id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 26
, § 3 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Rechtscollege - Zaak die spoedeisend is en waarin de uitspraak slechts een voorlopig karakter heeft - Verplichting om een prejudiciële vraag te stellen Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Fiches 3 - 4 Wanneer een aangehoudene voor het onderzoeksgerecht verschijnt met het oog op zijn verwijzing naar het gerecht bevoegd om de zaak ten gronde te beoordelen, is de zaak spoedeisend als bedoeld in artikel 26, § 3, Arbitragehof
(1).
(1)Zie: Cass., 11 dec. 2001, AR P.01.1535.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011211.9, A.C., 2001, nr 694; Cass., 2 dec. 2003, AR P.03.1292.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.9, A.C.,
- nr
- Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Onderzoeksgerechten - Aangehoudene - Verschijning met het oog op de verwijzing naar het bodemgerecht - Spoedeisend karakter van de zaak Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Onderzoeksgerechten - Aangehoudene - Verschijning met het oog op de verwijzing naar het bodemgerecht - Spoedeisend karakter van de zaak Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Fiches 5 - 6 Het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de verwijzing naar het gerecht om de zaak ten gronde te beoordelen, doet geen uitspraak over de grond van de strafvordering; de beslissing van dat gerecht is geen eindbeslissing en heeft bijgevolg een voorlopig karakter als bedoeld in artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Arbitragehof. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Onderzoeksgerechten - Verwijzing naar het bodemgerecht - Voorlopig karakter van de beslissing Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Onderzoeksgerechten - Verwijzing naar het bodemgerecht - Voorlopig karakter van de beslissing Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Fiche 7 Ook al vermeldt artikel 19, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken, enkel de hoven van assisen van Henegouwen, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant, uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat het nooit de bedoeling van de wetgever is geweest om met toepassing van artikel 20, tweede lid, van die wet een verwijzing naar het hof van assisen van de provincie Luik uit te sluiten. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in strafzaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Verwijzing naar het hof van assisen - Artikel 19 Taalwet Gerechtszaken - Artikel 20 Taalwet Gerechtszaken Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 19, eerste lid, en 20, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1760.N I PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, eiser, tegen
- D C, inverdenkinggestelde, aangehouden,
- G D S C J, inverdenkinggestelde, aangehouden,
- N M, inverdenkinggestelde, aangehouden,
- F O, inverdenkinggestelde, aangehouden,
- G D, burgerlijke partij,
- R D, burgerlijke partij,
- L D, burgerlijke partij, verweerders. II
- G D, reeds vermeld, burgerlijke partij,
- R D, reeds vermeld, burgerlijke partij,
- L D, reeds vermeld, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt, tegen
- D C, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden,
- G D S C J, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden,
- N M, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden,
- F O, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden, verweerders. III F O, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden, met als raadsman mr. Marc Nève, advocaat bij de balie te Luik, eiser. IV G D S C J, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Michèle Moeremans, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Jean - Louis Berwart, advocaat bij de balie te Luik. V N M, reeds vermeld, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, III, IV en V tegen:
- G D, reeds vermeld,
- R D, reeds vermeld,
- L D, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 oktober
- De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De overige eisers voeren geen middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre de cassatieberoepen III, IV en V gericht zijn tegen de verwijzings¬beslissing, geeft de verklaring van de eisers de gronden van hun cassatieberoep niet op. Krachtens artikel 292bis Wetboek van Strafvordering, is het onmiddellijk cassatieberoep van de beschuldigde tegen het arrest van verwijzing, onverminderd artikel 416, tweede lid, van hetzelfde wetboek, beperkt tot de in dat artikel vermelde gevallen. In zoverre de cassatieberoepen III, IV en V betrekking hebben op andere gevallen dan die waarin onmiddellijk cassatieberoep is toegelaten, zijn zij niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers II
- Voor de kamer van inbeschuldigingstelling hebben de eisers aangevoerd dat artikel 20 Taalwet Gerechtszaken de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt doordat het uitsluitend aan de beschuldigde het recht verleent de verwijzing naar een hof van assisen van een andere taal te vragen, terwijl de burgerlijke partijen dit recht niet hebben. Zij hebben de kamer van inbeschuldigingstelling verzocht daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het arrest oordeelt dat gelet op het spoedeisend karakter van de zaak, de prejudiciële vraag niet moet worden gesteld.
- Het middel voert aan dat het arrest aldus artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Arbitragehof schendt, daar de in dat artikel bepaalde uitzonderingsregel die toelaat geen prejudiciële vraag te stellen, niet is vervuld.
- Artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Arbitragehof bepaalt: "Behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het [Grondwettelijk Hof] aanhangig is, is een rechtscollege zowel in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, als in het geval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen".
- Artikel 5.
- EVRM bepaalt dat iedere aangehoudene het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dit brengt met zich mee dat wanneer een aangehoudene voor het onderzoeksgerecht verschijnt met het oog op zijn verwijzing naar het gerecht bevoegd om de zaak ten gronde te beoordelen, de zaak spoedeisend is als bedoeld in artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Arbitragehof.
- Het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de verwijzing naar het gerecht bevoegd om de zaak ten gronde te beoordelen, doet geen uitspraak over de grond van de strafvordering. De beslissing van dat gerecht is geen eindbeslissing en is bijgevolg voorlopig.
- Het arrest verwijst de verweerders naar het hof van assisen. Het oordeelt dat de voorlopige hechtenis en het bevel tot gevangenneming de zaak spoedeisend maken zodat niet kan worden ingegaan op het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet aangenomen worden. Tweede middel van de eisers II
- Het middel voert schending aan van artikel 20, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken: het arrest verwijst de verweerders naar het Hof van Assisen van de Provincie Luik, terwijl de voornoemde wetsbepaling enkel voorziet in de verwijzing naar de hoven van assisen van de provincies Henegouwen, Luxemburg, Namen en Waals Brabant.
- Artikel 20, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, bepaalt: "De beschuldigde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, en die voor het hof van assisen van een der in artikel 19, tweede lid, aangeduide provinciën moet worden gebracht, zal, zo hij het aanvraagt, door de kamer van inbeschuldigingstelling, voor het hof van assisen van een der in artikel 19, eerste lid, aangeduide provinciën worden verwezen, of voor het Hof van Assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad".
- Ook al vermeldt artikel 19, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken, enkel de hoven van assisen van Henegouwen, Luxemburg, Namen en Waals Brabant, uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat het nooit de bedoeling van de wetgever is geweest met toepassing van artikel 20, tweede lid, van die wet een verwijzing naar het hof van assisen van de Provincie Luik uit te sluiten. Het middel faalt naar recht. Middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3, a en e, EVRM: de eiser heeft in zijn voor de kamer van inbeschuldigingstelling neergelegde conclusie uiteengezet dat "tot de niet ontvankelijkheid besloten kon worden om reden dat eiser, ondanks herhaaldelijke verzoeken, geen beschikking kon hebben over een gratis tolk teneinde kennis te nemen van het strafdossier".
- Het middel preciseert evenwel niet hoe en waardoor het arrest de vermelde verdragsbepalingen schendt. Het middel is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Beslissing tot gevangenneming
- Wat de beslissingen betreft waarbij de gevangenneming van de eisers III, IV en V alsmede de onmiddellijke uitvoering ervan wordt bevolen, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en zijn de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Laat de kosten van het cassatieberoep van de eiser I ten laste van de Staat Veroordeelt de overige eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 347,19 euro, waarvan de eiser I 18,18 euro verschuldigd, de eisers II 105,61 euro verschuldigd en 30 euro betaald heeft, de eiser III 55,65 euro verschuldigd is, de eiser IV 82,10 euro verschuldigd en de eiser V 55,65 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 22 januari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011211.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031202.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div