← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5 Rolnummer: P.06.0898.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 720 - laatst gezien 2026-07-03 18:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer het Hof van Cassatie vaststelt, enerzijds, dat, anders dan in het geval van de controle van de bijzondere opsporingsmethode observatie en infiltratie bij toepassing van de artikelen 189ter en 235ter, Wetboek van Strafvordering, artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, een onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen bij toepassing van artikel 235bis, Wetboek van Strafvordering, en, anderzijds, dat de procedure van de artikelen 189ter en 235ter, Wetboek van Strafvordering, aan de ene kant en de procedure van artikel 235bis, aan de andere kant dermate vergelijkbaar zijn dat de vraag rijst of dit onderscheid wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11, Grondwet, stelt het hierover ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof

(1).
(1)Cass., 2 okt. 2007, AR P.07.0988.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.1, A.C., 2007, nr ...; 30 okt. 2007, AR P.07.1150.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071030.5, A.C., 2007, nr ..., met conclusie eerste advocaat-generaal De Swaef. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Fiches 3 - 4 Wanneer in een middel wordt aangevoerd dat artikel 235ter § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, in samenhang met het artikel 6, E.V.R.M., en artikel 14, I.V.B.P.R., schendt, voor zover dat personen die het voorwerp zijn van observatie voor de controle van de regelmatigheid van die observatie niet toegelaten worden om een kopie te verkrijgen van het strafdossier en slechts over een periode van 48 uren beschikken om inzage te doen in het strafdossier, terwijl andere personen, die zich in een vergelijkbare situatie bevinden omdat zij het voorwerp uitmaken van een even ingrijpende schending van hun privé-leven, zoals die zich voordoet bij een beschikking tot huiszoeking of een beschikking tot telefoontap, de regelmatigheid daarvan wél aan de hand van een kopie van het strafdossier kunnen toetsen en eveneens over een langere periode dan 48 uren beschikken om die regelmatigheid te controleren, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Controle van de regelmatigheid van een observatie of infiltratie - Controle van de regelmatigheid van een huiszoeking of telefoontap - Vergelijkbare opsporingsmethodes wat de schending van het privéleven betreft - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot verkrijgen van kopie van strafdossier en inzake de termijn van inzage in het strafdossier - Cassatiemiddel dat de onverenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW aanvoert - Verplichting voor het Hof van cassatie Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Controle van de regelmatigheid van een observatie of infiltratie - Controle van de regelmatigheid van een huiszoeking of telefoontap - Vergelijkbare opsporingsmethodes wat de schending van het privéleven betreft - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot verkrijgen van kopie van strafdossier en inzake de termijn van inzage in het strafdossier - Cassatiemiddel dat de onverenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW aanvoert - Verplichting voor het Hof van cassatie Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Fiches 5 - 6 Wanneer in een middel wordt aangevoerd dat de artikelen 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3°, en 5°, en 47septies, § 2, in samenhang met het artikel 235ter, § 2, Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, in samenhang met het artikel 6, E.V.R.M., schenden, voor zover dat de personen die het voorwerp zijn van de bijzondere opsporingsmethode observatie, niet toegelaten worden om in een contradictoir debat, in aanwezigheid van alle procespartijen aan de hand van alle stukken van het strafdossier met de nodige tijd en faciliteiten en met het tegensprekelijk horen van getuigen, de regelmatigheid te betwisten van de bijzondere opsporingsmethode observatie, terwijl andere personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden omdat zij het voorwerp uitmaken van een beschikking tot huiszoeking of een beschikking tot telefoontap, wel worden toegelaten om in een contradictoir debat, in aanwezigheid van alle procespartijen aan de hand van alle stukken van het strafdossier met de nodige tijd en faciliteiten en met het tegensprekelijk horen van getuigen, de regelmatigheid te betwisten van de beschikking tot huiszoeking of de beschikking tot telefoontap, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Controle van de regelmatigheid van een observatie of infiltratie - Controle van de regelmatigheid van een huiszoeking of telefoontap - Vergelijkbare opsporingsmethodes wat de schending van het privéleven betreft - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot het voeren van een contradictoir debat in aanwezigheid van alle procespartijen - Cassatiemiddel dat de onverenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW aanvoert - Verplichting voor het Hof van cassatie Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Controle van de regelmatigheid van een observatie of infiltratie - Controle van de regelmatigheid van een huiszoeking of telefoontap - Vergelijkbare opsporingsmethodes wat de schending van het privéleven betreft - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot het voeren van een contradictoir debat in aanwezigheid van alle procespartijen - Cassatiemiddel dat de onverenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW aanvoert - Verplichting voor het Hof van cassatie Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Tekst van de beslissing Nr. P.06.0898.N V I, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 3000 Gent, Recolettenlei 39-40, alwaar de eiser woonplaats kiest, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Elisabeth Baeyens, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 mei
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Het Hof heeft bij arrest van 31 oktober 2006 het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 109/2007 van 26 juli 2007 vastgesteld dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp was. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslager heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van hier de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie.
  3. Artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalde dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat. Dit bracht met zich dat daartegen geen cassatieberoep kon worden ingesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel bij arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering vernietigd. Aldus is het gemeen recht terug toepasselijk.
  4. Artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort cassatieberoep eerst openstaat na het eindarrest of het eindvonnis; de vrijwillige tenuitvoerlegging van die voorbereidende arresten of vonnissen kan in geen geval als middel van niet-ontvankelijkheid worden ingeroepen. Artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt evenwel dat het vorige lid niet van toepassing is op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, noch op arresten of vonnissen inzake de burgerlijke rechtsvordering die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, noch op arresten waarbij overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen, noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
  5. Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, is enerzijds een voorbereidend arrest en is anderzijds niet begrepen onder de uitzonderingen vermeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Hieruit volgt dat tegen dit arrest maar eerst cassatieberoep openstaat na het eindarrest of eindvonnis. Bijgevolg zou het cassatieberoep niet ontvankelijk zijn.
  6. Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, bij de regeling van de rechtspleging of in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak, de regelmatigheid van de rechtspleging. Anders dan in het geval van een controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, laat artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering onmiddellijk cassatieberoep toe tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. De procedure van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering van de ene kant en de procedure van artikel 235bis van de andere kant zijn evenwel dermate vergelijkbaar dat de vraag rijst of dit onderscheid wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet. Het Hof stelt hierover ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
  7. De eiser werpt in zijn vóór het arrest van het Hof van 31 oktober 2006 ingediende memorie twee andere prejudiciële vragen op. Een goede rechtspleging vereist hier dat deze vragen nu reeds aan het Grondwettelijk Hof worden gesteld. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof zal geantwoord hebben op volgende prejudiciële vragen:
  8. "Schenden artikel 235ter en/of artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bij een controle van het vertrouwelijk dossier overeenkomstig de artikelen 189ter en/of 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat een voorbereidend arrest is, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging dat een gelijkaardig voorbereidend arrest is als dit gewezen bij toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering?"
  9. "Schendt artikel 235ter, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met het artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR voorzover dat personen die het voorwerp zijn van observatie voor de controle van de regelmatigheid van die observatie niet toegelaten worden om een kopie te verkrijgen van het strafdossier en slechts over een periode van 48 uren beschikken om inzage te doen in het strafdossier, terwijl een categorie van andere personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden omdat zij het voorwerp uitmaken van een even ingrijpende schending van hun privéleven, zoals die zich voordoet bij een beschikking tot huiszoeking of een beschikking tot telefoontap, de regelmatigheid daarvan wél aan de hand van een kopie van het strafdossier kunnen toetsen en eveneens over een langere periode dan 48 uren beschikken om die regelmatigheid te controleren?"
  10. "Schenden de artikelen 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, en 47septies, § 2, in samenhang met het artikel 235ter, § 2, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met het artikel 6 EVRM voorzover dat de personen die het voorwerp zijn van de bijzondere opsporingsmethode observatie, niet toegelaten worden om in een tegensprekelijk debat, in aanwezigheid van alle procespartijen aan de hand van alle stukken van het strafdossier met de nodige tijd en faciliteiten en met het tegensprekelijk horen van getuigen, de regelmatigheid te betwisten van de bijzondere opsporingsmethode observatie terwijl een categorie van andere personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden omdat zij het voorwerp uitmaken van een beschikking tot huiszoeking of een beschikking tot telefoontap, wel worden toegelaten om in een tegensprekelijk debat in aanwezigheid van alle procespartijen aan de hand van alle stukken van het strafdossier met de nodige tijd en faciliteiten en met het tegensprekelijk horen van getuigen, de regelmatigheid te betwisten van de beschikking tot huiszoeking of de beschikking tot telefoontap?" Houdt ook de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 29 januari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.4 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071030.5 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140528.3 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.105 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.107 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.025 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.101 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.150 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071030.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.