← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.5 Rolnummer: P.07.1415.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 585 - laatst gezien 2026-07-03 16:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Geen enkele bepaling van de Taalwet Gerechtszaken ontslaat de rechter in correctionele zaken ervan kennis te nemen van stukken die in een andere taal dan die van de procedure zijn gesteld, als die stukken hem regelmatig zijn voorgelegd. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Stukken regelmatig voorgelegd aan de rechter - Stukken in een andere taal dan de taal van de procedure Fiche 2 De partijen mogen zich in de loop van het debat beroepen op welk stuk ook waarvan het gebruik rechtmatig is, zich daarover uitlaten, het al dan niet vertalen als het in een andere taal dan die van de rechtspleging is opgemaakt, onder voorbehoud van het recht van de tegenpartij om de gemaakte vertaling te betwisten, eventueel een officiële vertaling aan te vragen en onverminderd het recht van de rechter om ambtshalve de vertaling ervan te bevelen, mocht dat nodig zijn

(1).
(1)Cass., 8 sept. 1988, AR 8323, A.C., 1988-1989, nr
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken Vrije woorden: Stukken in een andere taal dan de taal van de procedure - Recht van de partijen om er zich op te beroepen Tekst van de beslissing Nr. P.07.1415.N B P, burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen K A L R, beklaagde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Leuven van 6 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel heeft betrekking op de beslissing over de vergoeding voor materiële schade wegens bestendige arbeidsongeschiktheid na 1 maart
  4. Eerste onderdeel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 6, in het bijzonder 6.1 EVRM, 14, in het bijzonder 14.1 IVBPR, 2, 14, 24, 31, 32, 34, 35, 36, 37, 40, 41 Taalwet Gerechtszaken, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, zoals verwoord in de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR: de appelrechters hebben onterecht geweigerd rekening te houden met een Engelstalig stuk dat de eiser hen had overgelegd.
  6. Geen enkele bepaling van de Taalwet Gerechtszaken ontslaat de rechter in strafzaken kennis te nemen van stukken die in een andere taal dan die van de procedure zijn gesteld, als die stukken hem regelmatig zijn overgelegd.
  7. De partijen mogen zich in de loop van het debat beroepen op welk stuk ook waarvan het gebruik rechtmatig is, zich daarover uitlaten, het al dan niet vertalen als het in een andere taal dan die van de rechtspleging is opgemaakt, onder voorbehoud van het recht van de tegenpartij om de gemaakte vertaling te betwisten, eventueel een officiële vertaling aan te vragen en onverminderd het recht van de rechter om ambtshalve de vertaling ervan te bevelen, mocht dat nodig zijn.
  8. De eiser heeft ter staving van zijn eis tot het verkrijgen van een vergoeding wegens materiële schade ingevolge bestendige arbeidsongeschiktheid na 1 maart 2007 een Engelstalige verklaring van zijn werkgever aan de appelrechters overgelegd.
  9. De appelrechters hebben met betrekking tot dat stuk geoordeeld dat ze "op grond van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken van 15 juni 1935 evident geen rekening houden met documenten of verklaringen die niet in het Nederlands werden opgesteld of vertaald". Aldus hebben de appelrechters eisers recht van verdediging miskend. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  10. Het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord. Tweede middel
  11. Het middel heeft betrekking op de vergoeding voor de materiële schade wegens bestendige arbeidsongeschiktheid voor de periode van 1 juli 2003 tot 1 maart
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, 23 tot en met 28 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het algemeen beginsel inzake het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken, zoals dat besloten ligt in artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Eerste onderdeel
  13. De appelrechters hebben geoordeeld dat het beroepen vonnis een juiste vergoeding heeft toegekend voor de materiële schade wegens bestendige arbeidsongeschiktheid tijdens de periode van 1 juli 2003 tot 1 maart
  14. De appelrechters hebben hun beslissing daarover laten steunen op de navolgende redenen: "Die schade werd door de politierechter gedeeltelijk vergoed onder punt B.2 bladzijde 4 en 5 van het [beroepen] vonnis en onder punt B.6 bladzijde 7 van hetzelfde vonnis. Het gaat niet op hiervoor nu een afzonderlijke en bijkomende schadevergoeding te vorderen, die overigens door niets wordt gestaafd. (...) De politierechter heeft een juiste schadevergoeding toegekend en er wordt niet aangetoond waarom die onredelijk of onbillijk zou zijn."
  15. Punt B.2 van het beroepen vonnis heeft betrekking op de vergoeding voor de meerinspanningen tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot 3 september
  16. Punt B.6 slaat op de morele schade wegens bestendige arbeidsongeschiktheid.
  17. De appelrechters die op die gronden uitspraak doen over de schadevergoeding voor de materiële schade wegens bestendige arbeidsongeschiktheid tijdens de periode van 1 juli 2003 tot 1 maart 2007, hebben hun beslissing over de schade niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vergoeding voor materiële schade wegens bestendige arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juli
  19. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser in een vierde en de verweerster in de overige drie vierde van de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Brussel, zitting houdend in hoger beroep. Begroot de kosten op 142,27 euro, waarvan 112,27 euro verschuldigd en 30 euro betaald is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 22 januari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190527.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.