← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.4 Rolnummer: C.04.0432.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer vragen omtrent de uitlegging van de artikelen 9.1.

  1. a)en 9.2.
  2. d)van de Verordening nr 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk opgeworpen worden voor het Hof van cassatie, dient het Hof, alvorens uitspraak te doen, deze vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te stellen met het oog op de uitlegging van voormelde artikelen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Gemeenschapsmerk - Tekens die een gemeenschapsmerk kunnen vormen Vrije woorden: Geschil omtrent de uitlegging van de verordening nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk - Geschil opgeworpen in een bij het Hof van Cassatie aanhangige zaak - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag Thesaurus CAS: MERKEN - GEMEENSCHAPSMERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Gemeenschapsmerk - Tekens die een gemeenschapsmerk kunnen vormen Vrije woorden: Prejudiciële geschillen - Geschil omtrent de uitlegging van de verordening nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk - Geschil opgeworpen in een bij het Hof van Cassatie aanhangige zaak - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag Tekst van de beslissing Nr. C.04.0432.N UDV NORTH AMERICA INC, vennootschap naar Amerikaans recht, met zetel te 06901 Connecticut (Verenigde Staten van Amerika), Landmark Square 6, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. tegen BRANDTRADERS, naamloze vennootschap, met zetel te 8300 Zeebrugge, Werfkaai 14, verweerster, vertegenwoordigd door mrs. Cécile Draps en Jacqueline Oosterbosch, advocaten bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 4020 Luik, Boulevard Emile de Laveleye 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 9, meer bepaald: 9.1.
  3. a)en 9.2.d), van de Verordening (E.G.) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PB.L 11, 14 januari 1994) (hierna: Verordening (E.G.) nr. 40/94); - de artikelen 93 en 95 van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument; - artikel 12 van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, ingevoegd in het Wetboek van Koophandel (Boek I, Titel VII. Commissiecontract); - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen, ook beschikkingsbeginsel genaamd. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest vernietigt het vonnis a quo, verklaart de vordering van de eiseres ongegrond, zegt voor recht dat de verweerster geen gebruik heeft gemaakt van het kwestieuze teken in de zin van artikel 9.1.
  4. a)en 9.2.
  5. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94, op grond van onder meer de volgende overwegingen: "20. De daden die kunnen gerelateerd worden aan (verweersters) activiteit op het territorium waar het merk (van de eiseres) bescherming geniet en die enige relevantie kunnen vertonen in het licht van beweerd gebruik van het merk zijn de volgende: - op de website die (de verweerster) beheert werden goederen te koop aangeboden; - de verkoopovereenkomst werd gesloten op de maatschappelijke zetel van (de verweerster); - (de verweerster) heeft facturen uitgereikt; - de goederen werden onder beheer van de logistieke partner van (de verweerster) gelost in de haven van Felixtowe. Deze laatste handeling kan evenwel in geen enkel opzicht een gebruik van het merk inhouden. 21. Uit het door (de verweerster) overgelegde stuk ‘General terms and conditions' genaamd - te vertalen als ‘Algemene Voorwaarden' - blijkt dat (
  6. de)website (van de verweerster) uitsluitend fungeert als een ontmoetingsplaats voor kopers en verkopers van goederen, die voor elkaar anoniem blijven. (De verweerster) wordt zelf niet betrokken in de uitvoering van de transacties en om die reden houdt ze geen toezicht en draagt ze geen enkele aansprakelijkheid voor welk aspect dan ook van de transactie. De door haar verleende diensten bestaan uit het verlenen van toegang tot de website en in beginsel aanvaardt ze geen enkele aansprakelijkheid voor de uitkomst van het gebeuren op de website. (...) De verkoper stemt er automatisch in toe dat (de verweerster) in eigen naam voor diens rekening een overeenkomst sluit met de koper, zonder enige aansprakelijkheid voor haarzelf als tussenpersoon. (...) 24. De vermelding in handelsdocumenten van het merk door een verbonden partij gelieerd aan een verhandeling van goederen waarvoor het merk werd verkregen, geldt als een gebruik in het economisch verkeer. (...) (De verweerster) heeft het teken evenwel niet gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zij zelf verbonden partij was, aangezien ze optrad voor rekening van een derde, in dit geval de verkoper. Zij heeft aldus geen gebruik gemaakt van het teken in de zin van artikel 9.1.
  7. a)en 9.2.
  8. d)(Verordening (E.G.) nr. 40/94)" (zie aangevochten arrest, p. 11-13). Grieven 1. Artikel 9 Verordening (E.G.) nr. 40/94 bepaalt onder lid 1, litt. a), en lid 2, litt. d): 9.1. Het Gemeenschapsmerk geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economisch verkeer te verbieden:
  9. a)dat gelijk is aan het Gemeenschapsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk ingeschreven is; 9.2. Met name kan krachtens lid 1 worden verboden:
  10. d)het gebruik van het teken in stukken voor zakelijk gebruik en in advertenties. 2. Uit de bewoordingen van het bestreden arrest blijkt dat de appelrechters vaststellen, minstens, dat partijen hierover akkoord gaan of niet betwisten: - dat de eiseres titularis is van het Gemeenschapsmerk Smirnoff Ice krachtens de inschrijving onder nummer 001540913 van haar aanvraag voor alcoholhoudende dranken (zie aangevochten arrest, p. 6, nr. 11.); - dat de verweerster optreedt als handelstussenpersoon (ibidem, p. 9, nr. 17, tweede streepje); - dat in de bevestigingsbrief van de verweerster aan de verkoper, Hillyard Trading, de merknaam Smirnoff Ice wel wordt vermeld (ibidem, p. 13, nr. 23, al. 2); - dat de verweerster in eigen naam optreedt maar voor rekening van de verkoper, Hillyard Trading (idem); - dat in de facturen van de verweerster, die ter uitvoering van de verkoopovereenkomst tussen verweerster in eigen naam aan de koper, Checkprice, werden uitgereikt, kwestieuze merknaam eveneens wordt vermeld (ibidem, p. 11, nr. 20, derde streepje; p. 10, nr. 19, par. 3; p. 8, nr. 14, in fine; p. 13, nr. 23, in fine); - dat deze beide vermeldingen zijn verricht ter onderscheiding van, d.i. "voor" dezelfde waren als die waarvoor het kwestieuze merk is ingeschreven, met name alcoholhoudende dranken (ibidem, p. 7, nr. 12, in fine, nr. 14, al. 1, p. 8, nr. 15, a1. 2; p. 9, nr. 16, al. 1). 3. Met verwerping van het verweer van de verweerster beslissen de appelrechters wettig dat te dezen het merk wordt gebruikt in het economisch verkeer (de vermelding in handelsdocumenten) op het territorium van de Gemeenschap (ibidem, p. 13, nr. 24, al. 1-2). 4. Anders dan het bestreden arrest met schending van gezegd artikel 9, lid 1, litt. a), en lid 2, litt.
  11. d)oordeelt, volgt uit het feit dat de verweerster optreedt voor rekening van een derde, in dit geval de verkoper,

(1)noch dat de verweerster het teken niet heeft gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin ze zelf verbonden partij was;
(2)noch dat de verweerster geen gebruik heeft gemaakt van het teken in de zin van voormeld artikel 9, lid 1., litt. a), en lid 2, litt. d); (ibidem, p. 13, nr. 24, in fine). 5. Immers, voor de toepassing van artikel 9.1.a) en 9.2.d) Verordening (E.G.) nr. 40/94 is het niet vereist dat de kwestieuze derde, in casu verweerster,
(1)voor eigen rekening optreedt en/of
(2)het teken gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij is, opdat hij het teken zou gebruiken in de zin van die verordeningsbepaling (wanneer de andere, thans niet in betwisting zijnde voorwaarden, vervuld zijn, meer bepaald: gebruik in het economisch verkeer; zie hoger nr. 3). Artikel 9.1.
  1. a)en 9.2.
  2. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94 stelt voor het gebruik van het teken in de zin van die bepaling geen andere voorwaarden dan deze welke de tekst opsomt en die thans niet in betwisting zijn (idem). Artikel 9.1.Verordening (E.G.) nr. 40/94 vermeldt uitdrukkelijk het begrip "iedere derde" en voert met betrekking tot de hoedanigheid van die derde geen enkele beperking en/of voorwaarde in opdat die derde het teken zou gebruiken in de zin van lid 1, litt. a), en lid 2, litt. d), van gezegd artikel. Voormeld artikel 9, lid 1., litt. a), gebruikt bovendien het begrip "waren" en niet "eigen waren". Hieruit blijkt ook dat de kwestieuze derde geen eigenaar van de goederen dient te zijn opdat hij het teken zou gebruiken in de zin van die bepaling (cfr. naar analogie: Omnisport-arrest van 7 november 1988 van het Benelux Gerechtshof met betrekking tot artikel 13.A. van de Eenvormige Beneluxwet van 19 maart 1962 op de merken). Een handelstussenpersoon, i.c. de verweerster, die in eigen naam en voor rekening van een derde optreedt, valt bijgevolg onder het toepassingsgebied van voormeld artikel 9, lid 1, litt. a), en lid 2, litt. d). Hij kan gekwalificeerd worden als een derde die het teken gebruikt in de zin van die bepaling (wanneer de andere thans niet in betwisting zijnde voorwaarden vervuld zijn; zie hoger nr. 3). Het feit dat de verweerster voor rekening van een derde (de verkoper) optreedt en zelfs indien zou worden aangenomen dat zij niet optreedt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zij zelf verbonden partij is, staat er niet aan in de weg dat de verweerster te dezen het teken heeft gebruikt in de zin van gezegd artikel 9, lid 1, litt. a), en lid 2, litt. d), temeer nu het bestreden arrest beslist dat het merk werd gebruikt in het economisch verkeer (de vermelding in handelsdocumenten) op het territorium van de Gemeenschap (zie hoger nr. 3). De andersluidende beslissing van de appelrechters is niet wettig verantwoord en schendt artikel 9.1.
  3. a)en 9.2.
  4. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94. De aangevochten beslissing o.m. gesteund op volgende overwegingen: "(De verweerster) heeft het teken evenwel niet gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zij zelf verbonden partij was, aangezien ze optrad voor rekening van een derde, in dit geval de verkoper." en "(De verweerster) heeft aldus geen gebruik gemaakt van het teken in de fin van artikel 9.1.
  5. a)en 9.2.
  6. d)van de merkenverordening",
(1)beperkt onwettig het recht van de eiseres, houdster van het merk, om op grond van voormeld artikel 9, lid 1, litt. a), en lid 2, litt. d), het gebruik van het teken aan de verweerster te verbieden en
(2)voegt onwettig aan gezegd artikel 9, lid 1, litt. a), en lid 2, litt. d), voorwaarden toe die deze verordeningsbepaling niet bevat met name dat, opdat hij het teken zou gebruiken in de zin van die bepaling, de derde, in casu verweerster, optreedt voor eigen rekening en/of het teken gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij is. 6. Voor zoveel als nodig en indien het Hof van oordeel zou zijn dat te dezen een prejudiciële vraag, waaromtrent de beslissing noodzakelijk is voor het wijzen van het arrest, dient opgeworpen betreffende de uitlegging van de Verordening (E.G.) nr. 40/94, past het om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de volgende vragen: Dient artikel 9, meer bepaald: 9.1.
  1. a)en 9.2.d), Verordening (E.G.) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk als volgt uitgelegd te worden:
  2. a)is het voor het gebruik van het teken in de zin van die respectieve verordeningsbepalingen vereist dat de kwestieuze derde het teken gebruikt voor eigen rekening ?
  3. b)is het voor het gebruik van het teken in de zin van die respectieve verordeningsbepalingen vereist dat de kwestieuze derde het teken gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij is ?
  4. c)valt een handelstussenpersoon, die optreedt in eigen naam doch voor andermans rekening, onder het toepassingsgebied van voormelde verordeningsbepalingen, met andere woorden: kan hij gekwalificeerd worden als een derde die het teken gebruikt in de zin van voormelde verordeningsbepalingen ?
  5. d)impliceert het feit, wanneer een handelstussenpersoon optreedt in eigen naam, dat hij optreedt voor rekening van een derde, dan dat hij het teken niet als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij was gebruikt ?
  6. e)valt een derde die het teken niet gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij was, aangezien hij optrad voor rekening van een (andere) derde, onder het toepassingsgebied van voormelde verordenings-bepalingen ? 7. In ondergeschikte orde 7.1. Uit de bewoordingen van het bestreden arrest blijkt dat de appelrechters vaststellen, minstens, dat partijen hierover akkoord gaan of niet betwisten, dat de verweerster als handelstussenpersoon, te weten commissionair, in eigen naam en voor rekening van de verkoper (Hillyard Trading) de verkoopovereenkomst sloot met de koper (Checkprice) en aan de koper de kwestieuze factuur heeft uitgereikt ten belope van de verkoopprijs, vermeerderd met het commissieloon van verweerster (zie aangevochten arrest, p. 8, nr. 14, in fine, en p. 13, nr. 23; conclusie in hoger beroep van de verweerster, gedateerd op 9 augustus 2002, p. 8, nr. 3, al. 1). Bijgevolg erkende de verweerster impliciet doch zeker dat zij te dezen bij de verhandeling van de goederen verbonden en belanghebbende partij was nu zij optrad in eigen naam en een commissieloon ontving. Hieromtrent was er tussen partijen geen betwisting. 7.2. Met haar betoog naar luid waarvan haar in haar hoedanigheid van handelstussenpersoon, commissionair, geen merkinbreuk kan worden toegerekend om reden dat zij geen titel verwierf over de betrokken goederen, voerde de verweerster niet aan dat zij geen "belanghebbende en verbonden partij bij de verhandeling van goederen" was (ibidem, nr. 2-3). Nu de appelrechters echter oordelen dat de verweerster het teken niet heeft gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zij zelf verbonden partij was, aangezien zij optrad voor rekening van een derde, werpen zij bijgevolg ambtshalve een door partijen uitgesloten betwisting, die niet van openbare orde is, op en schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van autonomie der procespartijen (ook beschikkingsbeginsel genaamd en art. 1138, 2°, Ger. W.). Door op die onwettige grond te beslissen dat verweerster aldus geen gebruik heeft gemaakt van het teken in de zin van artikel 9.1.
  7. a)en 9.2.
  8. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94, schenden zij ook deze bepaling. 7.3. Commissionair is hij die op zijn eigen naam of onder een maatschappelijke naam handelt voor rekening van een opdrachtgever (zie artikel 12 van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, ingevoegd in het Wetboek van Koophandel (Boek I, Titel VII. Commissiecontract)). Hieruit volgt dat de commissionair, voor de handelingen die hij in zijn eigen naam heeft gesteld (zoals in casu de verweerster voor o.m. de kwestieuze verkoopovereenkomst en factuur), persoonlijk verbonden is en ook tegenover derden in het kader van een buitencontractuele relatie aansprakelijk kan gesteld worden. Door onder meer te oordelen dat de verweerster het teken niet heeft gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zelf verbonden partij was, aangezien zij optrad voor rekening van een derde, terwijl, met betrekking tot de verhandeling der goederen, de verweerster als commissionair tegen een commissieloon in eigen naam o.m. de verkoopovereenkomst sloot en de factuur uitreikte en bijgevolg wel belanghebbende en verbonden partij was, verlenen de appelrechters minstens aan de commissie niet de gevolgen die deze wettelijk heeft (schending van artikel 12 van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, ingevoegd in het Wetboek van Koophandel (Boek I, Titel VII. Commissiecontract). Door op die onwettige grond te beslissen dat de verweerster aldus geen gebruik heeft gemaakt van het teken in de zin van artikel 9.1.
  9. a)en 9.2.
  10. d)Verordening (E G.) nr. 40/94, schenden zij ook deze bepaling. 8. De overige overwegingen van het aangevochten arrest vormen evenmin een wettige verantwoording voor de bestreden beslissing. De overwegingen van de randnummers 21 en 22 van het arrest hebben betrekking op het gebruik van het teken op de website van verweerster en de beoordeling van het gebruik in de zin van artikel 9.2.
  11. b)Verordening (E.G.) nr. 40/94, die niet het voorwerp is van onderhavige voorziening (zie aangevochten arrest, p. 11-12). Besluit De aangevochten beslissing, die de vordering van de eiseres ongegrond verklaart en voor recht zegt dat de verweerster geen gebruik heeft gemaakt van het teken in de zin van artikel 9.1.
  12. a)en 9.2.
  13. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94, op grond van de in het middel bestreden overwegingen en onder meer: "De verweerster heeft het teken evenwel niet gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zij zelf verbonden partij was aangezien ze optrad voor rekening van een derde in dit geval de verkoper", is niet naar recht verantwoord.
  14. a)In hoofdorde: Voor de toepassing van artikel 9.1.
  15. a)en 9.2.
  16. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94 is immers niet vereist dat de kwestieuze derde, in casu de verweerster,
(1)voor eigen rekening optreedt en/of
(2)het teken gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij is, opdat hij het teken zou gebruiken in de zin van die bepaling (en de andere thans niet in betwisting zijnde voorwaarden vervuld zijn; zie hoger nr. 3). Bijgevolg beperken de appelrechters onwettig het recht van de eiseres, houdster van het merk, om op grond van voormeld artikel 9, lid 1., litt. a), en lid 2, litt. d), het gebruik van het teken aan de verweerster te verbieden en voegen zij onwettig aan deze bepaling een voorwaarde toe die deze niet bevat met name dat, opdat hij het teken zou gebruiken in de zin van die bepaling, de derde, in casu de verweerster, optreedt voor eigen rekening en/of het teken gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij is (schending van artikel 9, meer bepaald: 9.1.
  1. a)en 9.2.d), Verordening (E.G.) nr. 40/94). (zie hoger nr. 5) Voor zoveel als nodig en indien het Hof van oordeel zou zijn dat te dezen een prejudiciële vraag, waaromtrent de beslissing noodzakelijk is voor het wijzen van het arrest, wordt opgeworpen betreffende de uitlegging van de Verordening (E.G.) nr. 40/94, past het om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over voormelde vragen (zie hoger nr. 6).
  2. b)In ondergeschikte orde: Te dezen volgt immers uit de vaststelling van de appelrechters, en werd minstens niet betwist dat de verweerster bij de verhandeling van de goederen een verbonden en belanghebbende partij was nu zij optrad in eigen naam en een commissieloon ontving (zie hoger nr. 7.1.). Bijgevolg werpen de appelrechters ambtshalve een door partijen uitgesloten betwisting die niet van openbare orde is op, met name dat de verweerster het teken niet heeft gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zij zelf verbonden partij was, en schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van autonomie der procespartijen (ook beschikkingsbeginsel genaamd en art. 1138, 2°, Ger. W.). Door op die onwettige grond te beslissen dat de verweerster aldus geen gebruik heeft gemaakt van het teken in de zin van artikel 9.1.
  3. a)en 9.2.
  4. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94, schenden zij ook deze bepaling (zie hoger nr. 7.2.). Met betrekking tot de verhandeling der goederen, sloot de verweerster, als commissionair tegen een commissieloon in eigen naam, de verkoopovereenkomst en reikte zij de factuur uit zodat zij wel degelijk belanghebbende en verbonden partij was. Door anders te oordelen verleent de aangevochten beslissing minstens aan de commissie niet de gevolgen die deze wettelijk heeft (schending artikel 12 van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, ingevoegd in het Wetboek van Koophandel (Boek I, Titel VII. Commissiecontract). Door op die onwettige grond te beslissen dat de verweerster aldus geen gebruik heeft gemaakt van het teken in de zin van artikel 9.1.
  5. a)en 9.2.
  6. d)Verordening (E.G.) nr. 40/94, schenden zij ook deze bepaling (zie hoger nr. 7.3.)
  7. c)Door de oorspronkelijke vordering van de eiseres op grond van die onwettige beslissing af te wijzen, schenden de appelrechters ook de artikelen 93 en 95 van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (cfr. Arbitragehof, nr. 2/2002, 9 januari 2002, B.S., 19 maart 2002). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 9.1.
  8. a)van de Verordening 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk, geeft het gemeenschapsmerk de houder een uitsluitend recht, dat hem toestaat iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economisch verkeer te verbieden dat gelijk is aan het gemeenschapsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven. Luidens artikel 9.2.
  9. d)van deze Verordening, kan met name, krachtens voormeld artikel 9.1, het gebruik van het teken in stukken voor zakelijk gebruik en in advertenties worden verboden. 2. De appelrechters stellen vast dat: - door de gerechtsdeurwaarder werd vastgesteld dat de website van de verweerster een aanbod van Smirnoff Ice bevatte, die de douanestatus T1 vermeldt; - de verweerster een bevestigingsbrief stuurde aan de verkoper waarin de merknaam wordt vermeld; - de verweerster in deze brief bevestigt dat zij in eigen naam optreedt, maar voor rekening van de verkoper; - in de facturen die ter uitvoering van de verkoopovereenkomst door de verweerster uitgereikt werden, de merknaam eveneens vermeld is; - het voormeld gebruik van het merk zich situeert op het territorium van de Gemeenschap. 3. De appelrechters oordelen vervolgens dat: - de vermelding in de handelsdocumenten van het merk door een verbonden partij, gelieerd aan een verhandeling van goederen waarvoor het merk werd verkregen, geldt als een gebruik in het economisch verkeer; - de verweerster het teken evenwel niet gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zij zelf verbonden partij was, aangezien ze optrad voor rekening van een derde, te weten de verkoper; - de verweerster aldus geen gebruik heeft gemaakt van het teken in de zin van artikel 9.1.
  10. a)en 9.2.
  11. d)van de Verordening 40/94 inzake het Gemeenschaps-merk. 4. Het onderdeel verwijt het arrest dat, niettegenstaande voormelde vaststellingen, het beslist dat er geen gebruik is van het teken in de zin van artikel 9.1.
  12. a)en 9.2.
  13. d)van de Verordening 40/94, op grond dat de verweerster "het teken niet heeft gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin zijzelf verbonden partij was, aangezien zij optrad voor rekening van een derde". Het middel verwijt het arrest dat het aldus de artikelen 9.1.
  14. a)en 9.2.
  15. d)van de Verordening 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschaps-merk schendt. Het voert daartoe aan dat het voor de toepassing van deze artikelen niet vereist is dat de derde, in de zin van artikel 9.1
  16. a)van de Verordening, voor eigen rekening optreedt en/of het teken gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hij zelf verbonden partij is. 5. Het Hof dient, alvorens uitspraak te doen, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vragen te stellen met het oog op de uitlegging van bovengenoemde artikelen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vragen: 1) Is het voor het gebruik van het teken in de zin van de artikelen 9.1.
  17. a)en 9.2.
  18. d)van de Verordening 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk vereist dat de derde, bedoeld in artikel 9.1.
  19. a)van de Verordening:
  20. a)het teken gebruikt voor eigen rekening?
  21. b)het teken gebruikt als belanghebbende bij een verhandeling van goederen waarin hijzelf verbonden partij is? 2) Kan een handelstussenpersoon, die optreedt in eigen naam, maar niet voor eigen rekening, gekwalificeerd worden als een derde die het teken gebruikt in de zin van de voormelde bepalingen? Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 7 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.4 Gerelateerde publicatie(
  22. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.