← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.6 Rolnummer: C.06.0175.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-21 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche Dat het bestuur het recht heeft om de betaling van het pensioen voor een kalenderjaar te schorsen of te verminderen en om een reeds uitbetaald pensioen terug te vorderen indien in dat jaar de inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit de toegelaten cumulatiegrens overschrijden, belet niet dat de rechter, die over de terugvordering van een onverschuldigd betaald overheidspensioen moet oordelen, kan voor een bepaald kwartaal van een kalenderjaar de verjaring vaststellen en voor de overige maanden van het jaar de terugvordering van het pensioen gegrond verklaren. Thesaurus CAS: PENSIOEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSPENSIOENEN - Algemeen (overheidspensioenen) Vrije woorden: Overheidspensioen - Onverschuldigde betaling - Terugvordering - Verjaringstermijn - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1976 - Art. 59, § 1, eerste lid, en § 2 Wet - 05-04-1994 - Art. 4, § 1, 1°, en § 4, eerste en tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0175.N PENSIOENDIENST VOOR DE OVERHEIDSSECTOR, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen, met burelen te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40, bus 30, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D. W., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling

  1. Krachtens artikel 59, §1, eerste lid, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, blijven de sommen die inzake pensioenen ten onrechte uitbetaald werden door de in artikel 58 van die wet vermelde machten en organismen verworven door hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling niet gevraagd werd binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand gedurende welke de uitbetaling is geschied. Krachtens artikel 59, §2, van diezelfde wet, wordt de in §1 vastgestelde termijn tot vijf jaar opgevoerd, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen. Dit geldt eveneens ten aanzien van sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet-afleggen door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis.
  2. Die wetsbepaling legt de verjaringstermijn vast voor de terugvordering van de sommen die inzake overheidspensioenen onverschuldigd werden uitbetaald.
  3. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 4, §1, 1°, van de Wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, mag de persoon die een rustpensioen geniet of een overlevingspensioen met een rustpensioen cumuleert, na voorafgaande verklaring een beroepsactiviteit uitoefenen die onder de toepassing valt van de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten of van een soortgelijk wettelijk of reglementair statuut, voor zover de bruto beroepsinkomsten 287.760 BEF niet overschrijden. Luidens artikel 4, §4, eerste lid, van de voornoemde wet van 5 april 1994, wordt indien voor een bepaald kalenderjaar de inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit met ten minste 15 procent de in de §§1 en 2 van die wetsbepaling vastgestelde bedragen overschrijden, de betaling van een pensioen geschorst voor datzelfde jaar. Luidens artikel 4, §4, tweede lid, van diezelfde wet wordt, indien voor een bepaald kalenderjaar de in de §§1 en 2 van die wetsbepaling bedoelde inkomsten met minder dan 15 procent de in deze bepalingen vastgestelde bedragen overschrijden, voor datzelfde jaar het pensioen verminderd naar rata van het percentage waarmee de inkomsten de in de §§1 en 2 van die wetsbepaling bedoelde bedragen overschrijden.
  4. Het bepaalde in artikel 4 van de voornoemde wet van 5 april 1994 geeft het bestuur het recht om de betaling van het pensioen voor een kalenderjaar te schorsen of te verminderen en om een reeds uitbetaald pensioen terug te vorderen indien in dat jaar de inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit de toegelaten cumulatiegrens overschrijden. Die wetsbepaling, die niet de termijn regelt waarbinnen de sommen die inzake pensioenen ten onrechte werden betaald, moeten worden teruggevorderd, belet niet dat de rechter die over de terugvordering van een onverschuldigd betaald pensioen moet oordelen, voor een bepaald kwartaal van een kalenderjaar de verjaring vaststelt en voor de overige maanden van het jaar de terugvordering van het pensioen gegrond verklaart.
  5. Het middel dat geheel berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de in het middel geciteerde wetsbepalingen tot gevolg hebben dat de rechter het al dan niet intreden van de verjaring van een onverschuldigd betaald pensioen slechts kan vaststellen voor een volledig kalenderjaar, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 538,68 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 7 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.