← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.8 Rolnummer: C.04.0418.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-05-27 Raadplegingen: 316 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 6 Vermits artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek voor de samenhang van vorderingen enkel verwijst naar de voorrangsregels bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek en niet naar het derde lid van artikel 565 van dit wetboek, kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor éénzelfde rechtbank worden samengevoegd volgens de voorrangsregels die zijn bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek en niet voor de rechtbank die voor één van die vorderingen of punten van de vordering uitsluitend bevoegd is als niet is voldaan aan de voorrangsregels die zijn bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van dit wetboek

(1).
(1)Zie Cass., 11 mei 1979, A.C., 1978-79,
  1. Thesaurus CAS: SAMENHANG UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Verschillende vorderingen of punten van een vordering - Samenvoeging - Bevoegdheid - Voorrangsregels Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 2° tot 5°, en 566 Thesaurus CAS: SAMENVOEGING VAN ZAKEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Samenhang - Verschillende vorderingen of punten van een vordering - Bevoegdheid - Voorrangsregels Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 2° tot 5°, en 566 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Samenhang - Verschillende vorderingen of punten van een vordering - Samenvoeging - Voorrangsregels Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 2° tot 5°, en 566 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Bevoegdheid - Samenhang - Verschillende vorderingen of punten van een vordering - Samenvoeging - Voorrangsregels Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 2° tot 5°, en 566 Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Samenhang - Verschillende vorderingen of punten van een vordering - Samenvoeging - Bevoegdheid - Voorrangsregels Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 2° tot 5°, en 566 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Verschillende vorderingen of punten van een vordering - Samenhang - Samenvoeging - Bevoegdheid - Voorrangsregels Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 2° tot 5°, en 566 Fiches 7 - 12 Artikel 565, tweede lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 566 van dit wetboek verwijst, en dat voorziet dat de rechtbank waartoe men zich eerst wendt voorrang heeft boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht, betreft het geval dat vorderingen of punten van de vordering behoren tot de bevoegdheid van rechtbanken van dezelfde rang; deze voorrangsregel kan niet toegepast worden wanneer de vorderingen behoren tot de bevoegdheid van verschillende rechtbanken. Thesaurus CAS: AANHANGIG GEDING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Samenvoeging van vorderingen - Verwijzing - Rechtbank waartoe men zich eerst wendt - Voorrang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 5°, en 566 Thesaurus CAS: SAMENVOEGING VAN ZAKEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Aanhangig geding - Verwijzing - Rechtbank waartoe men zich eerst wendt - Voorrang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 5°, en 566 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Aanhangig geding - Samenvoeging van vorderingen - Verwijzing - Rechtbank waartoe men zich eerst wendt - Voorrang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 5°, en 566 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Aanhangig geding - Samenvoeging van vorderingen - Verwijzing - Rechtbank waartoe men zich eerst wendt - Voorrang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 5°, en 566 Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Aanhangig geding - Samenvoeging van vorderingen - Rechtbank waartoe men zich eerst wendt - Voorrang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 5°, en 566 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Einde Vrije woorden: Aanhangig geding - Samenvoeging van vorderingen - Verwijzing - Rechtbank waartoe men zich eerst wendt - Voorrang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 565, tweede lid, 5°, en 566 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0418.N
  2. VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN DE RESIDENTIE ELITE, met zetel te 8430 Middelkerke, Zeedijk 128, vertegenwoordigd door haar syndicus, NV Agence Sissau, met zetel te 8430 Middelkerke, Zeedijk 127-128, B.128,
  3. SISSAU-IMMOBILIËN, naamloze vennootschap, met zetel te 8430 Middelkerke, Leopoldlaan 69,
  4. VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN DE RESIDENTIE NORMANDIË, met zetel te 8430 Middelkerke, Zeedijk 129-130, vertegenwoordigd door haar syndicus, NV Agence Sissau, met zetel te 8430 Middelkerke, Zeedijk 127-128, B.128,
  5. VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN DE RESIDENTIE MARA VISTA, met zetel te 8430 Middelkerke, Zeedijk 126-127, vertegenwoordigd door haar syndicus, NV Agence Sissau, met zetel te 8430 Middelkerke, Zeedijk 127-128, B.128,
  6. VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN DE RESIDENTIE ESTRAN, met zetel te 8430 Middelkerke, Leopoldlaan 96-98, vertegenwoordigd door haar syndicus, NV Van Den Abeele & Partners, met zetel te 8430 Middelkerke, Leopoldlaan 104-106, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  7. V.T.G,
  8. V.L.P., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 21 mei 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 565, 566, 591, 3°, 1068, tweede lid en 1070, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 1070 gewijzigd bij de wet van 24 juni 1970). Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis beslist dat alleen de vrederechter bevoegd was om kennis te nemen van de samengevoegde vorderingen van de verweerders tegen de eiseressen en dat er geen aanleiding bestaat om de zaak overeenkomstig artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek in eerste aanleg te beoordelen en het verwijst de zaak overeenkomstig artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter op de volgende gronden uit het niet betwistte tussenvonnis van 9 oktober 1998: Discussie kan er evenwel bestaan nopens de materiële bevoegdheid van de eerste rechter. Deze bevoegdheid is van openbare orde zodat de bevoegdheidsexceptie in elke stand van het geding kan opgeworpen worden, zelfs ambtshalve, en ook in hoger beroep. De materiële bevoegdheid wordt bepaald naar het onderwerp van de vordering, niet naar het door de feitenrechter vast te stellen wettelijk onderwerp van het geschil, maar wel naar de vordering zoals zij door de eiser is voorgedragen. Blijkens de inleidende dagvaarding van 15 september 1995 vorderen de verweerders als oorspronkelijke eiseres lastens de oorspronkelijke eerste en tweede eiseressen "hen te zien en horen verplichten over te gaan tot de overname en de gemeenmaking van de muren die zij in bezit genomen hebben en de grens vormen met de Residenties Normandië, Mara Vista en Estran" en hen dienvolgens te veroordelen "te betalen ... de som van 746.438 BEF ... te verhogen met de vergoedende intresten sedert de dag van de inbezitneming en de begroting van de overnamesommen, zijnde 19 oktober 1990." Zij baseren zich hiervoor op de basisakten van voormelde residenties waarin aan de bouwpromotor, voormalige PVBA Van Der Meulen - Van Trier, nadien PVBA Van Trier - Vanlaer, het "zakelijke recht van gemeenheid" werd voorbehouden aangaande de scheidingsmuren en de afsluitingsmuren tussen het gemeenschappelijk gedeelte en de aanpalende goederen en zij stellen in de dagvaarding expliciet "dat dit zakelijk recht als een overdracht van schuldvordering erkend wordt", aan henzelf als vennoten van de inmiddels in vereffening gestelde PVBA Van Trier - Vanlaer. De verweerders vorderen derhalve lastens de eerste en de tweede eiseressen uit hoofde van een overdracht van schuldvordering hebbende als voorwerp de eventueel door de aanpalende eigenaar te betalen vergoeding voor overname van muurgemeenheid en niet uit hoofde van het recht zelf op gemeenmaking van een mandelige muur, waardoor een bijzondere vorm van mede-eigendom ontstaat (artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek). Overeenkomstig artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de vrederechter kennis, ongeacht het bedrag van de vordering, van geschillen "inzake erfdienstbaarheden en inzake de verplichtingen die de wet oplegt aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven": Welnu, gelet op het voorwerp van de oorspronkelijke vordering lastens de eerste en de tweede eiseressen, dient vastgesteld dat deze vordering niet ressorteert onder de geschillen voorzien in artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, derwijze dat de eerste rechter dienaangaande principieel enkel bevoegd was ingeval de vordering de 75.000 BEF niet zou overtreffen, quod non, gelet op het gevorderde bedrag van 746.438 BEF méér vergoedende intresten vanaf 10 oktober
  9. Lastens de derde tot en met de vijfde eiseressen vorderen de verweerders hen ‘te zien en horen verplichten hun medewerking te verlenen tot het opstellen en het ondertekenen van het proces-verbaal van muurovername, bij gebreke waaraan het tussen te komen vonnis als titel zal gelden voor hun tussenkomst voor de overname van de muren". Deze vordering wordt expliciet gesteld bij toepassing van artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek om reden dat "derde, vierde en vijfde gedaagde blijkbaar opzettelijk nalaten de vordering tot overname te stellen omdat de overnamesommen uiteindelijk toch niet aan hen maar aan verzoekers toekomen". De verweerders oefenen hiermede m.a.w. het vorderingsrecht van de derde tot en met de vijfde eiseressen uit, een vorderingsrecht dat thans wel rechtstreeks steun vindt in het recht op gemeenmaking van een mandelige muur (artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek), en waarvoor de vrederechter aldus wel materieel bevoegd was. We hebben derhalve te maken met twee verschillende vorderingen tussen meerdere partijen die indien ze afzonderlijk zouden zijn ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht. Bovendien betreffen het samenhangende vorderingen in de zin van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat het geenszins uitgesloten is dat toepassing moet gemaakt worden van artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek en de voorrangsregels bepaald in artikel 565, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het zal derhalve aan de partijen behoren nader standpunt in te nemen nopens de materiële bevoegdheid van de eerste rechter in het licht van de principes hierboven uiteengezet. Een ambtshalve heropening der debatten dringt zich dienvolgens op. Deze bevoegdheidsexceptie kan enkel voor gevolg hebben dat, indien de materiële onbevoegdheid van de eerste rechter zou komen vast te staan, de rechtbank het geschil aan zich zal moeten trekken en uitspraak doen bij toepassing van artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden vonnis beoordeelt dit eveneens op de volgende gronden uit het bestreden vonnis: Reeds bij tussenvonnis van 9 oktober 1998 werd gesteld dat de oorspronkelijke vordering van de verweerders in wezen een dubbele vordering inhield. Met name wordt opzichtens de eerste en de tweede eiseressen gevorderd dat zij zouden worden verplicht over te gaan tot overname en gemeenmaking van de scheidsmuren die zij in bezit hebben genomen opzichtens de Res. Normandië, Mara Vista en Estran om hen tevens te veroordelen tot betaling van de som van 746.438 BEF meer de vergoedende intresten vanaf de gemeenmaking van de muren hetzij 19 oktober
  10. Anderzijds wordt opzichtens de derde tot en met de vijfde eiseressen gevorderd dat zij zouden verplicht worden hun medewerking te verlenen tot het opstellen en ondertekenen van het proces-verbaal van muurovername. Waar de vordering van de verweerders opzichtens de eerste en de tweede eiseressen gesteund was op de beweerdelijk overgedragen schuldvordering van de inmiddels ontbonden PVBA Van Trier - Vanlaer, vordering die door deze rechtbank reeds bij tussenvonnis van 9 oktober 1998 werd geacht als niet ressorterende onder artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek terwijl de vordering van de geïntimeerden opzichtens de derde tot en met de vijfde eiseressen wel werd geacht als rechtstreeks gesteund zijnde op artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek en aldus overeenkomstig artikel 591, 3, van het Gerechtelijk Wetboek behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter, werden de partijen door deze rechtbank uitgenodigd standpunt in te nemen nopens de toepassing van artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek, juncto 562, 2° tot en met 5°, van het Gerechtelijk Wetboek tot bepaling van de bevoegdheid van de eerste rechter om kennis te nemen van deze samengevoegde vorderingen. Beide partijen hebben dienaangaande uitvoerig besloten na het tussenvonnis van 9 oktober
  11. De beweringen van de verweerders dat ook hun vordering opzichtens de eerste en de tweede eiseressen zouden vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de eerste rechter bij toepassing van artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en de beweringen van de eiseressen dat de zijdelingse vordering van de geïntimeerden opzichtens de derde tot en met de vijfde eiseressen in wezen geen zijdelingse vordering zou zijn en aldus overeenkomstig artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, doordat deze het bedrag van 75.000 BEF overtrof, zou behoren tot de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, zijn in wezen niet meer relevant. Deze rechtbank heeft bij tussenvonnis van 9 oktober 1998 reeds gestatueerd dat de vordering van de verweerders in wezen tweeledig was, en dat de vordering opzichtens de eerste en de tweede eiseressen niet doch de vordering opzichtens de derde tot en met de vijfde eiseressen wel behoorde tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter overeenkomstig artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Wel merken de verweerders terecht op dat terzake toepassing dient te worden gemaakt van artikel 562, 5°, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek om te besluiten dat de eerste rechter terzake wel bevoegd was. Immers behoorde één van de twee vorderingen tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter overeenkomstig artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals reeds geoordeeld bij tussenvonnis van 9 oktober 1998, zodat alleen de vrederechter bevoegd was om kennis te nemen van de samengevoegde vorderingen, ingevolge zijn exclusieve bevoegdheid betreffende één der twee samengevoegde vorderingen. Tevens was de vrederechter de eerste rechter tot wie de (verweerders) zich hadden gewend, zodat ook om deze redenen kan worden besloten tot de bevoegdheid van de eerste rechter. Er bestaat derhalve geen aanleiding om de zaak overeenkomstig artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek vooralsnog in eerste aanleg te beoordelen. Grieven Eerste onderdeel Verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, kunnen, indien zij samenhangend zijn, krachtens artikel 566, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het artikel 566, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst uitsluitend naar de regels van artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek. De andere regels uit artikel 565 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen niet bij analogie worden toegepast in geval van samenhang. Het bestreden vonnis stelt vast dat de vordering van de verweerders tegen de eerste en de tweede eiseressen niet behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter en dat de vordering van de verweerders tegen de derde, de vierde en de vijfde eiseressen wel behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter ingevolge het artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en de appelrechters stelden in het niet bestreden tussenvonnis van 9 oktober 1998 vast dat zij te maken hebben met twee verschillende maar samenhangende vorderingen tussen meerdere partijen die indien ze afzonderlijk zouden zijn ingesteld, van verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht. Het bestreden vonnis beslist op die gronden dat terzake dient toepassing gemaakt van artikel 565, 5°, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek om te besluiten dat de eerste rechter alzo wel bevoegd was vermits één van de twee vorderingen behoorde tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter overeenkomstig artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek zodat alleen de vrederechter bevoegd was om kennis te nemen van de samengevoegde vorderingen ingevolge zijn exclusieve bevoegdheid betreffende één der twee samengevoegde vorderingen. Wanneer een van de vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, is alleen deze bevoegd om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen ingevolge artikel 565, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en niet ingevolge artikel 565, 5°, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zoals ten onrechte beslist in het bestreden vonnis (schending van artikel 565, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De verwijzing ingevolge samenhang geschiedt krachtens artikel 566, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitsluitend volgens de voorrang bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, zodat het bestreden vonnis ten onrechte beslist heeft dat alleen de vrederechter bevoegd was om kennis te nemen van de samenhangende vorderingen ingevolge de regel van voorrang die voorkomt in artikel 565, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermits deze regel niet van toepassing is indien de vorderingen samenhangend zijn (schending van de artikelen 565, tweede lid, 2° tot 5°, 565, derde lid, 566, eerste lid, en 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). Op die gronden kon het bestreden vonnis niet wettelijk beslissen dat er geen aanleiding was om de zaak overeenkomstig artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek vooralsnog in eerste aanleg te beoordelen (schending van artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het bestreden vonnis niet wettelijk beslissen om de zaak overeenkomstig artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter, zijnde de vrederechter, te verwijzen (schending van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, kunnen, indien zij samenhangend zijn, krachtens artikel 566, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden vonnis stelt vast dat de vordering van de verweerders tegen de eerste en de tweede eiseressen niet behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter en dat de vordering van de verweerders tegen de derde, de vierde en de vijfde eiseressen wel behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter ingevolge artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en de appelrechters stelden in het niet bestreden tussenvonnis van 9 oktober 1998 vast dat zij te maken hebben met twee verschillende maar samenhangende vorderingen tussen meerdere partijen die indien ze afzonderlijk zouden zijn ingesteld, van verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht. Het bestreden vonnis beslist op die grond dat terzake dient toepassing gemaakt van artikel 565, 5°, om te besluiten dat de eerste rechter terzake wel bevoegd was vermits de vrederechter de eerste rechter was tot wie de verweerders zich hadden gewend zodat om deze reden tot de bevoegdheid van de eerste rechter werd besloten. Het artikel 565, tweede lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek onderstelt dat het gaat om rechtbanken van dezelfde rang en onderstelt dat de ene rechtbank later geadieerd wordt dan de andere rechtbank in welk geval de rechtbank waartoe men zich het eerste wendt, voorrang heeft boven de later geadieerde rechtbank. Het bestreden vonnis heeft dan ook ten onrechte besloten tot de bevoegdheid van vrederechter omdat hij de eerste was tot wie de verweerders zich hadden gewend nu de vordering van de verweerders tegen de eerste en de tweede eiseressen en de vordering van de verweerders tegen de derde, de vierde en de vijfde eiseressen in eerste aanleg tegelijkertijd voor dezelfde vrederechter werden aangebracht zodat de regel van voorrang van artikel 565, tweede lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is (schending van de artikelen 565, tweede lid, 5°, en 566 van het Gerechtelijk Wetboek). Op die gronden kon het bestreden vonnis niet wettelijk beslissen dat er geen aanleiding was om de zaak overeenkomstig artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek vooralsnog in eerste aanleg te beoordelen (schending van artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het bestreden vonnis niet wettelijk beslissen om de zaak overeenkomstig artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter te verwijzen (schending van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek). (...) III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  12. Krachtens artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van dit wetboek; Artikel 565, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat, in geval van aanhangigheid, de verwijzing van de samengevoegde vorderingen geschiedt naar de volgende voorrang: - de rechtbank die over de zaak een ander vonnis heeft gewezen dan een beschikking van inwendige orde, heeft altijd voorrang; - de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken; - de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel; - de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter; - de vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank; - de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht.
  13. Het derde lid van voormeld artikel 565 bepaalt dat in het geval dat een van de vorderingen tot de uitsluitende bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, alleen deze bevoegd is om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen. Voormeld artikel 566 verwijst voor de samenhang van vorderingen echter enkel naar de regels van voorrang bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5° van het Gerechtelijk Wetboek en niet naar het derde lid van artikel 565 van dit wetboek. Aldus kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor eenzelfde rechtbank worden samengevoegd volgens de voorrangregels die zijn bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van het Gerechtelijk Wetboek en niet voor de rechtbank die voor een van de vorderingen of punten van de vordering uitsluitend bevoegd is als niet is voldaan aan de voorrangregels die zijn bepaald in artikel 565, tweede lid, 2° tot 5°, van dit wetboek.
  14. Het bestreden vonnis oordeelt dat: - reeds bij tussenvonnis van 9 oktober 1988 werd gesteld dat de oorspronkelijke vordering van de verweerders in wezen een dubbele vordering inhield; - de vordering van de verweerders tegen de eerste twee eiseressen steunt op de beweerdelijk overgedragen schuldvordering van de inmiddels ontbonden PVBA Van Trier-Vanlaer en dat in voormeld tussenvonnis die vordering reeds werd geacht niet te vallen onder artikel 591, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de vordering van de verweerders tegen de derde tot en met de vijfde eisers in voormeld tussenvonnis reeds werd geacht te behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter; - toepassing dient te worden gemaakt van "art. 562 - 5° eerste en tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek"; - alleen de vrederechter bevoegd was om van de samenhangende vorderingen kennis te nemen ingevolge zijn uitsluitende bevoegdheid om van een van de samenhangende vorderingen kennis te nemen. Het bestreden vonnis beslist op grond van die redenen dat: - er geen aanleiding bestaat om de zaak overeenkomstig artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek vooralsnog in eerste aanleg te beoordelen; - het hoger beroep van de eiseressen ongegrond is; - het incidenteel beroep van de verweerders gedeeltelijk gegrond is; - de beslissing nopens de kosten in eerste aanleg werd aangehouden; - de zaak overeenkomstig artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek terug wordt verwezen naar de eerste rechter om verder te worden gehandeld als naar recht. Het bestreden vonnis verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  15. Het artikel 565, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 566 van dit wetboek verwijst, betreft het geval dat vorderingen of punten van de vordering behoren tot de bevoegdheid van rechtbanken van dezelfde rang.
  16. Het bestreden vonnis stelt vast, zoals aangegeven in voormeld randnummer 3, dat de vorderingen van de verweerders, eensdeels, tegen de eerste twee eiseressen en, anderdeels, tegen de derde tot en met de vijfde eiseressen, behoren tot de bevoegdheid van verschillende rechtbanken. Het bestreden vonnis dat in die omstandigheden toepassing maakt van de artikelen 566 en 565, tweede lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 7 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080207.8 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180111.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.