← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.6 Rolnummer: C.05.0372.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 999 - laatst gezien 2026-07-03 15:31 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080131.6 Fiche 1 Een procespartij kan in cassatie niet opkomen tegen een beslissing nopens de rechtspleging die in overeenstemming met haar conclusie werd gewezen

(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang Fiche 2 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 31 jan. 2008, AR C.05.0372.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Belang UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Belang Tekst van de beslissing Nr. C.05.0372.N QUICK RESTAURANTS, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 65, bus 11, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. DE GROOTE, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Hemingsplein 10,
  2. D.D., verweersters, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen drie vonnissen, gewezen op 18 september 1998 en 8 maart 2004 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, en op 22 april 2005 door de Rechtbank van Koophandel te Gent. Bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 juni 2007 werd deze zaak naar de voltallige terechtzitting verwezen. Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 9, 19, 577, 590, 591, 1°, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1 en 2 van titel I van Boek I van het Wetboek van Koophandel; - de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis van 18 september 1998 van de negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond voor zover gericht tegen de beslissing tot het houden van het getuigenverhoor, verklaart de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter en verwijst de zaak wat de overige grieven in hoger beroep betreft (dit zijn de grieven tegen de beslissing dat de artikelen 26 en 27 van de franchiseovereenkomst nietig zijn), zowel wat de beoordeling van de ontvankelijkheid als de gegrondheid betreft, naar de bijzondere rol in afwachting van verdere behandeling. Het bestreden vonnis beslist aldus dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om in hoger beroep kennis te nemen van het voor deze rechtbank gebrachte geschil. Grieven Ingevolge de artikelen 9, tweede lid, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek, beslist de rechtbank van eerste aanleg die, bij afwezigheid van exceptie van onbevoegdheid ratione materiae, de verwijzing naar de arrondissementsrechtbank niet gelast, impliciet doch zeker dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beslissing van de vrederechter van 19 december 1997, nu die bevoegdheid de openbare orde raakt. Zodanige beslissing is een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek waardoor de rechter zijn rechtsmacht ten aanzien van de vraag naar de bevoegdheid in zijn geheel heeft uitgeoefend. Krachtens artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt, voor de rechtbank van koophandel gebracht. Die bepaling is van toepassing op alle daarin vermelde geschillen, met inbegrip van de geschillen die tot de bijzondere of uitsluitende bevoegdheid van de vrederechter inzake huur of inzake gebruik zonder titel of recht behoren. Luidens artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek kan de toegewezen bevoegdheid of de bevoegdheid ratione materiae van de rechtscolleges niet worden uitgebreid tenzij de wet anders bepaalt. Zij is derhalve van openbare orde en de rechter moet ze, zelfs bij het stilzwijgen van de partijen, nagaan. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep haar bevoegdheid ambtshalve moet afwijzen, is zij krachtens artikel 640 van het Gerechtelijk Wetboek verplicht de zaak naar de arrondissementsrechtbank te verwijzen. Uit de bewoordingen van de oorspronkelijke dagvaarding te dezen blijkt dat het voor de vrederechter gebrachte geschil liep tussen kooplieden in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel. Het tussen partijen bestaande geschil had betrekking op de huur van het pand waarin de handelszaak, overeenkomstig de tussen partijen afgesloten franchiseovereenkomst, door verweersters werd uitgebaat. Het geschil liep aldus over verbintenissen van kooplieden, daar het betrekking had op de huur van een pand en geen oorzaak had die vreemd is aan de koophandel, dat is aan een handeling die de wet als daad van koophandel aanmerkt in de zin van artikel 2, laatste lid, van het Wetboek van Koophandel. Alle partijen waren het er overigens over eens dat zij kooplieden waren in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel en dat het geschil handelingen betrof die de wet als daden van koophandel aanmerkt. De partijen stelden hierover twee akkoordconclusies op, op 8 oktober 2003 en op 9 februari
  3. De negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent besliste verder dat alle partijen terzake handelaars zijn en het tussen hen bestaande geschil handelingen betreft die de wet als daden van koophandel aanmerkt, en dit in haar vonnis van 28 maart 2003, dat niet in cassatie wordt aangevochten en derhalve gezag van gewijsde heeft, en in haar vonnis van 8 april 2004, dat in cassatie wordt aangevochten maar niet wat betreft de kwalificatie van de partijen als kooplieden en de kwalificatie van de aard van het geschil. Het staat dan ook vast dat het huidige geschil een geschil tussen kooplieden betreft over handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt. De omstandigheid dat die vorderingen tot de algemene en uitsluitende bevoegdheid van de vrederechter behoorden, belet niet dat de in artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vastgelegde regel wordt toegepast op alle erin vermelde geschillen, met inbegrip van de geschillen die tot de uitsluitende bevoegdheid van de vrederechter behoren. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, door het hoger beroep tegen een beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over een geschil tussen kooplieden dat liep over een handeling die de wet als daad van koophandel aanmerkt ontvankelijk en deels gegrond te verklaren en door aldus de rechtbank van eerste aanleg bevoegd te verklaren om in hoger beroep van dat geschil kennis te nemen, zonder haar bevoegdheid ambtshalve op te werpen en zonder de zaak naar de arrondissementsrechtbank te verwijzen overeenkomstig artikel 640 van het Gerechtelijk Wetboek, de in het middel aangegeven bepalingen schendt. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 19, eerste lid, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis van 8 maart 2004 van de negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent beslist dat de rechtbank van eerste aanleg onbevoegd is om kennis te nemen van de zaak en dat enkel de rechtbank van koophandel bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent verzendt om die reden de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Gent, op grond van de volgende motieven: "Beoordeling
  4. Als geen exceptie van onbevoegdheid wordt opgeworpen, ligt in een tussenvonnis waarbij een onderzoeksmaatregel is bevolen, stilzwijgend besloten dat de rechter zich bevoegd acht (zie Cass., 5 april 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1033, nr.473; ook Cass. 28 juni 1984, R.W., 1985-1986, 892). De voormelde rechtspraak gaat uit van het gegeven dat niet elke gedingpartij de onbevoegdheid van de rechtbank nog na een tussenvonnis opwierp, terwijl zeker één der partijen zich beroepen had op het gezag van gewijsde van een tussenvonnis wat betreft de bevoegdheid van de rechtbank die het uitsprak. In deze zaak echter betwisten alle gedingpartijen de bevoegdheid van deze rechtbank en vragen zij de verwijzing van de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Gent, terwijl geen enkele gedingpartij zich beroept op het gezag van gewijsde van het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 18 september
  5. De gedingpartijen verklaren zelfs duidelijk zich niet te beroepen op dat gezag van gewijsde.
  6. Er dient te worden vastgesteld dat in deze zaak benevens een tussenvonnis van 18 september 1998 waarin de rechtbank zich bevoegd verklaarde om van elke eis kennis te nemen, ook een vonnis van deze rechtbank en kamer (anders samengesteld) van 28 maart 2003 bestaat waarbij wordt besloten tot de onbevoegdheid om kennis te nemen van enige eis tussen dezelfde gedingpartijen met dezelfde oorzaak en hetzelfde voorwerp. In dit dossier werkt dus het gezag van gewijsde van twee vonnissen waarin op een verschillende wijze werd beslist over de bevoegdheid om van de eisen kennis te nemen. Er kan natuurlijk niet meer gezag van gewijsde worden toegekend aan het ene boven het andere vonnis. Artikel 27 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt inderdaad dat de rechter niet ambtshalve de exceptie van gewijsde kan opwerpen, terwijl de partijen zich er niet op beroepen. De rechtbank valt dus terug op de beoordeling van haar bevoegdheid. De rechtbank van eerste aanleg heeft in hoger beroep niet de volheid van bevoegdheid (artikel 568 Gerechtelijk Wetboek; vgl. Arrondrb. Gent, 21 mei 2001, AR 01/22/E; Rb. Brussel, 3 juni 1993, Pas., 1993, III, 28; zie ook Van Orshoven P., ‘Gerechtelijk recht, Stand van zaken en actuele ontwikkelingen op het stuk van de bevoegdheid', in Themis, academiejaar 2003-2004, vormingsonderdeel 19, Brugge, Die Keure, 2003, blz. 27, nr. 32 en blz. 28 nr. 35) en kan daarom, zelfs ambtshalve, haar bevoegdheid in vraag stellen omdat de toegewezen bevoegdheid of de bevoegdheid ratione materiae van de rechtscolleges, luidens artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek niet kan worden uitgebreid tenzij de wet anders bepaalt en zij dus van openbare orde is. Aldus kan ook een proceseconomische en pragmatische oplossing aan het gestelde probleem worden gegeven.
  7. Artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het hoger beroep tegen de beslissingen door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake wisselbrieven, voor de rechtbank van koophandel wordt gebracht. De betrokken partijen moeten handelaar zijn (vgl. Cass. 7 januari 1998, P&B, 1998, 224). Omdat het geschil tussen de gedingpartijen een contract van franchising betreft en de betrokken partijen handelaars zijn, is de rechtbank van koophandel bevoegd om van deze zaak kennis te nemen (vgl. ook Cass., 7 september 2000 inzake AR C. 99.
  8. F ,www cass. be; Cass. 15 februari 1999, R. W., 1999-2000, 741). Zeker nu het hoger beroep tegen het eindvonnis van de vrederechter wel al hangende is voor de rechtbank van koophandel, ingevolge een verwijzing door deze rechtbank en kamer (anders samengesteld) van 28 maart 2003, is het aangewezen in te gaan op het verzoek van de gedingpartijen tot verzending van de zaak". Grieven In haar vonnis van 18 september 1998 verklaarde de negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond voor zover gericht tegen de beslissing tot het houden van het getuigenverhoor, de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. De rechtbank verwees de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter en verwees de zaak wat de overige grieven in hoger beroep betreft (dit zijn de grieven tegen de beslissing dat de artikelen 26 en 27 van de franchiseovereenkomst nietig zijn), zowel wat de beoordeling van de ontvankelijkheid als de gegrondheid betreft, naar de bijzondere rol in afwachting van verdere behandeling. Ingevolge de artikelen 9, tweede lid, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek, beslist de rechtbank van eerste aanleg die, bij afwezigheid van exceptie van onbevoegdheid ratione materiae, de verwijzing naar de arrondissementsrechtbank niet gelast, impliciet doch zeker dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beslissing van de vrederechter van 19 december 1997, nu die bevoegdheid de openbare orde raakt. Zodanige beslissing is een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek waardoor de rechter zijn rechtsmacht ten aanzien van de vraag naar de bevoegdheid in zijn geheel heeft uitgeoefend, zodat die vraag voor hem niet langer aanhangig is. In het bestreden vonnis van 8 maart 2004 beslist de negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, in dezelfde zaak tussen dezelfde partijen, dat niet de rechtbank van eerste aanleg, maar wel de rechtbank van koophandel bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het vonnis van de vrederechter van 19 december
  9. De rechtbank van eerste aanleg kon evenwel, nadat zij had beslist dat zij bevoegd was om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het vonnis van de vrederechter van 19 december 1997 en aldus haar rechtsmacht over dat geschilpunt ten volle heeft uitgeoefend, in het bestreden vonnis, niet opnieuw en anders uitspraak doen over hetzelfde geschilpunt zonder haar bevoegdheid te overschrijden. Door zich in het bestreden vonnis onbevoegd te verklaren, nadat zij zich in haar vonnis van 18 september 1998 bevoegd verklaard hadden, schenden de appelrechters derhalve artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de artikelen 9, tweede lid, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen In het bestreden vonnis van 22 april 2005 van de eerste kamer van de Rechtbank van Koophandel te Gent, bevestigen de appelrechters het vonnis van de vrederechter van 13 januari 2003 en beslissen de appelrechters derhalve dat de huur ontbonden wordt ten nadele van de eiseres, en dat de (eerste) verweerster recht heeft op een schadevergoeding. De appelrechters bevestigen de beslissing van de vrederechter dat de (eerste) verweerster recht heeft op een provisionele schadevergoeding van 590.001,88 euro, op grond van de volgende motieven: "
  10. (De eiseres) vordert de (de eerste en tweede verweerster) solidair te veroordelen tot terugbetaling van 590.001,88 euro meer de wettelijke rente sedert 11.04.
  11. (De eiseres) verwijst naar haar stuk
  12. Het neergelegde stuk 38 is geen bewijs van betaling maar een document uitgaande van (de eiseres) over de berekening en schatting van de huurwaarden per m² van het pand in de Veldstraat. Voor berekening van de schade (verlies van het handelsfonds en verlies van te verwachten inkomsten) die toekomt aan (de eerste verweerster) werd een gerechtelijke deskundige aangesteld. Ondertussen berekende de eerste rechter dat aan de hand van de gegevens waarop (de eiseres) steunt, meer bepaald: - de door (de eiseres) geraamde waarde van het handelsfonds ten belope van 180.090,83 euro; - de volgens (de eiseres) geraamde afschrijvingsperiode van 5 à 7 jaar voor een investering van 297.472,23 euro tot 371.840,29 euro, het gevorderde voorschot van 590.001,88 euro niet overdreven is en kan worden toegekend. (De eiseres) brengt geen argumenten om de begroting van de door de eerste rechter toegekende provisie te herleiden.
  13. Uit wat voorafgaat volgt dat na 1 januari 1998 (de eerste verweerster) huurster was. (De eiseres) is haar verhuurdersverplichting niet nagekomen en heeft aan haar huurster geweigerd het rustig genot te verschaffen door deze laatste gedwongen uit te drijven op grond van een beschikking in kort geding die evenwel geen titel was die toeliet haar contractuele verplichtingen te negeren. In deze omstandigheden is (de eiseres) tekort gekomen aan één van haar meest essentiële verplichtingen als verhuurster en vordert (de eerste verweerster) terecht de gerechtelijke ontbinding van de huur ten nadele van (de eiseres) en dit met ingang van 23 januari 1998, datum tot wanneer (de eiseres) de beschikking had over het goed.
  14. (De eerste verweerster) vordert (de eiseres) te veroordelen tot betaling van gerechtelijke intresten vanaf 1 januari
  15. De eerste rechter heeft een provisioneel bedrag toegekend in hoofdsom. Aan (de eerste verweerster) kan op dit bedrag gerechtelijke intresten worden toegekend vanaf 23 januari 1998 tot datum betaling". Daarnaast wordt eiseres veroordeeld tot betaling van een bedrag van 185.690,22 euro, zijn de prijs van de optielichting, op grond van de volgende motieven: "(De eerste verweerster) verzoekt in uiterst ondergeschikte orde (de eiseres) te veroordelen tot betaling van een bedrag van 185.690,22 euro (de prijs van de optielichting) meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet van 7 pct. vanaf de datum van 31.10.1997 tot 11.04.2004 en met de intresten verkregen door het vermelde bedrag te plaatsen op Privalisrekeningnr. 630-0240265-55". "
  16. (De eerste verweerster) vordert vrijgave te bevelen ten gunste van (de eerste verweerster) voor het saldo van de Privalisrekening. Gelet op wat voorafgaat komt dit onderdeel van de vordering gegrond voor". Grieven De eiseres voerde in conclusie aan dat bovenvermelde optieprijs een vergoeding van de potentieel door de verweersters geleden schade, met daarin begrepen een vergoeding voor het recht op huur, inhield. De eiseres betoogde met name aan dat de verweersters ingevolge de betaling van de prijs voor de optielichting geen schade leden en dat de vordering tot betaling van een schadevergoeding derhalve diende te worden afgewezen, nu de vergoeding voor de beëindiging van de huurovereenkomst, evenals de waarde van het handelsfonds in de prijs van de optie begrepen was. De eiseres voerde meer bepaald aan dat: "Ofwel is de ontbindende voorwaarde in een handelshuurovereenkomst welke een onderdeel uitmaakt van een franchiseovereenkomst en handelsfonds ongeldig en werd in elk geval het optierecht uitgeoefend. Dat het in elk geval niet de bedoeling kan zijn dat deze hypothese tot een hogere vergoeding zou dienen betaald te worden dan voor de verkrijging van het gehele handelsfonds waarin het recht op huur, naast andere elementen is inbegrepen in de optieprijs". "
  17. Reeds op 12 januari 1998 had (de eiseres) per brief (de eerste verweerster) op de hoogte gebracht van het feit dat de prijs voor de uitoefening van het optierecht overeenkomstig de parameters voorzien in art. 27 van de franchisingovereenkomst 7.490.725 BEF (185.690,22 euro) bedroeg (stuk 12). Dit is vanzelfsprekend onder voorbehoud van een tussen te komen gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst ten laste van (de eerste en tweede verweersters) op een ogenblik voorafgaand aan het lichten van de optie, ontbinding waarvoor op dat ogenblik reeds een procedure hangende was. Het bedrag was geheel verantwoord. Het handelsfonds was 7 1/2 jaar uitgebaat geweest en bevatte hoofdzakelijk materiële bestanddelen welke geheel waardeloos waren geworden (cfr. supra randnr. 24 remodelling). De materiële bestanddelen werden slechts op 2.350.000 BEF geschat (stuk 12). Het merendeel van de optieprijs 4.790.725 BEF betrof een vergoeding van het recht op huur (stuk 12)". De eiseres vorderde dan ook: "In uiterst ondergeschikte orde: (...) - Minstens de vordering als ongegrond af te wijzen, bij gebrek aan enige schade in hoofde van (de eerste verweerster) gelet op de tussen partijen overeengekomen waarderingsformule neergelegd in artikel 27.3 van de franchisingovereenkomst; (...)". De appelrechters veroordelen de eiseres tot betaling van een provisionele schadevergoeding én tot betaling van de prijs voor de optielichting, zonder voormeld verweer te beantwoorden dat de prijs voor de optielichting een vergoeding uitmaakt van alle door de verweersters geleden schade. De appelrechters schenden dan ook artikel 149 van de Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  18. Het middel verwijt het bestreden vonnis van 18 september 1998 het hoger beroep van de eiseres tegen een beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over een geschil tussen kooplieden dat liep over een handeling die de wet als daad van koophandel aanmerkt, ontvankelijk te verklaren en zich aldus bevoegd te verklaren om kennis te nemen van het hoger beroep, terwijl de rechtbank van eerste aanleg, uitspraak doende in hoger beroep, overeenkomstig artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, daartoe niet bevoegd was.
  19. Een procespartij kan in cassatie niet opkomen tegen een beslissing nopens de rechtspleging die in overeenstemming met haar conclusie werd gewezen.
  20. De eiseres heeft geen grieven tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg die op haar eigen hoger beroep en in overeenstemming met haar conclusie de rechtbank bevoegd verklaart om kennis te nemen van het hoger beroep. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  21. Het middel verwijt het bestreden vonnis van 8 maart 2004 de rechtbank van eerste aanleg onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het hoger beroep en de zaak naar de rechtbank van koophandel te verwijzen na in haar vonnis van 18 september 1998 te hebben beslist dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat zij aldus bevoegd was om er kennis van te nemen.
  22. Het bestreden vonnis stelt vast dat, "sedert het (...) tussenvonnis (van 18 september 1998), twee gemeenschappelijk ondertekende akkoordconclusies neergelegd werden waarbij de gedingpartijen vragen om de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel (...) omdat de rechtbank van eerste aanleg materieel onbevoegd zou zijn om te beslissen in het voorliggende geschil".
  23. De eiseres heeft geen grieven tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg dat in overeenstemming met haar conclusie de zaak naar de rechtbank van koophandel verwijst. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  24. Het middel gaat ervan uit dat de appelrechters de eiseres bij vonnis van 22 april 2005 veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 590.001,88 euro en tot betaling van de prijs van de optielichting, zijnde een bedrag van 185.690,22 euro.
  25. De appelrechters beslissen enkel dat de huur ontbonden wordt ten nadele van de eiseres en veroordelen haar tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 590.001,88 euro, waarvoor zij de betalingsmodaliteiten vastleggen. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 801,61 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, in voltallige zitting, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de voorzitters Ivan Verougstraete en Christian Storck, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Didier Batselé, Albert Fettweis, Daniel Plas en Beatrijs Deconinck, en op de openbare voltallige terechtzitting van 31 januari 2008 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080131.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000907.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090130.6 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100429.19 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130121.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100514.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100514.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120301.10 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130503.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.