collectieve schade die werd veroorzaakt door de fout van een derde; een vordering tijdens het faillissement ingesteld door een gelaedeerde schuldeiser moet worden afgewezen als zij die strekking heeft. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen Vrije woorden: Fout van een derde - Collectieve schade - Individuele schuldeiser - Vorderingsrecht Wettelijke bepalingen: Wet - 18-04-1851 - Artt. 444, 452, 470, 479, en 487, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1851041850 Wet - 18-04-1851 - Artt. 496, 528, en 561, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1851041850 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0079.N R. F., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Hasselt 3, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 100, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 57, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 444, 452, 470, 479, 487, eerste lid, 496, 528, 561, eerste lid, van de wet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, die boek III van het Wetboek van Koophandel vormt, zoals van toepassing vóór haar vervanging door de wet van 8 augustus 1997; - de artikelen 80, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 13 april 1995, 80, zoals van toepassing sinds de wijziging bij wet van 13 april 1995, 103, 137 en 140 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, artikelen 98, 332 en 633 van het Wetboek van Vennootschappen, artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest verklaart het Hof van Beroep te Ant¬werpen, recht doende op het hoger beroep van de Belgische Staat, verweerder, het hoger beroep ont¬vankelijk en gegrond, doet het bestreden vonnis, waarbij de vor¬dering van de Staat ontoelaatbaar werd verklaard, teniet en, opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiser tot betaling van 81.666,66 euro, te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf 1 januari 1995 en de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen: "2. Volgens (de eiser) hierin gevolgd door de eerste rechter, is de vordering bo¬vendien niet toelaatbaar omdat enkel de curator, als vertegenwoordiger van alle schuldeisers, deze vordering kan instellen. De aansprakelijkheidsvordering van een individuele schuldeiser kan inderdaad niet toegewezen worden, in zover hierdoor het beginsel van de gelijkheid tussen alle schuldeisers in het gedrang komt. In casu wordt echter niet aangetoond dat de vordering van (de verweerder) de belangen van eventuele andere schuldeisers zou schaden. Bovendien werd de zaak behandeld nadat het faillissement werd afgesloten. Reeds in zijn eerste besluiten verwijst (de verweerder) naar het vonnis van 18 november 1996 waarbij het faillissement werd afgesloten. Het toekennen van de gevorderde schadevergoeding kan dus geen schending uitmaken van de belangen van andere schuldeisers. De oorspronkelijke vordering was derhalve ontvankelijk en toelaatbaar". Daarna overweegt het bestreden arrest verder: "(De eiser) levert het bewijs niet dat de door hem begane overtredingen geen invloed hebben gehad op het faillissement en het teloorgaan van de activa van de vennootschap. Derhalve wordt bij toepassing van hoger vermelde artikelen, de schade van (de verweerder) geacht het gevolg te zijn van deze overtredingen. De schade van (de verweerder) bestaat in het verlies van de mogelijkheid om de belastingen te kunnen innen, rechtstreeks van de vennootschap, of via de uitkering van een dividend uit het faillissement". Grieven Overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Hoedanigheid en belang worden bovendien beoordeeld op het tijdstip van inleiding van de vordering. Overeenkomstig artikel 444 van de Faillissementswet van 18 april 1851 verliest de gefailleerde, te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring, van rechtswege het beheer over al zijn goederen en wordt dat beheer toevertrouwd aan de curator, die, benoemd door de rechtbank van koophandel als gerechtelijk mandataris, de bij de wet bepaalde machten uitoefent in het belang van de gezamenlijke schuldeisers en van de gefailleerde. De algemene opdracht van de curator in het faillissement bestaat meer bepaald erin het actief van de gefailleerde te gelde te maken, door na¬melijk de rechtsvorderingen in te stellen die de gefailleerde had kunnen instellen, en het opgebrachte geld te verdelen. De curator oefent voor rekening van de boedel alle vorderingen uit die verband houden met het gemeenschappelijk onderpand van de schuldeisers, inzonderheid de vorderingen die strekken tot de wedersamenstelling, de bescherming of de vereffening van het vermogen. Gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers, waarvan de uitoefening aan de curator is voorbehouden, zijn de rechten die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie dan ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd of het actief wordt verminderd. Indien de individuele schuldeiser, hangende de faillissements¬procedure, verder zijn individuele rechten kan uitoefenen, inzonderheid deze die strekken tot het bekomen van een vergoeding van de schade, die hij ten individuele titel heeft geleden ingevolge de fout van een derde, kan hij bijgevolg in geen geval in eigen naam aanspraak maken op vergoeding van schade die is te aanzien als collectieve schade, zijnde schade die gemeen is aan alle schuldeisers. De schade, bestaande in het verlies van de mogelijkheid betaald te worden, rechtstreeks van de vennootschap of via een uitkering van een di¬vidend uit het faillissement, ingevolge het teloorgaan van de activa van de vennootschap, is per definitie een schade die gemeen is aan alle schuldeisers van de gefailleerde, waarvoor alleen de curator bevoegd is om op te treden. Waar blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest de door de verweerder geleden schade, waarvoor hij bij vordering, betekend op 13 sep¬tember 1996, hetzij nadat de schuldenaar bij vonnis van 29 mei 1996 was failliet verklaard, van eiser vergoeding vorderde, bestond in het verlies van de mogelijkheid om zijn schuldvordering, met name de belastingen, te innen, rechtstreeks van de vennootschap of via de uitkering van een dividend uit het faillissement, en dit ingevolge het teloorgaan van de activa van de gefailleerde vennootschap, strekte de vordering derhalve tot vergoeding van schade die aan alle schuldeisers gemeen was. Zodoende was de curator, met uitsluiting van verweerder, be¬voegd om tijdens de faillissementsprocedure deze vordering, gestoeld op de schending van de artikelen 80 en 103 van de gecoördineerde vennootschappenwet (thans de artikelen 98, 332 en 633 van het Wetboek van Vennootschappen), in rechte te laten gelden. Besluit Op grond van de gedane vaststellingen van het bestreden arrest, waaruit duidelijk blijkt dat verweerders vordering ertoe strekte vergoeding te bekomen voor schade die gemeen was aan alle schuldeisers van de gefailleerde vennootschap, met name het verlies van de mogelijkheid om van zijn schuldvordering betaling te bekomen, rechtstreeks van de vennootschap of via de uitkering van een dividend uit het faillissement, ingevolge het teloorgaan van de activa van de vennootschap, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat de vordering, door verweerder ingesteld hangende het faillis¬sement in miskenning van de uitsluitende bevoegdheid van de curator terzake, ontvankelijk was (schending van de artikelen 17 van het Gerechtelijk Wetboek, 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 444, 452, 470, 479, 487, eerste lid, 496, 528, 561, eerste lid, van de wet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling die boek III van het Wetboek van Koophandel vormt, zoals van toepassing vóór haar vervanging door de wet van 8 augustus 1997, 80, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 13 april 1995, 80 zoals van toepassing sinds de wijziging bij wet van 13 april 1995, 103, 137, 140 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, 98, 332 en 633 van het Wetboek van Vennootschappen). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 2, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 80, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 13 april 1995, 103, 137 en 140 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, artikelen 28 en 113, eerste lid, van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 no¬vember 1935; - de artikelen 332 en 633 van het Wetboek van Vennootschappen; - de artikelen 5, 774, 1042 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de rechter gehouden is om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsregel, van toepassing op de voor hem gebrachte vordering, te bepalen en deze toe te passen, welk onder meer vervat ligt in artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest verklaart het Hof van Beroep te Ant¬werpen, recht doende op verweerders hoger beroep, diens hoger beroep ont¬vankelijk en gegrond, doet het bestreden vonnis, waarbij verweerders vor¬dering ontoelaatbaar werd verklaard, teniet en, opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiser tot betaling van 81.666,66 euro, te vermeerderen met de wettelijke interest vanaf 1 januari 1995 en de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen: "(De eiser) betwist niet dat er geen bijzondere algemene vergadering werd gehouden, toen de belangrijke verliezen vastgesteld werden, en dat er sinds 1992 geen jaarrekeningen meer worden gemaakt of neergelegd. (De eiser) betwist dat deze overtredingen het faillissement, of het teloorgaan van de activa hebben veroorzaakt. Bij overtreding van de artikelen 80 en 103 van de Vennootschapswet, wordt de schade van derden geacht een gevolg te zijn van de overtreding, tenzij de overtreder het tegenbewijs levert. Dit tegenbewijs wordt in casu niet geleverd: De aanslagen in de vennootschapsbelasting tonen aan dat de vennootschap winst maakte en dus rendabel was. Desondanks ging de vennootschap failliet. (De eiser) verschaft geen enkele inlichting omtrent de wijze waarop deze winsten de vennootschap hebben verlaten, noch over het werkelijke verloop van de financiële situatie van de vennootschap. Deze informatie is nochtans essentieel om de handelwijze en de eventuele fouten van (de eiser) te kunnen beoordelen. (De eiser) levert het bewijs niet dat de door hem begane overtredingen geen invloed hebben gehad op het faillissement en het teloorgaan van de activa van de vennootschap. Derhalve wordt bij toepassing van hoger vermelde artikelen, de schade van (de verweerder) geacht het gevolg te zijn van deze overtredingen". Grieven Eerste onderdeel Uit de lezing van het bestreden arrest volgt dat het hof van beroep in onderhavige zaak vooreerst de overtreding weerhield van artikel 103 van de gecoördineerde Vennootschapswet, ingevolge artikel 140 van de gecoördi¬neerde Vennootschapswet ook van toepassing op de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, naar luid waarvan de algemene ver¬gadering moet bijeenkomen binnen een termijn van ten hoogste twee maanden nadat het verlies is vastgesteld of krachtens wettelijke of statutaire bepalingen had moeten worden vastgesteld om, in voorkomend geval, volgens de regels die voor een statutenwijziging zijn gesteld te beraadslagen en te besluiten over de ontbinding van de vennootschap en eventueel over andere in de agenda aangekondigde maatregelen. Deze regel is van toepassing wanneer tengevolge van geleden verliezen het netto-actief gedaald is tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal. Het bewijs dat aan deze vereiste is voldaan moet worden ge¬leverd door de partij die zich op de overtreding van deze wetsbepaling beroept. Slechts wanneer aan deze voorwaarde is voldaan zal de derde zich kunnen beroepen op het vermoeden van oorzakelijkheid tussen de door hem geleden schade en het ontbreken van bijeenroeping van de algemene vergadering. Te dezen blijkt uit eisers beroepsbesluiten dat hij uitdrukkelijk betwistte deze bepaling geschonden te hebben. Inderdaad stelde hij op pagina 8 onder de hoofding "A. Overtreding van de vennootschapswetgeving,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.