← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080124.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080124.2 Rolnummer: C.06.0135.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-02-06 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-07-03 05:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het beheer van een financiële rekening kan onder meer behelzen het uitschrijven van cheques op deze rekening en het ondertekenen ervan, het uitvoeren van overschrijvingen en het uitschrijven van permanente opdrachten, het gelasten van betalingen, zonder beperking van bedrag, het afhalen van gelden en interest; dit zijn niet noodzakelijk daden van beschikking. Thesaurus CAS: LASTGEVING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Lastgeving - Algemeen Vrije woorden: Beheer van een financiële rekening - Begrip - Aard Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1988 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0135.N H.A., eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen G.G., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 4.1 en 4.2 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomst, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987 (B.S. 9 oktober 1987). Aangevochten beslissingen Met bevestiging van het eerste vonnis veroordeelt het bestreden arrest de eiser om aan de verweerster de som van 278.799,80 euro te betalen op grond van de redenen dat "de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat de overeenkomst de nauwste band (in de zin van artikel 4.1 en 2 van het verdrag van Rome) heeft met België en derhalve dient beoordeeld te worden volgens het Belgisch Recht". Grieven Op pagina 3/14 van zijn synthesebesluiten voor de appelrechter had de eiser precies aangevoerd en geconcretiseerd dat de nauwste band bestond met het Luxemburgse recht, gelet op het feit dat de plaatsing der gelden, het verlenen van de volmacht en het ter beschikking stellen van de gelden conform het Luxemburgse recht gebeurden in Luxemburg. De appelrechter beantwoordt dit verweer niet en schendt mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Bovendien schendt de appelrechter de artikelen 4.1 en 4.2 van het Verdrag van Rome in zoverre hij, zonder verdere aanwijzing en verduidelijking van aanknopingspunt, het Belgische recht van toepassing verklaart. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1134, 1135, 1988, tweede lid, en 1993 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Met bevestiging van het eerste vonnis veroordeelt het bestreden arrest de eiser om aan de verweerster de som van 278.799,80 euro te betalen op grond van de redenen dat: "het mandaat van (de eiser) is beperkt tot al de reeds geopende en nog te openen rekeningen van (de verweerster) bij de BCEL en het verleent (de eiser) als lasthebber het recht met zijn handgeschreven of elektronische handtekening alle algemene bankoperaties met BCEL uit te voeren op naam en voor rekening van de lastgever, binnen het kader van de Algemene Voorwaarden voor Bankoperaties. Meer bepaald mag de lasthebber cheques uitgeven en ondertekenen, overschrijvingen en permanente opdrachten uitschrijven, betalingen gelasten via de rekening, zonder beperking van bedrag, geld en intresten afhalen, enz. Zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld is de volmacht van 4 september te kwalificeren als een bijzonder mandaat dat in algemene bewoordingen is opgesteld en omvat dit, krachtens artikel 1988 B.W., alleen de daden van beheer". en dat "(De eiser) bewijst evenmin noch biedt hij aan te bewijzen dat (de verweerster) hem (uitdrukkelijk of stilzwijgend) vrijstelling van de plicht tot rekenschap zou gegeven hebben". Grieven Eerste onderdeel Op pagina 3/14 van zijn samenvattende besluiten heeft de eiser bij citaat gewezen naar de clausule uit de volmacht "Elk deficit dat uit deze voornoemde operaties volgt, is ten laste van de volmachtgever", zodat deze vrijstelling van plicht dus wel deel uitmaakte van het verweer van de eiser. De appelrechter beantwoordt dit verweer niet en schendt mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Het bestreden arrest overweegt dat het gaat om een mandaat in algemene bewoordingen gesteld en derhalve, krachtens artikel 1988, eerste lid, van het Burgerlijk wetboek, enkel daden van beheer omvat en stelt gelijktijdig vast dat de eiser als lasthebber, cheques mag uitgeven en ondertekenen, overschrijvingen en permanente opdrachten mag uitschrijven, betalingen mag gelasten via de rekening, zonder beperking van bedrag, geld en intresten mag afhalen, enz. (p. 4 van het arrest), hetgeen onbetwistbaar daden van beschikking uitmaken. Door die beslissing schendt het bestreden arrest artikel 1988, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Met bevestiging van het eerste vonnis veroordeelt het bestreden arrest de eiser om aan de verweerster de som van 278.799,80 euro te betalen, zonder toepassing te maken van het door de eiser ingeroepen artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek en zonder de eventuele toepassing van deze wetsbepaling te bespreken. Grieven De eiser argumenteerde op pagina 4/14, sub 1.3.1 a,b,c van de samenvattende appelconclusie dat hij pro suo bezit en dat het bezit te goeder trouw en pro suo vermoed wordt. De appelrechter beantwoordt dit verweer niet en schendt mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Bovendien schendt de appelrechter artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek, door deze wetsbepaling niet toe te passen terwijl was voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing ervan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Door, met overname van de redenen van het beroepen vonnis, te oordelen dat de overeenkomst de nauwste band heeft met België, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing en verwerpt en beantwoordt hij het bedoelde verweer. 2. In zoverre het middel de artikelen 4.1 en 4.2 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, als geschonden aanwijst omdat de appelrechter het Belgisch recht zonder verdere aanwijzing en verduidelijking van aanknopingspunt toepasselijk verklaart, berust het middel eveneens op een onjuiste lezing van het arrest. Het arrest verwijst in dit verband naar de redenen van de eerste rechter. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 3. Het arrest oordeelt dat "(de eiser) ook nu niet aan(toont) dat hij op enige wijze door (de verweerster) zou zijn ontslagen van zijn verplichting als lasthebber om in toepassing van artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek rekenschap af te leggen aan (de verweerster) van de uitvoering van zijn opdracht", en "(de eiser) heeft op geen enkel ogenblik aangeboden om rekenschap af te leggen". 4. Aldus beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer en oordeelt het dat dit beding omtrent het deficit niet inhield dat geen rekenschap meer diende te worden gegeven. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 5. Artikel 1988, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat lastgeving, in algemene bewoordingen uitgedrukt, alleen de daden van beheer omvat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat om goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, of om enige andere daad van eigendom te verrichten, een uitdrukkelijke lastgeving vereist is. 6. Het beheer van een financiële rekening kan onder meer behelzen het uitschrijven van cheques op deze rekening en het ondertekenen ervan, het uitvoeren van overschrijvingen en het uitschrijven van permanente opdrachten, het gelasten van betalingen, zonder beperking van bedrag, het afhalen van gelden en interest. 7. Het onderdeel dat ervan uit gaat dat de verrichtingen bedoeld onder randnummer 6 noodzakelijk daden van beschikking zijn, kan niet worden aangenomen. Derde middel 8. Door te oordelen dat het bedrag waartoe de eiser is veroordeeld door hem is ontvangen in zijn hoedanigheid van lasthebber en dat hij hierover geen rekenschap heeft gegeven, beantwoordt en verwerpt de appelrechter het verweer dat eiser pro suo bezat en dat hij vermoed werd te bezitten te goeder trouw. 9. In zover het middel artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek als geschonden aanwijst, gaat het uit van de vergeefs aangevoerde hypothese dat de eiser de gelden die hij als lasthebber heeft afgehaald pro suo bezat. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 596,73 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheer Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 24 januari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080124.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.