id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080211.2 Rolnummer: S.07.0085.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2008-02-26 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Op grond van de toelichting in de aanhef van het Koninklijk Besluit van 28 april 1999, kan niet besloten worden dat voor de periode vóór 1 december 1998 geen vakantiegeld verschuldigd is op jaarlijks toegekende bonussen of premies, zodat ook voor de periode vóór 1 december1998 de jaarlijks betaalde premies of bonussen onder bepaalde voorwaarden als variabel loon in de zin van artikel 39, eerste lid van het K.B. van 30 maart 1967 kunnen beschouwd worden
(1)Zie Cass., 18 sept. 2006, AR S.05.00520.N, A.C., 2006, nr. 422 waarin werd geoordeeld dat wanneer de toekenning van het loonvoordeel vaststaat, maar alleen het bedrag ervan wisselend is, het geen veranderlijk loon betreft. Thesaurus CAS: LOON - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID Vrije woorden: Jaarlijkse vakantie - Vakantiegeld - Veranderlijk loon Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - Art. 39 - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Tekst van de beslissing Nr. S.07.0085.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen SWISS LIFE BELGIUM, naamloze vennootschap, voorheen ZELIA, met zetel te 1060 Brussel, Fonsnylaan 38, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 februari 2003 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, §1, eerste lid, 5, 14 en 23 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 2, §1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, 38, §1, en 39 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, artikel 39 vóór zijn wijziging bij wet van 26 maart 1999; - artikel 2, derde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Loonbeschermingswet), vóór de wijziging bij wet van 22 mei 2001; - artikel 1 van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, vóór zijn wijziging bij wet van 24 december 2002; - artikel 19, §1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in zijn versie van na de wetswijziging bij koninklijk besluit van 30 maart 1982 en vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 27 januari 1997; - de artikelen 1 en 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, artikel 39 vóór de toevoeging van een zesde alinea bij koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 1 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 28 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank waarin beslist werd dat op de variabele premies, die de verweerster jaarlijks aan bepaalde van haar bedienden in binnendienst toekende, geen vakantiegeld was verschuldigd zodat eiser geen sociale zekerheidsbijdragen kon vorderen op niet-verschuldigd vakantiegeld. De beslissing dat de vordering van eiser ongegrond was, werd gesteund op de volgende overwegingen: "Artikel 39, lid 1, van het koninklijk besluit dd. 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers bepaalde: de bedienden wier wedde geheel veranderlijk is (provisies, premies, percenten, kortingen, enz.) hebben per vakantiedag, recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der bruto bezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan of in voorkomend geval gedurende het gedeelte van die twaalf maanden dat zij in dienst geweest zijn, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Bij arrest van 22 september 1980 oordeelde het Hof van Cassatie dat een eindejaarspremie voor de berekening van het vakantiegeld niet als veranderlijk loon kan worden aangemerkt om de enkele reden dat het bedrag van de premie elk jaar verschilt (Cass., 22 september 1980, R.W. 1980-1981, 1665). Bij arrest van 1 juni 1987 oordeelde het Hof van Cassatie dat een in percenten vastgesteld aandeel in de winst dat aan de bediende als tegenprestatie van arbeid wordt toegekend veranderlijk loon is in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, ook wanneer het slechts eens per jaar wordt betaald. Bij koninklijk besluit van 1 maart 1999 (B.S. 12 mei 1999) werd een alinea toegevoegd in verband met de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan andere criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maken. Dit koninklijk besluit werd stilzwijgend retroactief opgeheven door het koninklijk besluit van 28 april 1999 (B.S. 12 mei 1999) en bepaalt: ‘worden eveneens in aanmerking genomen als een veranderlijke wedde in de zin van het eerste lid, de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies'. Artikel 2 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat dit besluit uitwerking heeft met ingang van 1 december
- De preambule luidt als volgt: ‘Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat in het verleden enige verwarring kon ontstaan omdat er in de rechtspraak uiteenlopende opvattingen bestaan omtrent de vraag of het vakantiegeld tijdens de uitvoering van de overeenkomst verschuldigd is op de jaarlijks of aan het eind van het boekjaar uitbetaalde gratificaties, zoals bonussen of premies wegens verdienste, en omdat de wetgeving terzake onvoldoende is; dat de toestand voor de toekomst moet worden verhelderd; dat artikel 1 van dit koninklijk besluit niet beoogt het verleden weer op losse schroeven te zetten; dat dit besluit aansluit op advies nr. 1259 dat door de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad werd geformuleerd; dat derhalve moet worden gepreciseerd dat het begrip veranderlijke wedde in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 voortaan moet worden begrepen in de zin die nader is bepaald in artikel 1 van dit koninklijk besluit' . Het (arbeids)hof is van mening dat op grond van de uitdrukkelijke voorziening in het koninklijk besluit van de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit en van de vermelding in de aanhef dat 'voortaan' het begrip veranderlijke wedde in deze zin moet worden begrepen, het de bedoeling was om de variabele premies die een grotere periodiciteit hebben dan een maand, toegekend aan een bediende met een vaste wedde slechts vanaf 1 december 1998 in de berekening van het vakantiegeld te doen opnemen en dat voormelde koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 geen interpretatieve koninklijke besluiten zijn" (p. 4, laatste alinea t.e.m. p.6, eerste alinea). Grieven
- Met afwijking van artikel 2, derde lid, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normaal loon voor de vakantiedagen als loon beschouwd voor de berekening van de sociale bijdragen (zie artikel 19, §1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969). Op het gedeelte van het wettelijk vakantiegeld dat niet overeenstemt met het normale loon voor de vakantiedagen met uitzondering van het dubbel vakantiegeld vanaf de derde dag van de vierde vakantieweek, wordt een inhouding verricht die gelijk is aan het totaal van de in artikel 38, §2, vastgelegde bijdragevoeten van de werknemersbijdragen (artikel 39, §1, van de wet van 29 juni 1981). De eiser staat in voor de inning van de socialezekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn op het vakantiegeld waarop een werknemer aanspraak kan maken (artikel 5 van de wet van 27 juni 1969).
- De bedienden wier wedde geheel veranderlijk is (provisies, premies, percenten, kortingen, enz.), hebben, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, per vakantiedag recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan, eventueel verhoogd met een fictief loon voor gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Krachtens het vijfde lid van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 worden voor de bedienden wier wedde slechts gedeeltelijk veranderlijk is, voor het vast gedeelte van het loon, de bepalingen van artikel 38 van datzelfde koninklijk besluit toegepast, terwijl, voor het veranderlijk gedeelte van het loon, de bepalingen van de vorige leden van artikel 39 toepassing vinden, onder voorbehoud van andere beschikkingen die bij collectieve overeenkomst worden getroffen.
- Van een "veranderlijk loon" in de zin van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 is sprake wanneer de toekenning ervan als loon, dit is als tegenprestatie van de in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeid, afhankelijk is van criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maken. Wanneer de toekenning van het loonvoordeel vaststaat, maar alleen het bedrag ervan wisselend is, betreft het geen veranderlijk loon.
- In casu werden jaarlijks aan bepaalde bedienden in binnendienst premies toegekend in functie van geleverde prestaties (verdienstenpremies genoemd). Deze premies werden toegekend en berekend op grond van een door verweerster ontwikkeld evaluatiesysteem (zie arrest, p.4, "feiten", tweede alinea). Hierdoor waren zowel de toekenning als de berekening van de premies afhankelijk van criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maakten. De premies die de verweerster toekende aan haar werknemers dienden derhalve beschouwd te worden als een veranderlijke wedde in de zin van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, waarop vakantiegeld is verschuldigd.
- Bij koninklijk besluit van 1 maart 1999, vervangen bij koninklijk besluit van 28 april 1999, is aan voormeld artikel 39 een zesde lid toegevoegd waarin verduidelijkt wordt dat als veranderlijke wedde in de zin van artikel 39, eerste lid, ook in aanmerking genomen worden: de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik (van de betaling) van deze premies. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december
- In de aanhef van het koninklijk besluit van 28 april 1999 wordt er op gewezen dat het de bedoeling is de toestand "voor de toekomst" te verhelderen, dat het koninklijk besluit "niet beoogt het verleden weer op losse schroeven te zetten" en dat "het begrip veranderlijke wedde in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 voortaan moet worden begrepen in de zin die nader is bepaald in artikel 1 van dit koninklijk besluit". Op grond van deze toelichting kan niet worden besloten dat voor de periode vóór 1 december 1998 geen vakantiegeld verschuldigd is op jaarlijks toegekende bonussen of premies. Het koninklijk besluit van 28 april 1999 wilde immers alleen maar voor de toekomst de onzekerheid wegnemen door uitdrukkelijk te bepalen dat de periodiciteit van de premie geen rol speelt. De koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 doen met andere woorden geen afbreuk aan de voordien reeds geldende definitie van veranderlijke wedde. Aldus kunnen ook voor de periode vóór 1 december 1998 de jaarlijkse betaalde premies of bonussen, onder de voorwaarden zoals hoger bepaald (zie punt 3), als veranderlijk in de zin van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 juni 1967 worden beschouwd. Niet naar recht verantwoord is derhalve de beslissing van het arbeidshof dat "Op grond van de uitdrukkelijke voorziening in het koninklijk besluit (van 28 april 1999) van de datum van de inwerkingtreding van (dit) koninklijk besluit en van de vermelding in de aanhef dat ‘voortaan' het begrip veranderlijke wedde in deze zin moet worden begrepen, het de bedoeling was om de variabele premies die een grotere periodiciteit hebben dan een maand, toegekend aan een bediende met een vaste wedde slechts vanaf 1 december 1998 in de berekening van het vakantiegeld te doen opnemen en dat voormelde koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 geen interpretatieve koninklijke besluiten zijn".
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig op deze gronden heeft kunnen oordelen dat de verweerster geen vakantiegeld was verschuldigd op de premies die zij gedurende de periode van 1995 tot en met 1997 jaarlijks aan bepaalde bedienden in binnendienst heeft betaald, zonder na te gaan of de voorwaarden niet waren vervuld om deze premies als veranderlijk loon op te vatten in de zin van de oude versie van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 (schending van de artikelen 1 van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, 1 en 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, artikel 39 vóór de toevoeging van een zesde alinea bij koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999, de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 1 maart 1999 en 28 april 1999, 2, derde lid, van de Loonbeschermingswet). In zoverre de toegekende premies beantwoordden aan de omschrijving van "veranderlijke wedde" in de zin van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 (zie punt 4), heeft het bestreden arrest de vordering van de eiser tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen niet wettig ongegrond verklaard (schending van de artikelen 1, §1, eerste lid, 5, 14 en 23 van de wet van 27 juni 1969, 2, §1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, 38, §1, en 39 van de wet van 29 juni 1981, 19, §1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, vóór zijn toevoeging van een zesde alinea bij koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999, 2, derde lid, van de Loonbeschermingswet). III. BESLISSING VAN HET HOF
- Krachtens artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, hebben de bedienden wier wedde geheel veranderlijk is, per vakantiedag recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan, eventueel verhoogd met een fictief loon voor gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Krachtens het vijfde lid van dit artikel, worden voor de bedienden wier wedde slechts voor een gedeelte veranderlijk is, voor het vast gedeelte de bepalingen van artikel 38 van hetzelfde besluit toegepast en voor het veranderlijk gedeelte de bepalingen van de vorige leden van artikel 39, onder voorbehoud van andere beschikkingen die bij collectieve overeenkomst worden getroffen.
- Bij koninklijk besluit van 1 maart 1999, vervangen bij koninklijk besluit van 28 april 1999, is aan voormeld artikel 39 een zesde lid toegevoegd waarin verduidelijkt wordt dat als veranderlijke wedde in de zin van artikel 39, eerste lid, ook in aanmerking worden genomen: de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december
- In de aanhef van het koninklijk besluit van 28 april 1999 wordt er op gewezen dat het de bedoeling is de toestand "voor de toekomst" te verhelderen, dat het koninklijk besluit "niet beoogt het verleden weer op losse schroeven te zetten" en dat "het begrip veranderlijke wedde in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 voortaan moet worden begrepen in de zin die nader is bepaald in artikel 1 van dit koninklijk besluit". Op grond van deze toelichting kan niet worden besloten dat voor de periode voor 1 december 1998 geen vakantiegeld verschuldigd is op jaarlijks toegekende bonussen of premies. Het koninklijk besluit van 28 april 1999 wilde immers alleen maar voor de toekomst de onzekerheid wegnemen door uitdrukkelijk te bepalen dat de periodiciteit van de premie geen rol speelt. Dienvolgens kunnen ook voor de periode voor 1 december 1998 de jaarlijks betaalde premies of bonussen onder bepaalde voorwaarden als variabel loon in de zin van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 juni 1967 worden beschouwd.
- Voor de toepassing van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 juni 1967 moet loon als veranderlijk worden beschouwd wanneer de toekenning ervan als loon, dit is als tegenprestatie van de in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeid, afhankelijk is van criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maken. Wanneer de betaling van het loonvoordeel niet onzeker is, maar alleen het bedrag ervan wisselend is, betreft het geen veranderlijk loon.
- Het arrest oordeelt dat voor variabele premies die een grotere periodiciteit hebben dan een maand, het begrip "veranderlijke wedde" slechts vanaf 1 december 1998 in de zin als voormeld moet worden begrepen voor de berekening van het vakantiegeld van bedienden met een vaste wedde en dat de koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 geen interpretatieve koninklijke besluiten zijn. Op grond hiervan oordeelt het arrest dat de verweerster geen vakantiegeld was verschuldigd op de premies die zij gedurende de aangevochten periode van 1995 tot en met 1997 jaarlijks aan bepaalde bedienden in binnendienst heeft betaald en dan ook de betaling van sociale zekerheidsbijdragen op dit vakantiegeld niet verschuldigd was. Zodoende schendt het arrest de in het middel als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de socialezekerheidsbijdragen met betrekking tot het vakantiegeld op de premies gedurende de periode van 1995 tot en met 1997 betaald en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van elf februari tweeduizend en acht uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080211.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100118.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div