← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.2 Rolnummer: P.07.1434.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 825 - laatst gezien 2026-07-03 14:16 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bendevorming van artikel 322, Strafwetboek, vereist een vereniging van fysieke personen, georganiseerd met het oog op de uitvoering van het oogmerk van die vereniging, dat bestaat in het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen; het voorwerp van dit misdrijf is de bendevorming zelf en niet de daarvan te onderscheiden misdrijven die het oogmerk van de bende zijn

(1).
(1)DE SWAEF M., "Bendevorming en criminele organisaties" in Commentaar Strafrecht en Strafvordering, nr 3, p. 4. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Begrip - Constitutieve bestanddelen Voorwerp Fiches 3 - 8 Artikel 42, eerste lid, Wet Accijnsproducten, en artikel 15, eerste lid, wet van 3 april 1997, betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, bepalen, sedert hun wijziging door, respectievelijk, artikel 320 en 324, van de Programmawet, van 22 december 2003, dat de accijns die verschuldigd is op accijnsproducten, die naar aanleiding van een overtreding op basis, al naar het geval, van artikel 39, Wet Accijnsproducten, of van artikel 13, van de wet van 3 april 1997, effectief in beslag worden genomen en naderhand worden verbeurdverklaard, of bij wege van transactie aan de Schatkist worden afgestaan, niet opeisbaar is; deze wetswijziging, die niet de straffen voor de overtredingen, maar de accijnsschuld betreft, heeft geen onmiddellijke werking op de vóór haar inwerkingtreding definitief verschuldigd geworden accijns
(1).
(1)Cass., 18 april 2006, AR P.05.1561.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1, A.C., 2006, nr 215; 28 nov. 2006, AR P.06.1047.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.7, A.C., 2006, nr
  1. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Artikel 42, eerste lid, Wet Accijnsprodukten - Wetswijziging ingevolge artikel 320 Programmawet van 22 december 2003 - Draagwijdte van de wetswijziging Artikel 42, eerste lid, Wet Accijnsprodukten - Wetswijziging - Artikel 320 Programmawet 22 december 2003 - Wetswijziging die niet de straf maar enkel de accijnsschuld betreft - Werking in de tijd Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Douane en accijnzen - Artikel 42, eerste lid, Wet Accijnsprodukten - Wetswijziging - Artikel 320 Programmawet 22 december 2003 - Wetswijziging die niet de straf maar enkel de accijnsschuld betreft - Gevolg Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Gefabriceerde tabak - Fiscaal stelsel - Artikel 15, eerste lid, Wet 3 april 1997 - Wetswijziging ingevolge artikel 324 Programmawet van 22 december 2003 - Draagwijdte van de wetswijziging Gefabriceerde tabak - Fiscaal stelsel - Artikel 15, eerste lid, Wet 3 april 1997 - Wetswijziging - Artikel 324 Programmawet 22 december 2003 - Wetswijziging die niet de straf maar enkel de accijnsschuld betreft - Werking in de tijd Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Douane en accijnzen - Gefabriceerde tabak - Fiscaal stelsel - Artikel 15, eerste lid, Wet 3 april 1997 - Wetswijziging - Artikel 324 Programmawet 22 december 2003 - Wetswijziging die niet de straf maar enkel de accijnsschuld betreft - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.07.1434.N I.
  2. W M J I, beklaagde,
  3. M S, beklaagde, eisers. II. G M A M V M, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 september
  4. De eisers I. voeren geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Het openbaar ministerie heeft de eiser II samen met vijf andere beklaagden vervolgd wegens de bendevorming van artikel 322 Strafwetboek, omschreven als: "deel uitgemaakt te hebben van een vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen, bestaande door het enkele feit van het inrichten der bende, de vereniging ten doel hebbende wanbedrijven te plegen, namelijk de misdrijven vermeld in proces-verbaal nr. 480/313/2001 (st. 12 tot met 42) opgesteld door de opsporingsinspectie van Douane & Accijnzen, te weten: - onwettig bezit en vervoer van 496.200 sigaretten merk Superkings en 422.000 sigaretten Regal, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes; - onwettig bezit van 18.852.580 sigaretten merk Superkings, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes". De Raadkamer van de Rechtbank te Hasselt verwees bij beschikking van 28 mei 2004 de andere beklaagden naar de correctionele rechtbank maar stelde de eiser II buitenvervolging. Nadien dagvaardde de Belgische Staat de eiser II, samen met de andere beklaagden, rechtstreeks voor de Correctionele Rechtbank te Hasselt wegens het misdrijf: "het voorhanden hebben op 26 oktober 2001 te Houthalen, Industriezone Zuid in de loods 2415 en Industriezone Centrum-Zuid in de loods 3053 (arrondissement Hasselt) of elders in het Rijk, van respectievelijk 45.915 pakjes sigaretten van de merken Superkings en Regal en 92.629 pakjes sigaretten van het merk Superkings, niet bekleed met Belgische fiscale bandjes, waarop de hieronder vermelde accijns en bijzondere accijns verschuldigd zijn: (...)". De eiser II voerde bij de correctionele rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering aan op grond van het non bis in idem-beginsel. Met haar vonnis van 21 juni 2006 verwierp de correctionele rechtbank dit verweermiddel. Ze achtte de schuld van de eiser II bewezen en sprak tegen hem de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar uit. Ze veroordeelde hem op burgerlijk gebied, solidair met anderen, tot betaling van de ontdoken accijnzen en bijzondere accijnzen. De eiser II kwam van dit vonnis in hoger beroep. Het bestreden arrest bevestigde het beroepen vonnis. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert miskenning aan van het non bis in idem-beginsel of het algemeen rechtsbeginsel inzake het gezag van gewijsde in strafzaken, en bijgevolg ook schending van de artikelen 6.1 EVRM, 14.7.1 IVBPR, 54 Schengenovereenkomst en 246 Wetboek van Strafvordering, die alle voormeld beginsel waarborgen, minstens schending van artikel 149 Grondwet: het beroepen vonnis, dat wordt overgenomen door het bestreden arrest, laat na de identiteit te toetsen van enerzijds, de bendevorming, anderzijds, het onwettig bezit van de sigaretten, aan de criteria van het non bis in idem-beginsel.
  6. Het bestreden arrest neemt de redenen van het beroepen vonnis over. Op grond daarvan oordeelt het dat het misdrijf (bendevorming) waarvoor de eiser buitenvervolging werd gesteld, en het misdrijf (onwettig bezit van sigaretten zonder fiscale bandjes) waarvoor de eiser rechtstreeks werd gedagvaard, niet hetzelfde feit betreffen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel inzake het gezag van gewijsde in strafzaken of van het non bis in idem-beginsel en schending van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.7.1 IVBPR, artikel 54 Schengenovereenkomst en artikel 246 Wetboek van Strafvordering: omwille van de concrete omstandigheden van datum, plaats en materieel feit, konden de appelrechters niet wettig oordelen dat de bendevorming en het onwettig bezit van sigaretten niet hetzelfde feit betroffen.
  8. De bendevorming van artikel 322 Strafwetboek vereist een vereniging van fysieke personen, georganiseerd met het oog op de uitvoering van het oogmerk van die vereniging, dat bestaat in het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen. Het voorwerp van dit misdrijf is de bendevorming zelf en niet de daarvan te onderscheiden misdrijven die het oogmerk van de bende zijn. De omstandigheid dat iemand geen lid is van de bende wier oogmerk het plegen van een bepaald misdrijf is, belet niet dat hij niettemin de dader of mededader kan zijn van dat bepaalde misdrijf, dat trouwens per definitie na de bendevorming plaatsgrijpt. Het bestreden arrest dat, door overname van de redenen van het beroepen vonnis, oordeelt dat het misdrijf van artikel 322 Strafwetboek, waarvoor de eiser II buitenvervolging werd gesteld, niet dezelfde feiten betreft als het tegen hem bewezen verklaarde douanemisdrijf dat ook naar de toepasselijk verklaarde wetsbepalingen een ander materieel feit betreft, verantwoordt op grond van die feitelijke vaststellingen, zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  9. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel inzake het gezag van gewijsde in strafzaken of het non bis in idem-beginsel en schending van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.7.1 IVBPR, artikel 54 Schengenovereenkomst en in het bijzonder artikel 246 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters konden niet wettig oordelen dat de buitenvervolgingstelling van de eiser "geen voldoende basis voor ne bis in idem" is, zonder het bestaan van nieuwe bezwaren vast te stellen sinds de beschikking tot buitenvervolgingstelling.
  10. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 266, § 1, AWDA, artikel 42, eerste lid, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, en artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak: na de verbeurdverklaring van de in beslag genomen sigaretten te hebben uitgesproken, vermochten de appelrechters de eiser II niet te veroordelen tot betaling van de ontdoken accijnzen, bijzondere accijnzen en interest.
  12. Artikel 42, eerste lid, wet van 10 juni 1997 en artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 april 1997 waarop het middel doelt, bepalen, sedert ze gewijzigd zijn door respectievelijk artikel 320 en 324 van de programmawet van 22 december 2003, dat de accijns die verschuldigd is op accijnsproducten die naar aanleiding van een overtreding op basis, al naar het geval, van artikel 39 van de wet van 10 juni 1997 of van artikel 13 van de wet van 3 april 1997, effectief in beslag worden genomen en naderhand worden verbeurdverklaard, of bij wege van transactie aan de Schatkist worden afgestaan, niet opeisbaar is. Deze wetswijziging betreft niet de straffen voor de overtredingen maar de accijnsschuld. Ze heeft geen onmiddellijke werking op de vóór haar inwerkingtreding definitief verschuldigd geworden accijns.
  13. Het bestreden arrest veroordeelt de eiser II voor het voorhanden hebben op 26 oktober 2001 van pakjes sigaretten niet bekleed met Belgische fiscale bandjes waarop de hieronder vermelde accijns en bijzondere accijns verschuldigd zijn. De door het middel bedoelde gewijzigde wetsbepalingen zijn daarop niet van toepassing. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering voor het overige
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 140,28 euro waarvan
  15. op de cassatieberoepen van W I en M S 70,14 euro verschuldigd is, en
  16. op het cassatieberoep van G V M 70,14 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 29 januari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110112.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130220.4 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220524.2N.13 ECLI:BE:EAOVL:2016:JUG.20160215.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060411.1 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080624.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140326.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.