id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.4 Rolnummer: C.06.0250.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 706 - laatst gezien 2026-07-03 16:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Vermits de schadeloosstelling in geval van onteigening alle schadeposten moet omvatten die de onteigende heeft geleden en die in oorzakelijk verband staan met de onteigening, zijn de door de onteigende gemaakte kosten van juridische bijstand, die in oorzakelijk verband staan met de onteigening, een bestanddeel van die billijke schadevergoeding
(1).
(1)Zie, voor de kosten van technische bijstand: Cass., 5 mei 2006, AR C.03.0068.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060505.3, A.C., 2006, nr
- Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 16 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Onteigening, verbeurdverklaring - art. 16-17 Vrije woorden: Onteigening - Billijke en voorafgaande schadevergoeding - Omvang - Kosten van juridische bijstand Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 16 Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Onteigening, verbeurdverklaring - art. 16-17 Vrije woorden: Billijke en voorafgaande schadevergoeding - Omvang - Kosten van juridische bijstand Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 16 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0250.N C.M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen HAVILAND, Intercommunale Maatschappij voor Ruimtelijke Ordening en de Economische Expansie van het Arrondissement Halle Vilvoorde, coöperatieve vennootschap, vertegenwoordigd door de heer M.V., voorzitter en de heer J.A., afgevaardigd beheerder, met kantoor te 1731 Asse (Zellik), Brusselsesteenweg 617, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder J.M., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 16 van de Grondwet; - artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hieronder afgekort als EVRM); - artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981; - het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid; - voor zoveel als nodig, artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vorde¬ring van de eiseres, het incidenteel beroep van de eiseres gedeeltelijk gegrond, bepaalt het de definitieve vergoeding toekomende aan de eiseres op 168.970,42 euro, veroordeelt het bijgevolg de verweerster tot betaling aan de eiseres van 47.695,95 euro te vermeerderen met de interest, veroordeelt het de eiseres tot teruggave aan de verweerster van de bedragen die werden geconsigneerd in de mate dat zij de in het arrest opgegeven sommen overschrij¬den, zegt het voor recht dat op dat terug te geven saldo interest verschuldigd is en wijst het eiseres voor het overige van haar vorderingen af, een en ander op grond van de volgende motieven: "VI. De billijke vergoeding:
- Wanneer iemand van zijn eigendom wordt ontzet ten algemenen nutte, in een geval en op de wijze bij de wet bepaald, heeft de onteigende recht op een voorafgaande en billijke schadeloosstelling. (...) De schuldvordering van de onteigende heeft geen numerieke geldsom tot voorwerp, maar een door de rechter te begroten vergoeding van de door de onteigende geleden schade; de schade moet volledig worden vergoed, zoals de schade, in de regel, ook volledig moet worden vergoed inzake contracten en inzake misdrijven of oneigenlijke misdrijven. (...)
- (De eiseres) vordert (...) een vergoeding voor de kosten van haar verdediging en steunt daarbij op artikel 6 EVRM, op artikel 16 van de Grondwet en op het feit dat de administratie thuis is in alle knepen van het onteigeningsrecht en wordt bijgestaan door een schare van gespecialiseerde juridische en technische raadgevers. In de mate dat deze vordering samenvalt met de in artikel 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vordering tot vergoeding van de schade wegens tergend en roekeloos hoger beroep, blijkt uit de beoordeling van de standpunten van de partijen dat, indien het aanbod van (de verweerster) te laag was, de vordering van (de eiseres) op (haar) beurt te hoog was. Noch van het aanbod noch van de vordering kan evenwel worden be¬weerd dat de afwijking van de billijke vergoeding onaanvaardbaar was. Overigens is het beroep doen op een advocaat of een technisch raadsman door (de eiseres) op zichzelf niet noodzakelijk een bestanddeel van de schade waarvoor een billijke onteigeningsvergoeding moet worden toegekend; bijzondere, van de norma¬le gang van zaken voor de hoven en rechtbanken afwijkende omstandigheden die deze verdedigingskosten tot bestanddeel zouden maken van de vergoedbare schade, zijn niet bewezen in hoofde van (de eiseres). Van enige ongelijkheid tussen de huidige partijen, wat betreft hun bijstand door een advocaat, bestaat er ter zake zelfs geen aanwijzing". Grieven
- Eerste onderdeel 1.1.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Op de billijke en voorafgaande schadeloosstelling zijn de principes van schadeloosstelling bij onrechtmatige daad van toepassing: zij moet de volledige schade vergoeden die de onteigende als gevolg van de onteigening heeft geleden en moet in concreto worden begroot. Schade is elk nadeel, elk verlies, elke vermindering van iemands vermogen en kan bepaald worden door de vergelijking van twee toestanden: de reële toestand na het schade verwekkend feit en de hypothetische toestand die er geweest zou zijn indien het schadeverwekkend feit niet had plaatsgehad. Ook het causaal verband tussen de door de onteigende geleden schade en de onteige¬ning wordt beoordeeld zoals in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. Het veronderstelt dat zonder de fout, de schade, zoals ze zich heeft voorgedaan, niet had kunnen ontstaan. De verdedigingskosten van eiseres zijn bijgevolg, op grond van artikel 16 van de Grondwet, vergoedbare schade indien zij een vermindering uitmaken van het vermogen van eiseres die zich niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan indien de onteigening niet had plaatsgevonden. Artikel 16 van de Grondwet vereist voor de vergoedbaarheid van de verdedigingskosten ingevolge een onteigening niet het bestaan van bijzondere, van de normale gang van zaken voor de hoven en rechtbanken afwijkende omstandigheden. 1.1.
- Het hof van beroep beslist dat het beroep van de onteigende op een advocaat of een technisch raadsman op zichzelf niet noodzakelijk een bestanddeel is van de schade waarvoor een billijke onteigeningsvergoeding moet worden toegekend en dat bijzondere, van de normale gang van zaken voor de hoven en rechtbanken afwijkende omstandighe¬den die deze verdedigingskosten tot bestanddeel zouden maken van de vergoedbare schade, niet zijn bewezen in hoofde van de eiseres. Het hof van beroep stelt niet vast dat de verdedigingskosten van de eiseres haar vermogen niet verminderen. Evenmin onderzoekt het hof van beroep of, noch stelt het vast dat de verdedigingskosten van de eiseres, zoals ze zich in concreto hebben voorgedaan, ook zonder de onteigening van haar onroerende goederen waren ontstaan. Door te beslissen dat, opdat de verdedigingskosten van de eiseres een bestanddeel zouden uitmaken van de vergoedbare schade, het bewijs moet zijn geleverd van bijzondere, van de normale gang van zaken voor de hoven en rechtbanken afwijkende omstandigheden, miskent het hof van beroep het rechtsbegrip schade en schendt het artikel 16 van de Grondwet en artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Hieruit volgt dat het hof van beroep op grond van de overweging dat het beroep van de eiseres op een advocaat op zichzelf niet noodzakelijk een bestanddeel is van de schade waarvoor een billijke onteigeningsvergoeding moet worden toegekend en dat bijzondere, van de normale gang van zaken voor de hoven en rechtbanken afwijkende omstandigheden die deze verdedigingskosten tot bestanddeel zouden maken van de vergoedbare schade, niet bewezen zijn in hoofde van de eiseres, niet wettig beslist dat de verdedigingskosten van de eise¬res geen deel uitmaken van haar vergoedbare schade (schending van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek). 1.
- Tweede onderdeel 1.2.
- Artikel 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hieronder afgekort als EVRM, bepaalt dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplich¬tingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervol¬ging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966, hieronder afgekort als IVBPR, bepaalt dat allen gelijk zijn voor de rechtbank en de rechterlijke instanties en dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging of het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. Het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid van de partijen is besloten in de voornoemde verdragsbepalingen. Dat beginsel houdt in dat de partijen dezelfde kansen moeten krijgen om bewijsmateriaal aan te brengen, gegevens te betwisten en rechtsmiddelen aan te wenden. Bij het laten gelden, tijdens een door de wet voorgeschreven gerechtelijke procedure, van zijn aanspraak op de billijke schadeloosstelling waarop hij recht heeft krachtens artikel 16 van de Grondwet, moet de onteigende op grond van artikel 6.1 van het EVRM, artikel 14.1 van het IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijk¬heid in alle opzichten dezelfde kansen krijgen als de onteigenaar om zijn argumenten naar voor te brengen. 1.2.
- Het hof van beroep wijst de door de eiseres gevorderde vergoeding van haar verdedigingskosten af op de overweging dat van enige ongelijkheid tussen de huidige partijen, wat betreft hun bijstand door een advocaat, zelfs geen aanwijzing bestaat. Aldus stelt het hof van beroep vast dat beide partijen op gelijkwaardige wijze door een advocaat werden bijgestaan. Die vaststelling verantwoordt niet dat de eiseres geen recht heeft op vergoeding, door de verweerster, van het honorarium en de kosten van haar advocaat. De door het hof van beroep in feite vastgestelde gelijkwaardige wijze waarop partijen zich door hun advocaten lieten bijstaan, betekent inderdaad niet dat beide partijen op dat vlak dezelfde kansen hadden, bijvoorbeeld doordat de ene over eigen voorkennis en informatie beschikt, terwijl de andere daarvoor volledig tegen betaling een beroep moet doen op een advocaat. De wapengelijkheid van beide partijen wordt precies gewaarborgd door hen op dezelfde wijze in staat te stellen met behulp van een advocaat hun verweer te voeren. Het hof van beroep stelt, zonder dat in twijfel te trekken of tegen te spreken, het door eiseres aangevoerde "feit dat de administratie (daarmee bedoeld zijnde de verweerster) thuis is in alle knepen van het onteigeningsrecht en wordt bijgestaan door een schare van gespecialiseerde juridische en technische raadgevers", vast. Minstens onderzoekt het hof van beroep niet of noch stelt het vast dat zulks niet het geval was. Door te beslissen dat de verdedigingskosten van de eiseres niet door de verweerster moeten worden ten laste genomen op de overweging dat van enige ongelijkheid tussen de partijen, wat betreft hun bijstand door een advocaat, geen aanwijzing bestaat, zonder na te gaan of beide partijen in alle opzichten dezelfde kansen hadden wat het beroep op een advocaat betreft, schendt het hof van beroep artikel 6.1 van het EVRM, artikel 14.1 van het IVBPR en artikel 16 van de Grondwet en miskent het het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid. Hieruit volgt dat het hof van beroep niet wettig beslist, dat de verdedigingskosten van de eiseres geen deel uitmaken van haar vergoedbare schade op grond van de overweging dat van enige ongelijkheid tussen de huidige partijen, wat betreft hun bijstand door een advocaat, geen aanwijzing bestaat (schending van artikel 16 van de Grondwet, artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966, en van het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 20 maart 1952 te Parijs en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hieronder afgekort als Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM); - artikel 16 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vorde¬ring van de eiseres, het incidenteel beroep van de eiseres gedeeltelijk gegrond, bepaalt het de definitieve vergoeding toekomende aan de eiseres op 168.970,42 euro, veroordeelt het bijgevolg de verweerster tot betaling aan de eiseres van 47.695,95 euro te vermeerderen met de interest, veroordeelt het de eiseres tot teruggave aan de verweerster van de bedragen die werden geconsigneerd in de mate dat zij de in het arrest opgegeven sommen overschrij¬den, zegt het voor recht dat op dat terug te geven saldo interest verschuldigd is en wijst het de eiseres voor het overige van haar vorderingen af, een en ander op grond van de volgende motieven: "
- De op grond van het besproken artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM door (de eiseres) ingestelde vordering, zoals deze werd geformuleerd in haar omvattende conclusie van 7 april 2005, is (...) gesteund op het feit dat zij werd onteigend ‘bij declaratief vonnis van de Vrederechter te Wolvertem van 27 maart 1991, daar waar uiteindelijk slechts nu, meer dan 14 jaar later het onteigeningsdoel zou gaan worden gerealiseerd'. Deze conclusie vervolgt: ‘Teneinde de schade die uit deze schending voortvloeit te vergoeden, dient de referentiedatum waarop de venale waarde van de onteigende terreinen en opstanden wordt geschat, te worden verplaatst naar het ogenblik van de uitspraak, en dient de tussentijdse schade te worden vergoed door toekenning van de interest op de vergoeding zoals verschuldigd op het ogenblik van de ontei¬gening tot aan de effectieve betaling. Het spreekt bovendien voor zich dat bij de waardebepaling van de opstanden op het ogenblik van de uitspraak geen rekening kan worden gehouden met de minderwaarde die deze opstanden hebben ondergaan tussen het declaratief onteigeningsvonnis en de effectieve inbezitname, nu het evident is dat eens het declaratief onteigeningsvonnis uitgesproken concluan¬ten leefden onder permanente dreiging uit hun woning te worden gezet, en dientengevolge ook niet meer dan het hoogst noodzakelijke onderhoud uitvoerden'.
- Deze vordering van (de eiseres) moet worden vergeleken: - vooreerst met de vordering op grond van de onwettigheid van de onteigening, waar de aanvankelijk geëiste teruggave werd vervangen door een vordering tot vergoeding van ‘de stijging van de onroerend goed waarde' gedurende de periode dat er een ‘permanente dreiging met inbezitname' was. - vervolgens met de reeds voor de vrederechter op 4 mei 1992 gevorderde ver¬goeding voor ‘waardevermindering', ook genoemd; de vordering ‘wegens inertie van het onteigend bestuur sedert 12 jaar', waarmee de periode werd bedoeld, niet vanaf het provisioneel vonnis van de vrederechter, maar vanaf het K.B. van 18 september 1979 tot eind 1991". en "IX. De hoogdringendheid, het openbaar nut en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens:
- Het hof (van beroep) zal deze drie middelen van (de eiseres), meer bepaald de hoogdringend¬heid, het openbaar nut en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM samen behande¬len. Op deze drie middelen steunt (de eiseres) niet alleen hetzelfde onderwerp van haar vordering, meer bepaald de stijging van de prijzen van het onroerend goed met 7 pct. per jaar tijdens de procedure van de onteigening, casu quo de gemiste meerwaarde die het onroerend goed zou hebben opgeleverd tussen de onteigening en de inbezitname. Bovendien houdt zij telkens voor dat uit het tijdsverloop, vooreerst tussen het K.B. van 1 september 1979 en de effectieve onteigening op 26-27 maart 1991 en vervolgens tussen deze onteigening en de inbezitname, gebleken is dat er geen hoogdringendheid was, geen noodzaak was, geen noodzaak tot onteigening, geen openbaar nut en een inbreuk op artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. (...)
- Er moet ter zake ongetwijfeld worden vastgesteld dat er een groot tijdsverloop is geweest tussen de beslissing tot onteigening uit 1979, ten openbare nutte en volgens de procedure bij hoogdringendheid, en de effectieve onteigening in 1991 en vervolgens tussen deze effectieve onteigening en de realisatie ervan in, volgens de beweringen van de partijen in
- Hierbij moet worden opgemerkt dat een zeker tijdsverloop op zichzelf niet kan doen besluiten tot enige onregelmatigheid zoals voorgehouden door (de eiseres). Het als het ware in portefeuille houden van de onteigening en later van de ontei¬gende goederen is ter zake, in se, niet in strijd met de begrippen hoogdringendheid en openbaar nut, gelet op de oorzaak van de onteigening: de Wet van 30 december 1970 stelt het verwerven van terreinen door de overheid ten behoeve van bedrijven met een winstgevende bedrijvigheid, gelijk met een onteigening van openbaar nut en maakt de procedure van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte hierop toepasselijk. (De verweerster) trekt in haar conclusie ook niet onterecht de aandacht op de omvang van het project en op het feit dat een privé-eigenaar of zelfs een privé-promotor niet zou kunnen doen wat een overheidsinstelling wel kan, vooral met het oog op het samenvoegen van percelen, het aanleggen van wegen en andere infrastructuurwerken (zelfde conclusie, p. 21 en p. 28). Het in portefeuille houden zou nochtans ongunstig moeten worden beoordeeld ten overstaan van (de verweerster) indien de aangeklaagde situatie, zoals (de verweerster) toegeeft, ook te wijten zou zijn aan het feit dat de onteigening geblokkeerd was ‘op politiek vlak' (conclusie p. 15) en wanneer (de eiseres) door het in portefeuille houden, om welke reden ook, zou beroofd zijn geweest, ten voordele van (de verweerster), van een meerwaarde, in het bijzonder een beweerde prijsstijging van de onroerende goederen van 7 pct. per jaar. Van deze laatste schade wordt evenwel geen enkel bewijs voorgebracht. Uit de voorgelegde stukken blijkt integendeel dat (de eiseres) onmiddellijk na de onteigening een ‘vervangingsgoed' aankocht met, alles samengenomen, ongeveer dezelfde waarde als deze van het onteigende goed. Er wordt niet aangetoond dat dit vervangingsgoed niet zou hebben geprofiteerd van dezelfde prijsstijgingen als deze waarop het onteigende goed kon rekenen. In deze omstandigheden, gelet op de totale afwezigheid van de noodzakelijke bewijzen, ja zelfs van aanwijzingen in de zin van de beweringen van (de eiseres), moet de vordering op dit punt worden afgewezen zonder dat er zelfs aanleiding toe bestaat een deskundigenonderzoek te bevelen". Grieven 2.
- Artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM bepaalt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. Krachtens het tweede lid van artikel 1 zullen de voorgaande bepalingen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Het volstaat niet dat een onteigening geschiedt in het algemeen belang. Er moet een redelijke proportionaliteitsverhouding bestaan tussen het doel van de onteigening en de gebruikte middelen. De eigendomsberoving moet een behoorlijk evenwicht in acht nemen tussen het algemeen belang en het privaat belang. Dat evenwicht is verstoord indien aan de onteigende een buitensporige last wordt opgelegd. Het hierboven bedoelde evenwicht is in de regel bereikt wanneer de onteigende een vergoeding ontvangt die in redelijk verband staat met de waarde van het onteigende goed, bepaald op het ogenblik van de onteigening. In bepaalde omstandigheden wordt het evenwicht tussen het algemeen belang en de gebruikte middelen evenwel verstoord ondanks het uitkeren aan de onteigende van een dergelijke vergoeding. Dat is onder meer het geval wanneer een opmerkelijke tijdspanne bestaat tussen het ogenblik waarop de onteigeningsbeslissing werd genomen en de concrete verwezenlijking van het project van algemeen belang waarop de onteigening is gesteund. In die situatie kan de onteige¬ning tot gevolg hebben dat de onteigende wordt beroofd van een waardevermeerdering van het onteigende goed. Wanneer die beroving zelf niet is ingegeven door redenen van openbaar nut, dan wordt aan de onteigende een bijkomende last opgelegd die onvere¬nigbaar is met de eisen van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. 2.
- In haar regelmatig voor het hof van beroep neergelegde conclusie vorderde de eiseres van de verweerster een bijkomende vergoeding wegens schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, bestaande in de meerwaarde die de onteigende terreinen hebben ondergaan in de periode tussen de effectieve onteigening en de inbezitname voor ontwikkeling. Het hof van beroep beslist dat het in portefeuille houden van de onteigening en later van de onteigende goederen, door de verweerster, ten overstaan van de verweerster ongunstig zou moeten worden beoordeeld indien de aangeklaagde situatie, zoals de verweerster toegeeft, te wijten zou zijn aan het feit dat de onteigening geblokkeerd was op politiek vlak en wanneer de eiseres daardoor zou beroofd zijn geweest, ten voordele van de verweerster, van een meerwaarde, in het bijzonder een beweerde prijsstijging van de onroerende goederen van 7 pct. per jaar. Het hof van beroep oordeelt dat van die laatste schade - het beroofd worden van een meerwaarde van de onteigende goederen, in het bijzonder een prijsstijging van 7pct. - geen bewijs wordt voorgebracht en overweegt dat uit de stukken integendeel blijkt dat de eiseres onmiddellijk na de onteigening een vervangingsgoed aankocht met ongeveer dezelfde waarde als deze van het onteigende goed. Het hof van beroep beslist dat niet wordt aangetoond dat dit vervangingsgoed niet zou hebben geprofiteerd van dezelfde prijsstijgingen als deze waarop het onteigende goed kon rekenen. Daaruit besluit het hof van beroep dat de vordering van de eiseres moet worden afgewezen zonder dat er zelfs aanleiding bestaat een deskundigenonderzoek te bevelen. Uit die overwegingen en beslissingen van het hof van beroep blijkt dat het hof van beroep van oordeel is dat de schade die de eiseres aanvoerde te hebben geleden door het verlies van een meerwaarde van het onteigende goed niet bewezen is en niet mag wor¬den bewezen omdat de eiseres onmiddellijk na de onteigening een vervangingsgoed kocht met ongeveer dezelfde waarde als die van het onteigende goed, vervangingsgoed waarvan niet wordt aangetoond dat het niet zou hebben geprofiteerd van dezelfde prijsstij¬gingen als die waarop het onteigende goed kon rekenen. Uit de vaststelling dat de eiseres onmiddellijk na de onteigening een vervangingsgoed aankocht, met ongeveer dezelfde waarde als het onteigende goed en waarvan niet wordt aangetoond dat het niet zou hebben geprofiteerd van dezelfde prijsstijgingen als het onteigende goed, leidt het hof van beroep niet wettig af dat de eiseres niet bewijst dat zij beroofd werd, ten voordele van de verweerster, van een meerwaarde van de onteigende goederen, in het bijzonder een beweerde prijsstijging van die onroerende goederen van 7 pct. per jaar. Uit het gebrek aan bewijs van de afwezigheid van prijsstijgingen van het vervangingsgoed van de eiseres, ongeveer gelijk aan die van het onteigende goed, kan inderdaad niet wettig worden besloten tot de afwezigheid van het bewijs van de waardevermeerdering van het onteigende goed. Het hof van beroep stelt bijgevolg niet wettig vast dat niet is bewezen dat de eiseres door het lange tijd in portefeuille houden van de onteigende goederen door de overheid is beroofd van een waardevermeerdering van het onteigende goed, aldus beslissend dat niet is bewezen dat aan de eiseres ingevolge de onteigening een disproportionele last werd opgelegd. Hieruit volgt dat het hof van beroep artikel 1 van het EVRM en artikel 16 van de Grondwet schendt door op de overweging dat de eiseres onmiddellijk na de onteigening een vervangingsgoed aankocht met ongeveer dezelfde waarde als het onteigende goed en dat niet wordt aangetoond dat dit vervangingsgoed niet zou hebben geprofiteerd van dezelfde prijsstijgingen als deze waarop het onroerend goed kon rekenen, te beslissen dat de schade die de eiseres aanvoerde te hebben geleden door te zijn beroofd, ten voordele van de verweerster, van een meerwaarde, in het bijzonder een beweerde prijsstijging van de onroerende goederen van 7 pct. per jaar niet bewezen is. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat iemand slechts tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling ten algemenen nutte van zijn eigendom kan worden ontzet. Die schadeloosstelling moet alle schadeposten omvatten die de onteigende heeft geleden en die in oorzakelijk verband staan met de onteigening.
- Het arrest oordeelt dat "het beroep doen op een advocaat of een technisch raadsman door de onteigenden, op zichzelf niet noodzakelijk een bestanddeel van de schade is waarvoor een billijke onteigeningsvergoeding moet worden toegekend" en dat "bijzondere, van de normale gang van zaken voor de hoven en rechtbanken afwijkende omstandigheden die deze verdediging kosten tot bestanddeel zouden maken van de vergoedbare schade, niet bewezen zijn in hoofde van de onteigenden". Het arrest oordeelt tevens dat "van enige ongelijkheid tussen de huidige partijen, wat betreft hun bijstand door een advocaat, terzake zelfs geen aanwijziging bestaat".
- Op grond van die overwegingen vermocht het arrest niet op wettige wijze het noodzakelijke oorzakelijke verband uit te sluiten tussen de onteigening en de door de onteigende gemaakte kosten van juridische bijstand en beslissen dat die kosten geen bestanddeel zijn van de billijke schadeloosstelling. Het arrest schendt derhalve artikel 16 van de Grondwet. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede middel
- Anders dan het middel aanvoert, wordt de afwijzing van de vordering van de eiseres tot het verkrijgen van een bijkomende vergoeding wegens schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, bestaande in de meerwaarde die het onteigende goed heeft ondergaan in de periode tussen de effectieve onteigening en de inbezitname, niet verworpen op grond van de enkele reden dat de eiseres een vervangingsgoed heeft aangekocht waarvan niet is aangetoond dat het niet aan dezelfde prijsstijgingen onderhevig was als het onteigende goed, maar ook op grond van de niet bekritiseerde zelfstandige reden dat de eiseres de beweerde prijsstijging van het onteigende goed ten belope van 7 procent per jaar niet bewijst en hiervan zelfs geen aanwijzingen bijbrengt. Het middel, ook al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden, en is bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de door de eiseres gevorderde schadeloosstelling voor de gemaakte kosten van verdediging. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. De kosten zijn begroot op de som van 280,25 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 31 januari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120322.5 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190329.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060505.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091029.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div