id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080124.5 Rolnummer: C.07.0372.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 233 - laatst gezien 2026-07-03 05:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De aard van de schuldvordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon, die in de regel schriftelijk wordt vastgelegd en niet onmiddellijk wordt voldaan,staat er aan in de weg dat de bedoelde vijfjarige verjaringstermijn als een bijzondere korte,op een vermoeden van betaling gesteunde en zodoende kwijtende verjaringstermijn wordt aangezien. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Advocaten (verjaring) Vrije woorden: Advocaat - Schuldvordering kosten en ereloon - Vijfjarige verjaringstermijn - Aard Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2276bis, § 2 Thesaurus CAS: ADVOCAAT UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Advocaten (verjaring) Vrije woorden: Schuldvordering kosten en ereloon - Vijfjarige verjaringstermijn - Aard Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2276bis, § 2 Annotaties Publicaties: R.A.B.J. - Nico CLIJMANS; De verjaring van de vordering strekkende tot betaling van erelonen en kosten van de advocaat is bevrijdend, niet kwijtend, van aard. - 2008, 646-657 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0372.N D.R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- O.M., en,
- D.R., samenwonende te , verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 maart 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2274, 2275 en 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart de vordering van de eiser strekkende tot veroordeling van de verwerende partijen tot betaling van zijn onkosten en erelonen verjaard op grond van de volgende overwegingen: "Op grond
- De verjaring 1.
- Het bestreden vonnis verklaart de vordering van (de eiser) verjaard in toepassing van artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek onder volgende motivering: - de verjaringstermijn begint te lopen vanaf 10 februari 1997 om te eindigen ten laatste op 10 februari 2002; - (de verweerders) hebben het recht van (de eiser) op een saldo boven de reeds betaalde provisies van 4.584,99 euro (184.958 BEF) niet erkend; de verjaring is niet geschorst voor de duur van de onderhandelingen; - de verjaring van artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek steunt niet op een vermoeden van betaling waardoor, indien er alsnog een schriftelijk bewijs van schuld zou zijn bestaan, de korte verjaringstermijn van vijf jaar zou worden vervangen door de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar (bevrijdende verjaring). 1.2 (De eiser) stelt dat de in artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verjaring behoort tot de zogenaamde korte verjaringen waarop de artikelen 2274 en 2275 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn en dat die verjaring wordt gestuit door een schulderkenning, waardoor er een nieuwe verjaringstermijn van tien jaar loopt. (De verweerder) sluit zich aan bij de redengeving van de eerste rechter en houdt staande dat de vijfjarige verjaring niet steunt op een vermoeden van betaling, doch dat het om een bevrijdende verjaring gaat. 1.3.
- Krachtens artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek verjaart de vordering van advocaten tot betaling van kosten en ereloon na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak. De partijen zijn het oneens over de aard van die verjaring: een korte verjaring, gebaseerd op vermoeden van betaling of een bevrijdende verjaring die de schuld laat bestaan doch de rechtsvordering tot betaling van die schuld teniet doet. De bevrijdende verjaring laat niet meer toe na te gaan of al dan niet werd betaald. 1.3.2 Volgens (de eiser) was het de uitdrukkelijke bedoeling de nieuwe bepaling van artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek het oude artikel 2273 van het Burgerlijk Wetboek te vervangen, dat handelde over de rechtsvordering van pleitbezorgers tot betaling van hun ereloon en kosten. De wetgever zou hebben beoogd om de rechtsvordering met hetzelfde voorwerp van de pleitbezorgers aan dezelfde verjaring te onderwerpen omdat hun taak na de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek grotendeels door de advocaten werd overgenomen. Het oude artikel 2273 van het Burgerlijk Wetboek viel inderdaad onder het regime van de korte verjaringen. De korte verjaringen zijn gegrond op het vermoeden van betaling. Dat vermoeden van betaling valt weg zodra een geschrift het bestaan van de schuld, hetzij het ontstaan of het tenietgaan ervan, vaststelt. Bij het opstellen van een geschrift verliest het stelsel van de korte verjaringen zijn reden van bestaan. Het louter bestaan van een geschrift zet de verjaring om in de algemene regel: de verjaring van 10 jaar overeenkomstig artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dat regime van de korte verjaringen valt niet te verzoenen met de vijfjarige verjaring van de vordering van advocaat tot betaling van kosten en ereloon. Van die schuldvordering wordt gewoonlijk een geschrift opgesteld hetzij bij het ontstaan, hetzij bij het tenietgaan van de schuld. Zelf wanneer de advocaat bij de aanvang van het mandaat niet steeds het contract met zijn cliënt over het te betalen ereloon schriftelijk opstelt en tijdens de uitvoering van zijn opdracht niet geregeld bij geschrift de betaling van een provisie zou vragen, stelt hij in de regel bij het einde van zijn tussenkomst een ereloonstaat op met een nauwkeurige beschrijving van de verrichte prestaties en de kosten. In het stelsel van de korte verjaringen zou het opstellen van dergelijk geschrift de verjaringstermijn van vijf jaar van rechtswege doen ophouden te lopen en zou die verjaringstermijn van vijf jaar omzetten in een gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar overeenkomstig artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Door de vijfjarige verjaring onder te brengen in het regime van de korte verjaringen zou onderhavige vijfjarige verjaringstermijn dode letter worden nu die vijfjarige verjaringstermijn in de regel zou worden omgezet in een verjaringstermijn van tien jaar. Volgens de bijkomende overwegingen ondersteunen eveneens het stelsel van de bevrijdende verjaring. Het oude artikel 2273 van het Burgerlijk Wetboek organiseert het stelsel van de verjaring van de erelonen van de pleitbezorgers doch niet van het ereloon van de advocaten. Destijds was de vordering van het ereloon van de advocaten onderworpen aan de dertigjarige bevrijdende verjaring en geenszins gesteund op het vermoeden van betaling. Dat vermoeden van betaling was voorbehouden aan de rechtsvorderingen van notarissen (vijf jaar), pleitbezorgers (twee jaar) en gerechtsdeurwaarders (één jaar). Het artikel 2276bis komt in het Burgerlijk Wetboek niet voor op een plaats die is voorbehouden aan de korte verjaringen (de artikelen 2272 tot 2274 van het Burgerlijk Wetboek). Artikel 2276bis van het Burgerlijk Wetboek als korte verjaringstermijn zou het evenwicht kunnen doorbreken van de verschillende belangen die op het spel staan: het belang van de advocaat om betaald te worden en het belang van de cliënt om de aansprakelijkheid van zijn raadsman in te roepen in het geval waar de beide vorderingen een aanvang zouden nemen op dezelfde datum, met name het einde van de taak van de advocaat. De vijfjarige verjaring van de vordering tot betaling van het ereloon zou kunnen worden omgezet in een tienjarige verjaring terwijl de aansprakelijkheidsvordering na vijf jaar zou verjaren. (De eiser) die enige fout betwist, stelt zelf dat in het geval van een aansprakelijkheidsvordering van (de verweerders), de verjaring van vijf jaar is verworven wat zijn aansprakelijkheid voor de zogenaamde fouten betreft. Uit het voorgaande volgt dat de vijfjarige verjaring van de rechtsvordering van de advocaat tot betaling van de kosten en ereloon een bevrijdende verjaring is". (bestreden arrest, blz. 4 tot en met 7) De appelrechters stellen vervolgens vast dat de opdracht van eiser een einde nam op 10 februari 1997 en dat de termijn van vijf jaar niet werd gestuit (overwegingen arrest onder nr. 3, blz. 8 t.e.m 12) noch werd geschorst (overwegingen onder nr. 4, blz. 12-13). Grieven Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat het oorspronkelijk de bedoeling was deze bepaling in een artikel 2270bis van het Burgerlijk Wetboek op te nemen maar dat daarvan om louter formele redenen werd afgezien. Ondanks de plaats die artikel 2276bis, §2, in het Burgerlijk Wetboek inneemt is deze bepaling onderworpen aan het bijzonder regime van de zogenaamde korte verjaringen en dient de verjaring bepaald in dit wetsartikel beschouwd te worden als een kwijtende verjaring en niet als een bevrijdende verjaring, niet alleen omdat de wetgever dit probleem niet heeft gemerkt toen hij deze nieuwe bepaling verplaatste van artikel 2270bis naar artikel 2276bis, §2, maar vooral omdat het de uitdrukkelijke bedoeling was dat deze nieuwe bepaling het oude artikel 2273 van het Burgerlijk Wetboek zou vervangen dat handelde over de verjaring van de rechtsvordering van pleitbezorgers tot betaling van hun erelonen en kosten. Het lijdt geen twijfel dat het oude artikel 2273 van het Burgerlijk Wetboek wel viel onder het regime van de zogenaamde korte verjaringen. Uit deze wordingsgeschiedenis blijkt derhalve de onmiskenbare bedoeling van de wetgever om de rechtsvordering van de advocaten tot betaling van hun kosten en ereloon aan dezelfde verjaring te onderwerpen als voorheen de rechtsvordering met hetzelfde voorwerp van de pleitbezorgers wier taak na de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek grotendeels door de advocaten werd overgenomen. Uit een en ander vloeit voort dat de verjaring bepaald in artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek behoort tot de zogenaamde korte verjaringen die gestoeld zijn op een vermoeden van betaling en waarop derhalve de artikelen 2274 en 2275 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn. De eiser betoogde in zijn appelconclusie op die grondslag hetgeen volgt: "Anderzijds is het duidelijk dat, op het ogenblik dat het vermoeden van betaling zou worden weerlegd (zelfs zonder uitdrukkelijke schulderkenning) de verkorte verjaringstermijn niet meer van toepassing is". Anderzijds werd door verweerders erkend dat zij de gevorderde onkosten en erelonen niet hadden betaald. Door te beslissen dat de vijfjarige verjaring van de rechtsvordering van de advocaat tot betaling van kosten en erelonen een bevrijdende verjaring is welke termijn enkel kan worden gestuit krachtens de artikelen 2244 en 2248 of worden geschorst krachtens artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek en door op die grondslag de vordering van eiser verjaard te verklaren zonder te onderzoeken of het vermoeden van betaling al dan niet werd weerlegd, schenden de appelrechters de in het middel aangeduide wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 2276bis, §2, van het Burgerlijk Wetboek, verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.
- De schuldvordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon is gesteund op de vertrouwensrelatie met de cliënt die in de regel een zekere duur kent. De aard van die schuldvordering, die in de regel schriftelijk wordt vastgelegd en niet onmiddellijk wordt voldaan, staat er aan in de weg dat de bedoelde vijfjarige verjaringstermijn als een bijzondere korte, op een vermoeden van betaling gesteunde en zodoende kwijtende verjaringstermijn wordt aangezien. Voorts blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 augustus 1985 betreffende de verjaring van de beroepsaansprakelijkheid van de advocaat en de bewaring van het archief, dat de wetgever in artikel 2276bis van het Burgerlijk Wetboek een evenwicht beoogt tussen de vijfjarige termijnen, eensdeels, in paragraaf 1 aangaande de beroepsaansprakelijkheid van de advocaat en de bewaring van de stukken en, anderdeels, in paragraaf 2 aangaande de schuldvordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon.
- Het middel dat er van uitgaat dat de in artikel 2276bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vijfjarige verjaringstermijn als een bijzondere korte, op een vermoeden van betaling gesteunde en zodoende kwijtende verjaringstermijn moet worden aangezien, derwijze dat, bij weerlegging van het vermoeden van betaling, de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing is, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 571,45 euro jegens de eisende partij en op de som van 102,84 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 januari 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080124.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div