id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
§2
, en 28, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 3, 4°, en 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekende over de vorderingen van de verweerder, het hoger beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof beslist dat de huisarbeiders werkten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst en dienvolgens dat de eiseres en de huisarbeiders onderworpen waren aan de sociale zekerheid voor werknemers. Het arbeidshof steunt die beslissing op de volgende motieven: "4.
- Het dient uitgemaakt of het toepassingsgebied van de RSZ-wet van 27 juni 1969 verruimd werd tot de (eiseres) en de 20 huisarbeiders (door de (eiseres) toeleveranciers genoemd). Het behoort de (verweerder) te bewijzen dat de in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 gestelde voorwaarden vervuld zijn. Het leveren van dit bewijs is nodig, maar tevens voldoende. 4.
- Het is niet betwist en het staat overigens zonder enig mogelijke betwisting vast dat de huisarbeiders, waaronder echtgenoten: - grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerkten die de (eiseres) (of, uitzonderlijk, een ander bedrijf, verbonden met de (eiseres)) hun toevertrouwden; - deze manuele arbeid verrichtten op een door hen gekozen plaats (thuis); - alleen werkten en zeker niet meer dan vier helpers tewerkstelden (geen). Het is wel betwist dat de arbeid werd verricht in gelijkaardige voorwaarden als een arbeidsovereenkomst. De (eiseres) houdt met name staande dat de toeleveranciers zelfstan¬digen waren. 4.
- Personen tot wie de sociale zekerheid voor werknemers kan worden uitgebreid onder gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst zijn niet degenen die, al dan niet ingevolge een arbeidsovereenkomst, onder gezag of in een verhouding van ondergeschiktheid arbeiden, maar degenen die arbeiden in omstandigheden welke gelijkenis vertonen met die waaronder arbeid in een verhouding van ondergeschikt¬heid wordt verricht (Cass. 8 maart 2004, J.T.T. 2004, 513; Cass. 9 april 1979, Arr. Cass. 1978-79, 944). Om te oordelen of huiswerkers arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst en derhalve onder de sociale zekerheid voor werknemers vallen, mag geen rekening worden gehouden met gegevens die niets te maken hebben met de voorwaarden en omstandigheden waarin de arbeid wordt verricht. Evenmin mogen gegevens, die niet vreemd zijn aan die voorwaarden en omstandigheden, buiten beschouwing worden gelaten (Cass. 4 oktober 2004, R.W. 2005-2006, 858). 4.
- Sommigen van de 20 huiswerkers werkten alleen voor de (eiseres), anderen hadden een andere hoofdactiviteit (als loontrekkende of als zelfstandige). Uiteraard oefenden zij hun activiteit voor de (eiseres) uit met het oog op het verwerven van een al dan niet bijkomend inkomen. De huiswerkers voerden voor de (eiseres) geen activiteit uit waarmee zij zich zelfstandig in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten commercieel konden aanbieden. De door de (eiseres) overgelegde facturen van enkele huisarbeiders hebben dan ook niets te maken met hun activiteit voor de (eiseres). Voor alle huisarbeiders golden dezelfde eenzijdig door de (eiseres) opgelegde arbeidsvoorwaarden. De daaromtrent door de sociale inspectie opgetekende verklaringen van de afgevaardigd bestuurder van de (eiseres) en van de huisarbeiders worden geheel bevestigd door schriftelijke overeenkomsten, die een drietal huisarbeiders hebben overhandigd aan de sociaal inspecteur. De inhoud van de overeenkomst tussen de (eiseres) en de huisarbeider (‘toeleverancier') luidt als volgt: ‘Als toeleverancier wordt beschouwd: personen die in het bezit zijn van handelsregister en die akkoord gaan met de hieronder vermelde voorwaarden. Het werk van de toeleverancier omvat montage, solderen en bestukken van printen, kabels en elektrische of electronische delen. Het werk wordt bij de toeleverancier uitgevoerd, per uitzondering en indien noodzakelijk op een speciaal aangeduide plaats. Bij de toeleverancier moet een ruimte voorzien worden die uitsluitend daarvoor gebruikt wordt en met de nodige netheid en zorg onderhouden wordt. Het werk wordt volgens de bijgevoegde werkmethode uitgevoerd. Dit gebeurt binnen een bepaalde tijd zoals vermeld op de leveringsbon van de firma Robosoft. De hoeveelheid werk die afgeleverd wordt, zal tussen de 10 en de 20 uren per week bedragen, in samenspraak met de toeleverancier. Het nodige werkmateriaal wordt meegeleverd en dient na iedere opdracht terugbezorgd te worden. Stuk - of beschadigd materiaal moet teruggegeven worden samen met een vermelding zodanig dat het vervangen kan worden. Bij verlies of beschadiging door verkeerd gebruik zullen de kosten worden aangerekend aan de toeleverancier. Per werkopdracht is er een controlemethode voorzien en die dient stipt opgevolgd te worden. De goederen moeten teruggeleverd worden voor de afgesproken datum en dit zonder uitzondering. Dit wordt gebruikt als eerste maatstaf ter controle van de kwaliteit. Bij onmogelijkheid van het uitvoeren van de opdracht moet het materiaal terugbezorgd worden in de toestand zoals het zich bevindt zodat een ander tijdig deze opdracht kan afwerken. Per stuk wordt een tijd aangegeven. Deze tijd dient om de vergoeding te berekenen. De betaling gebeurt aan 450 BEF/uur en uitgerekend met het aantal afgewerkte stukken en de werktijd heeft dit een bepaalde waarde per stuk. De factuur kan opgesteld worden éénmaal per maand en wordt na controle + opname in de boekhouding contant betaald. De toeleverancier is verplicht zijn boekhouding bij te houden, de sociale lasten en BTW te betalen zoals het hoort zodat geen problemen kunnen ontstaan door administratieve fouten'. Het arbeidshof leidt uit deze gegevens af dat de huisarbeiders, die contractueel niet het recht hadden het werk uit te besteden en om het even waar uit te besteden, werkten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de bewering dat de (eiseres) slechts opdrachten gaf in zoverre er voldoende werk was en dat de toeleverancier dus geen loon was gegarandeerd, vermits ook een arbeider, verbonden door een arbeidsovereenkomst, niet hoeft te werken wanneer de werkgever geen opdrachten heeft en het hem betaalde loon, (dat eventueel stukloon of taakloon kan zijn), in de regel, eveneens tegenprestatie is van geleverde arbeid. Dat de huisarbeiders geheel vrij zouden zijn geweest het aangeboden werk al dan niet te aanvaarden, dient ten zeerste te worden gere¬lativeerd vermits hun activiteit een wezenlijk onderdeel was van de bedrijfsactiviteit van de (eiseres), zodat de (eiseres) er moest kunnen op rekenen dat het voorradige werk regelmatig werd uitgevoerd en dit ongetwijfeld ook van de huisarbeiders verlangde. Vanzelfsprekend wenste de (eiseres) tijdig te weten of het werk zou worden uitgevoerd, wat geïllustreerd wordt door het feit dat de huisarbeiders verwittigden wanneer ze ziek waren of vakantie zouden nemen. Uiteraard konden de huisarbeiders beslissen niet meer voor de (eiseres) te werken. Een arbeider, verbonden door een arbeidsovereenkomst, kan eveneens zijn overeenkomst beëindigen. Rekening houdend met wat onder 4.
- werd gezegd, is het van geen belang dat de huisarbeiders in het handelsregister ingeschreven waren en dat zij jarenlang, zonder enig protest, de verbintenissen, vermeld in fine van de voormelde schriftelijke overeenkomsten, nakwamen. Gelet op wat onder 4.
- werd beslist dient de (verweerder) niet het bewijs te leveren van een geheel van feitelijke elementen dat onverenigbaar is met de door de (eiseres) en de toeleveranciers aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie. De (eiseres) en de huisarbeiders waren dus onderworpen aan de sociale zekerheid voor werknemers" (blz. 7 t.e.m. blz. 10, vierde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 24 juni 2005 waarin de eiseres werd veroordeeld tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 527.116,51 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wette¬lijke interest op een bedrag van 411.884,81 euro vanaf 16 juni 2003 tot de dag van betaling, en van een bedrag van 441,98 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 432,49 euro vanaf 9 september 2003 tot de dag van betaling (blz. 11, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van de kosten van het hoger beroep (blz. 11, laatste alinea, van het bestreden arrest). Grieven 1.
- Op grond van artikel 2, §1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als RSZ-wet, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van die wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn, tegen loon arbeidsprestaties verrichten onder het gezag van een ander persoon of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. De Koning wijst alsdan ook de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd. De uitbreidingen van het personeel toepassingsgebied van de RSZ-wet tot de personen die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, worden door de Koning bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als Uitvoeringsbesluit RSZ-wet. De bedoeling van die uitbreidingen is de socialezekerheidsregeling voor werknemers uit te breiden tot personen die sociaal-economisch beschouwd in een gelijkaardige toestand verkeren als werknemers, doch van wie het ondergeschikt verband juridisch niet altijd kan worden bewezen omwille van de aard van de door hen gesloten overeenkomst. 1.
- Overeenkomstig artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet wordt de toepassing van de RSZ-wet verruimd tot de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die een of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars. Eerste onderdeel Om tot de toepassing van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet te besluiten is vereist dat de personen die grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die een of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, dat doen "op een door hen gekozen plaats", d.w.z. op een plaats die zij vrij kunnen bepalen en wijzigen. Het arbeidshof stelt vast dat voor alle huisarbeiders dezelfde eenzijdig door de eiseres "opgelegde" arbeidsvoorwaarden golden en dat de daaromtrent door de sociale inspectie opge¬tekende verklaringen geheel worden bevestigd door de schriftelijke overeenkomst tussen de eiseres en de "toeleveranciers", die onder meer bepaalt: "Het werk wordt bij de toeleverancier uitgevoerd, per uitzondering en indien noodzakelijk op een speciaal aangeduide plaats. Bij de toeleverancier moet een ruimte voorzien worden die uitsluitend daarvoor gebruikt wordt en met de nodige netheid en zorg onderhouden wordt" (blz. 8, vierde en vijfde alinea van het arrest). Het arbeidshof stelt vast dat de "toeleveranciers" dus "contractueel niet het recht hadden het werk (...) om het even waar uit te voeren" (blz. 9, tweede alinea, van het arrest). Uit die vaststellingen volgt dat de toeleveranciers hun arbeid niet uitvoerden "op een door hen gekozen plaats" in de zin van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ.-Wet. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de eiseres en de "toeleveranciers", die het "huisarbeiders" noemt, met toepassing van de voornoemde bepaling onder de socialezekerheidsregeling voor werknemers vielen (blz. 10, derde en vierde volledige alinea, van het arrest). Conclusie Het arbeidshof beslist aldus niet wettig dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet vervuld zijn en dat de eiseres en de huisarbeiders onderworpen waren aan de sociale zekerheid voor werknemers (schending van de artikelen 2, §1, 1 °, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof bevestigt aldus ook niet wettig het vonnis van de arbeidsrechtbank te leper van 24 juni 2005 waarin de eiseres werd veroordeeld tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 527.116,51 euro als socialezekerheids-bijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 411.884,81 euro vanaf 16 juni 2003 tot de dag van betaling, en van een bedrag van 441,98 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 432,49 euro vanaf 9 september 2003 tot de dag van betaling (schending van de artikelen 22, eerste lid, 23, §
§2
, en 28, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres dienvolgens evenmin wettig tot betaling van de kosten van het hoger beroep (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel
- Om tot de toepassing van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet te besluiten is ook vereist dat de aldaar bedoelde arbeid wordt verricht in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. De rechter dient te onderzoeken of de betrokkene in werkelijkheid arbeid verricht in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Personen die "in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst" arbeid verrichten, zijn degenen die arbeiden in omstandigheden welke gelijkenis vertonen met die waaronder arbeid in ondergeschiktheid wordt verricht. De vereiste dat de arbeid wordt verricht in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, houdt in dat een arbeidsprestatie, een vergoeding (die vergelijkbaar is met loon, zijnde elke vergoeding als tegenprestatie voor de arbeid, ongeacht de benaming ervan) en een zekere graad van socio-economische afhankelijkheid aanwezig dienen te zijn. De rechter mag bij de beoordeling of arbeid wordt verricht in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, geen rekening houden met gegevens die niets te maken met de voorwaarden en de omstandigheden waarin de arbeid wordt verricht, terwijl hij anderzijds bij die beoordeling geen gegevens die niet vreemd zijn aan die voorwaarden en omstandigheden buiten beschouwing mag laten. Het Hof kan nagaan of de feitenrechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat al dan niet "arbeid wordt verricht in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst". 1.2.
- Het arbeidshof stelt vast dat voor alle huisarbeiders dezelfde eenzijdig door de eiseres "opgelegde" arbeidsvoorwaarden golden en dat de daaromtrent door de sociale inspectie opgetekende verklaringen geheel worden bevestigd door de schriftelijke overeenkomst tussen de eiseres en de "toeleveranciers", waarvan het arbeidshof de inhoud citeert (blz. 8, vierde en vijfde alinea, tot blz. 9, midden, van het bestreden arrest). Het arbeidshof leidt uit "deze gegevens", d.w.z. uit de inhoud van de overeenkomsten die de door de sociaal inspecteur opgetekende verklaringen bevestigen, af dat de huisarbeiders, die contractueel niet het recht hadden het werk uit te besteden en om het even waar uit te voeren, werkten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst (blz. 9, midden, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt verder nog - dat aan het feit dat de huisarbeiders arbeid verrichtten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst geen afbreuk wordt gedaan "door de bewering dat de (eiseres) slechts opdrachten gaf in zoverre er voldoende werk was en dat de toeleverancier dus geen loon was gegarandeerd, vermits ook een arbeider, verbonden door een arbeidsovereenkomst, niet hoeft te werken wanneer de werkgever geen opdrachten heeft en het hem betaalde loon, (dat eventueel stukloon of taakloon kan zijn), in de regel, eveneens tegenprestatie is van geleverde arbeid" (blz. 9, laatste alinea, eerste zin, van het bestreden arrest). - dat het feit "dat de huisarbeiders geheel vrij zouden geweest zijn het aangeboden werk al dan niet te aanvaarden, ten zeerste dient te worden gerelativeerd vermits hun activiteit een wezenlijk onderdeel was van de bedrijfsactiviteit van de (eiseres), zodat de (eiseres) er moest kunnen op rekenen dat het voorradige werk regelmatig werd uitgevoerd en dit ongetwijfeld ook van de huisarbeiders verlangde" omdat de eiseres vanzelfsprekend tijdig wenste te weten of het werk zou worden uitgevoerd, wat geïllustreerd wordt door het feit dat de huisarbeiders verwittigden wanneer ze ziek waren of vakantie zouden nemen (blz. 9, onderaan, t.e.m. blz. 10, bovenaan, van het bestreden arrest); - de huisarbeiders uiteraard konden beslissen niet meer voor de eiseres te werken, maar dat een arbeider, die verbonden is door een arbeidsovereenkomst, eveneens zijn overeenkomst kan beëindigen (blz. 10, eerste alinea, van het bestreden arrest). 1.2.
- De gegevens die blijken uit de overeenkomsten gesloten tussen de eiseres en de leveranciers, waarvan de tekst door het arbeidshof wordt geciteerd, en uit de verdere overwegingen van het arbeidshof tonen het bestaan van gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst niet aan. Bepaalde van die gegevens wijzen uit hun aard eerder op het niet aanwezig zijn van voorwaarden gelijkaardig aan die van een arbeidsovereenkomst, namelijk dat - de toeleveranciers "in het bezit zijn van een handelsregister"; - de toeleverancier verplicht is zijn boekhouding bij te houden en de sociale lasten en de BTW te betalen; - de toeleveranciers vrij waren het aangeboden werk al dan niet te aanvaarden; - de toeleveranciers konden beslissen niet meer voor de eiseres te werken. Andere van de door het arbeidshof in aanmerking genomen gegevens zijn niet relevant voor het beoordelen van het al dan niet bestaan van gelijkaardige voorwaarden, namelijk dat - het werk van de toeleveranciers bestaat in "de montage, het solderen en het bestukken van printen, kabels en elektrische of electronische delen"; - "per stuk een tijd wordt aangegeven", deze tijd dient om de vergoeding te berekenen, "de betaling gebeurt aan 450 BEF/uur en uitgerekend met het aantal afgewerkte stukken en de werktijd dit een bepaalde waarde per stuk (geeft)"; - de factuur éénmaal per maand kan worden opgesteld en (na controle en opname in de boekhouding) contant betaald wordt. Nog andere gegevens kunnen evenzeer het voorwerp uitmaken van afspraken bij een samenwerking op zelfstandige basis als bij een samenwerking op basis van een arbeidsovereenkomst, zodat zij niet wijzen op voorwaarden gelijkaardig aan die van een arbeidsovereenkomst, met name dat - het werk bij de toeleverancier wordt uitgevoerd, per uitzondering en indien noodzakelijk op een speciaal aangeduide plaats" en dat bij de toeleverancier een ruimte moet voorzien worden die uitsluitend daarvoor gebruikt wordt en met de nodige netheid en zorg onderhouden wordt; - het nodige werkmateriaal wordt meegeleverd en na iedere opdracht terugbezorgd dient te worden. Ten slotte zijn er nog een aantal gegevens die kunnen ingegeven zijn door commerciële, organisatorische, praktische of kwaliteitsoverwegingen, die daarom evenmin wijzen op voorwaarden gelijkaardig aan die van een arbeidsovereenkomst: zij kunnen ook voorkomen in een overeenkomst waarbij op zelfstandige basis wordt samengewerkt. Dat is met name het geval met de gegevens dat - het werk wordt uitgevoerd volgens de bijgevoegde werkmethode; - het werk wordt uitgevoerd "binnen een bepaalde tijd" (zoals vermeld op de leveringsbon van de eiseres) en "de hoeveelheid werk die afgeleverd wordt tussen de 10 en de 20 uren per week zal bedragen in samenspraak met de toeleverancier"; - "stuk of beschadigd materiaal moet teruggegeven worden samen met een vermelding zodanig dat het vervangen kan worden" en dat bij verlies of beschadiging door verkeerd gebruik de kosten zullen worden aangerekend aan de toeleverancier; - de kosten bij verlies of beschadiging door verkeerd gebruik zullen worden aangerekend aan de toeleverancier; - per werkopdracht een controlemethode is voorzien die stipt dient opgevolgd te worden, dat de goederen moeten worden teruggeleverd vóór de afgesproken datum (zonder uitzondering) wat gebruikt wordt als "eerste maatstaf ter controle van de kwaliteit"; de toeleverancier verplicht is om, wanneer de opdracht onmogelijk kan uitgevoerd worden, het materiaal terug te bezorgen in de toestand zoals het zich bevindt zodat een ander tijdig de opdracht kan afwerken; - dat de huisarbeiders contractueel niet het recht hadden het werk uit te besteden en om het even waar uit te voeren: - de eiseres tijdig wenste te weten of het werk zou worden uitgevoerd en dat de leveranciers derhalve de eiseres verwittigden wanneer ze ziek waren of vakantie zouden nemen. Het arbeidshof kan uit het geheel van de hierboven weergegeven en bekritiseerde feitelijke elementen niet wettig afleiden dat de huisarbeiders arbeid verrichtten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Conclusie Het arbeidshof kan uit de door hem in aanmerking genomen feitelijke gegevens niet wettig afleiden dat de huisarbeiders werkten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst en beslist aldus niet wettig dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet vervuld zijn en dat de eiseres en de huisarbeiders onderworpen waren aan de sociale zekerheid voor werknemers (schending van de artikelen 2, §1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof bevestigt aldus ook niet wettig het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 24 juni 2005 waarin de eiseres werd veroordeeld tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 527.116,51 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 411.884,81 euro vanaf 16 juni 2003 tot de dag van betaling, en van een bedrag van 441,98 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 432,49 euro vanaf 9 september 2003 tot de dag van betaling (schending van de artikelen 22, eerste lid, 23, §
§2
, en 28, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres dienvolgens evenmin wettig tot betaling van de kosten van het hoger beroep (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 2, §1, 1°, 5, eerste lid, 1°, 14, 22, 23, §
§2
, en 28, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; - de artikelen 3, 4°, en 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekende over de vorderingen van de verweerder, het hoger beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof bevestigt dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 24 juni 2005 waarin de eiseres werd veroordeeld tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 527.116,51 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 411.884,81 euro vanaf 16 juni 2003 tot de dag van betaling, en van een bedrag van 441,98 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 432,49 euro vanaf 9 september 2003 tot de dag van betaling. Het arbeidshof beslist dat de socialezekerheidsbijdragen werden berekend op grond van het loon van de huisarbeiders, zoals voorgeschreven. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven: "
- De (verweerder) heeft de bijdragen berekend aan de hand van de bedragen, aan de huisarbeiders betaald voor de maandelijks gepresteerde uren, verminderd met 10 pct., naar analogie met artikel 119.6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De bijdragen werden dus berekend op grond van het loon van de huisarbei¬ders, zoals voorgeschreven" (blz. 11, punt 7, van het bestreden arrest). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van de kosten van het hoger beroep (blz. 11, laatste alinea, van het bestreden arrest). Grieven
- Eerste onderdeel 2.1.
- De eiseres voerde in haar regelmatig ter griffie van het arbeidshof op 30 mei 2006 neergelegde conclusie aan: "In subsidiaire orde had (zij) het in vorige conclusie over het gevorderde bedrag (p. 21, punt V). (Zij) heeft nog steeds het gissen naar de bedragen, die de (verweerder) vooropstelt. Overigens zou men niet kunnen stellen dat de socialezekerheidsbijdragen dan maar moeten worden berekend op het bedrag van de facturen. Als (beweerde) werknemers hebben deze personen geen recht op de vergoeding, die zij als zelfstandige ontvingen en moet worden nagegaan welk loon zij als werknemer zouden hebben verdiend. Van het bedrag dat zij als zelfstandige aannemer ontvingen, betaalden zij onder meer zelf de socialezekerheidsbijdragen in de zelfstandigenregeling. Alvast moeten deze bijdragen naast ook de BTW en andere kosten worden afgetrokken om tot een equivalent te komen van een belastbaar loon, dat als basis dient voor de berekening van de beweerde bijdragen. De RSZ zou dus eerst moeten aantonen hoe zij een en ander berekende en zal daarenboven moeten aantonen wat de precieze basis is, rekening houdende met voormelde elementen, alvorens de correcte berekeningsbasis kan worden weerhouden. In een overeenkomst voor zelfstandige arbeid wordt de hoegrootheid van de door de opdrachtgever aan de zelfstandige aannemer te betalen vergoeding bepaald met inachtneminq van de door de zelfstandige aannemer uitsluitend zelf te dragen kosten, waaronder de BTW en de bijdrage voor de sociale zekerheid als zelfstandige. Ook droegen zij vaste bedrijfskosten, waaronder het verzorgen van hun accountancy en dergelijke meer. De vergoeding, die iedere zelfstandige aannemer met concluante bedongen heeft, houdt rekening met deze kosten. In geval van herkwalificatie door de rechter van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid in een arbeidsovereenkomst moet eerst het loon worden bepaald, waarop de werknemer "ingevolqe de dienstbetrekking" recht heeft, terwijl dan slechts op die basis socialezekerheidsbijdragen voor werknemers verschuldigd kunnen zijn (Cass. 10 januari 2005, J.T.T. 2005, p. 334; Cass. 21 november
- J.T.T. 2006, p. 24)". (blz. 3, eerste t.e.m. vijfde alinea, van de op 30 mei 2006 ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusie van de eiseres, "Aanvullende beroepsconclusie" genaamd). De eiseres voerde aldus in conclusie voor het arbeidshof aan dat in een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking de grootte van de door de opdrachtgever aan de zelfstandige aannemer te betalen vergoeding bepaald wordt met inachtneming van de door de zelfstandige aannemer zelf te betalen bijdragen voor de sociale zekerheid als zelfstandige, zodat die bijdragen in mindering dienen te worden gebracht van de basis waarop de socialezekerheidsbijdragen in het stelsel voor werknemers worden berekend. 2.1.
- Met betrekking tot de basis waarop de socialezekerheidsbijdragen in het stelsel voor werknemers dienen te worden berekend overweegt het arbeidshof in het bestreden arrest enkel dat "de (verweerder) de bijdragen heeft berekend aan de hand van de bedragen, aan de huisarbeiders betaald voor de maandelijks gepresteerde uren, verminderd met 10 pct., naar analogie met artikel 119.6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten" en dat "de bijdragen dus werden berekend op grond van het loon van de huisarbeiders, zoals voorgeschreven" (blz. 11, punt 7, van het bestreden arrest). Het arbeidshof antwoordt aldus met geen enkele overweging of vaststelling in het bestreden arrest op het hierboven aangeduide door de eiseres in conclusie aangevoerde middel. Conclusie Door niet te antwoorden op het hierboven vermelde middel van de eiseres, schendt het arbeidshof de door artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet opgelegde motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). 2.
- Tweede onderdeel 2.2.
- Op grond van artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als RSZ-wet, heeft de verweerder tot taak de bijdragen te innen van de werkgevers en de werknemers teneinde bij te dragen tot de financiering van de regelingen opgesomd in dat artikel. De artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, hieronder afgekort als Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, en artikel 14 van de RSZ-wet, bepalen dat de socialezekerheidsbijdragen worden berekend op basis van het loon van de werknemer, waarbij het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet. Krachtens artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, van de Loonbeschermingswet wordt onder loon verstaan: het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. 2.2.
- Artikel 2, §1, 1°, van de RSZ-wet machtigt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van de RSZ-wet uit te breiden onder meer tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon een arbeid te verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Op die grond breidde de Koning bij artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hieronder afgekort als Uitvoeringsbesluit RSZ-wet), de toepassing van de RSZ-wet onder bepaalde voorwaarden uit tot bepaalde personen die op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken, die hun door een of verschillende handelaars zijn toevertrouwd, m.a.w. tot bepaalde zelfstandige huisarbeiders, wier arbeidsverhouding geen dienstbetrekking is maar daarmee wordt gelijkgesteld. De vervulling van de voorwaarden voor toepassing van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet heeft de toepassing van de socialezekerheidsregeling voor werknemers tot gevolg op personen die geen werknemers zijn omdat zij niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden, maar zelfstandigen, wier arbeidsverhouding wordt gelijkgesteld met een dienstbetrekking. In een overeenkomst voor zelfstandige arbeid kan het bedrag van de vergoeding die de opdrachtgever verschuldigd is aan de persoon met wie hij op zelfstadige basis samenwerkt, mee bepaald zijn met inachtneming van de door de zelfstandige te betalen bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen. Het gedeelte van de oorspronkelijk bepaalde vergoeding dat voor de partijen ertoe strekte de zelfstandige toe te laten zijn bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen te betalen, heeft specifiek betrekking op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid en niet op een dienstbetrekking. Dat gedeelte van de vergoeding kan dan ook ingevolge het toepasselijk verklaren van de socialezekerheidsregeling voor werknemers niet beschouwd worden als loon of een voordeel waarop de werknemer (of de op het vlak van de sociale zekerheid met een werknemer gelijkgestelde persoon) recht heeft "ingevolge de dienstbetrekking" of de daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding en kan bijgevolg geen basis zijn voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen voor werknemers. 2.2.
- Het arbeidshof beslist in het bestreden arrest dat de huisarbeiders op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerkten die de eiseres hun hebben toevertrouwd en dat zij alleen werkten en zeker niet meer dan vier helpers tewerkstelden (zie blz. 7, punt 4.
- en blz. 9, midden, van het bestreden arrest). Het arbeidshof acht de toepassingsvoorwaarden van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet aldus vervuld en beslist dan ook dat de eiseres en de huisarbeiders onderworpen waren aan de sociale zekerheid voor werknemers (blz. 10, vierde alinea, van het bestreden arrest). Zoals blijkt uit het eerste onderdeel, voerde de eiseres in regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusie aan dat in een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking de grootte van de door de opdrachtgever aan de zelfstandige aannemer te betalen vergoeding bepaald wordt met inachtneming van de door de zelfstandige aannemer zelf te betalen bijdragen voor de sociale zekerheid als zelfstandige, zodat die bijdragen in mindering dienen te worden gebracht van de basis waarop de socialezekerheidsbijdragen in het stelsel voor werknemers worden berekend. Met betrekking tot de basis waarop de socialezekerheidsbijdragen in het stelsel voor werknemers dienen te worden berekend overweegt het arbeidshof in het bestreden arrest enkel dat "de (verweerder) de bijdragen heeft berekend aan de hand van de bedragen, aan de huisarbeiders betaald voor de maandelijks gepresteerde uren, verminderd met 10 pct., naar analogie met artikel 119.6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten" en dat "de bijdragen dus werden berekend op grond van het loon van de huisarbeiders, zoals voorgeschreven" (blz. 11, punt 7, van het bestreden arrest). Die overwegingen houden in dat het arbeidshof de vergoedingen die de eiseres aan de huisarbeiders betaalde (na aftrek van 10 pct.) geheel als loon beschouwt voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in de regeling voor werknemers, ongeacht of zij betrekking hebben op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid dan wel op een (met een) dienstbetrekking (gelijkgestelde arbeidsverhouding). Nochtans zijn, zoals hierboven werd uiteengezet, enkel socialezekerheidsbijdragen verschuldigd op het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer (of de op het vlak van de sociale zekerheid met een werknemer gelijkgestelde persoon) ten laste van de werkgever (of de op het vlak van de sociale zekerheid met een werkgever gelijkgestelde persoon) recht heeft "ingevolge de dienstbetrekking" (of de op het vlak van de sociale zekerheid met een dienstbetrekking gelijkgestelde arbeidsverhouding). Het arbeidshof gaat in het bestreden arrest niet na of, en stelt niet vast dat de door de eiseres in het kader van de overeenkomsten voor zelfstandige arbeid betaalde vergoeding niet mee bepaald was met inachtneming van de door de zelfstandige huisarbeiders te betalen bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen en dus niet specifiek betrekking heeft op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid maar op een dienstbetrekking. Door, met veronachtzaming van de in het eerste onderdeel geciteerde aanvoering van de eiseres, niet na te gaan en vast te stellen op welk loon de onder toepassing van de sociale zekerheid voor werknemers gebrachte huisarbeiders recht hadden ingevolge hun met een dienstbetrekking gelijkgestelde arbeidsverhouding en door zonder meer aan te nemen dat terecht de bedragen die aan de huisarbeiders werden betaald voor de maandelijks gepres¬teerde uren, verminderd met 10 pct., in rekening werden gebracht voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd in de regeling voor werknemers, schendt het arbeidshof het voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in het stelsel voor de werknemers in aanmerking te nemen begrip loon. Conclusie Het arbeidshof oordeelt niet wettig dat de bijdragen werden berekend op grond van het loon van de huisarbeiders zoals voorgeschreven (schending van de artikelen 2, §1, 1°, 5, eerste lid, 1°, 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, eerste en tweede lid, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2, eerste lid, 1° en 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, en van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof verklaart dienvolgens niet wettig het hoger beroep van de eiseres ongegrond en bevestigt niet wettig het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 24 juni 2005 waarin de eiseres werd veroordeeld tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 527.116,51 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 411.884,81 euro vanaf 16 juni 2003 tot de dag van betaling, en van een bedrag van 441,98 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 432,49 euro vanaf 9 september 2003 tot de dag van betaling (schending van de artikelen 22, 23, §1, en §2, en 28, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof veroordeelt aldus de eiseres ook niet wettig tot betaling van de kosten van het hoger beroep (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
- Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - artikel 28, §1, vóór de vervanging ervan bij artikel 81 van de programmawet van 27 december 2005, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 54, eerste lid, zowel in de versie van vóór in die als van na de wijziging ervan bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2000 , van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - voor zoveel als nodig, artikel 14, 1., van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerlijke en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966, en goedgekeurd bij wet van 15 mei
- Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekende over de vorderingen van de verweerder, het hoger beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof beslist dat de door de eiseres verschuldigde bijdrageopslagen en interesten niet kunnen worden verminderd. Het arbeidshof steunt die beslissing op de volgende motieven: "6.
- De verwijlinteresten en de bijdrageverhogingen zijn verschuldigd krachtens artikel 28 van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en artikel 54 van het koninklijk besluit van 28 november
- Uitdrukkelijk wordt bepaald vanaf wanneer tot wanneer ze worden berekend. Zij worden opgelegd aan degene die de verschuldigde bijdragen niet stipt en tijdig betaalt, rekening houdend met het niet renderend geld en de door de wanbetalers veroorzaakte administratiekosten: zij vervullen geen repressieve functie want zij worden verklaard door de zorg van de wetgever om de forfaitair geraamde schade te vergoeden (Arbitragehof 22 januari 2003, nr. 9/2003, BS 11 april 2003). De verwijlinteresten en de bijdrageverhogingen zijn dus geen "administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM". 6.
- Naar luid van de artikelen 28 van de RSZ-wet van 27 juni 1969 en 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 mag de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden, ervan afzien de betaling te vorderen van alle of van een deel van de bijdrageopslagen en de verwijlinteresten van de werkgever, die de betaling van de bijdragen niet binnen de wettelijke termijnen heeft gedaan. De rechter mag zich voor de uitoefening van dit recht niet in de plaats van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stellen (Cass. 13 maart 1970, Arr. Cass. 1970, 663; Cass. 19 december 1973, Arr. Cass. 1974, 453). 6.
- De werkgever heeft geen recht op gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het betalen van bijdrageopslagen en verwijlinteresten, ook al bevindt hij zich in de in artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bepaalde voorwaarden (Lenaerts, H., concl. bij Cass. 17 mei 1978, Arr. Cass. 1978, 1089; R. v. St. nr. 35062, 7 juni 1990, Arr. R v. St. 1990, 12). Hij heeft dus geen subjectief recht op de gevorderde vrijstelling. 6.
- Uit dit alles volgt dat de bijdrageopslagen en de intrest hier niet kunnen worden verminderd" (blz. 10, punt 6.
- t.e.m. blz. 11, punt 6.4., van het bestreden arrest). Het arbeidshof bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 24 juni 2005 waarin de eiseres werd veroordeeld tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 527.116,51 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 411.884,81 euro vanaf 16 juni 2003 tot de dag van betaling, en van een bedrag van 441,98 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 432,49 euro vanaf 9 september 2003 tot de dag van betaling (blz. 11, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van de kosten van het hoger beroep (blz. 11, laatste alinea, van het bestreden arrest). Grieven 3.1.
- Op grond van artikel 28, §1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als RSZ-wet, is de werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, aan de RSZ een bijdrageopslag verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. Artikel 28, §1, tweede lid, van de RSZ-wet bepaalt dat de bijdrageopslag evenwel niet meer mag bedragen dan tien procent van de verschuldigde bijdragen. Op grond van artikel 54, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, is de werkgever op de bijdragen die niet tijdig betaald zijn een bijdrageopslag van tien procent van hun bedrag verschuldigd. 3.1.
- Artikel 6.1 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hieronder afgekort als EVRM, bepaalt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Om te bepalen of sprake is van een strafvervolging in de zin van artikel 6.1, van het EVRM kan rekening worden gehouden met de interne kwalificatie van de inbreuk, de aard van de inbreuk en de aard en de ernst van de sanctie. Om te bepalen of een sanctie een strafsanctie in de zin van artikel 6.1, van het EVRM uitmaakt, moet meer bepaald nagegaan worden of ze
(1)niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft,
(2)een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie is gesteld,
(3)niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen,
(4)stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfdertijd preventief en repressief is, en
(5)zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. De verplichting tot betaling van socialezekerheidsbijdragen binnen de voorgeschreven termijn, richt zich tot alle bijdrageplichtige werkgevers en opdrachtgevers en dus niet tot een bepaalde groep met een bijzonder statuut. De norm heeft aldus een algemene draagwijdte en schrijft een bepaald gedrag (tijdige betaling van socialezekerheidsbijdragen) voor waaraan sancties gekoppeld zijn in geval van niet-naleving (bijdrageopslagen). De bijdrageopslagen zijn niet bedoeld als geldelijke vergoeding voor geleden schade, maar beogen in essentie te bestraffen om het zich opnieuw voordoen van dergelijke inbreuken te voorkomen. Met de bijdrageopslagen wordt dus een repressief (bestraffend) en preventief doel nagestreefd. De bijdrageopslagen hebben niet tot doel administratiekosten te dekken. Zij hebben geen schadeherstellend karakter. De bijdrageopslagen zijn aanzienlijk, aangezien zij 10 pct. van de verschuldigde bijdragen bedragen. De sanctie is dus dermate zwaar dat de inbreuk normaal als strafrechtelijk moet worden beschouwd. De laattijdige betaling door de werkgever van de door hem verschuldigde socialezekerheidsbijdragen maakt inderdaad ook een misdrijf uit. De bijdrageopslagen die door de werkgever op grond van de artikelen 28, §1, van de RSZ-wet en 54, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet verschuldigd zijn bij laattijdige betaling van de door hem verschuldigde socialezekerheidsbijdragen, dienen aldus als een "strafvervolging" in de zin van artikel 6.1, van het EVRM te worden beschouwd. Overigens, als de bijdrageopslagen niet als zodanig te beschouwen zijn, dan betreft een geding daarover "het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen" van de werkgevers en valt het als zodanig onder de toepassing van artikel 6.1, van het EVRM. 3.
- Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "(de bijdrageverhogingen) worden opgelegd aan degene die de verschuldigde bijdragen niet stipt en tijdig betaalt, rekening houdend met het niet renderend geld en de door de wanbetalers veroorzaakte administratiekosten" en dat "zij geen repressieve functie vervullen want zij worden verklaard door de zorg van de wetgever om de forfaitair geraamde schade te vergoeden" (blz. 10, punt 6.1., tweede alinea, van het bestreden arrest). Zoals hierboven werd uiteengezet, vormen de bijdrageopslagen geen vergoeding voor de door de wanbetalers veroorzaakte administratiekosten. De bijdrageopslagen zijn uitgedrukt in een percentage (10 pct.) van de verschuldigde bijdragen, wat geen correcte berekeningswijze kan zijn van eventuele kosten: de hoogte van de administratiekosten hangt nauwelijks af van de hoogte van de achterstallige bijdragen (aldus zijn bij voorbeeld de rappelkosten en de kosten voor de behandeling van het dossier grotendeels gelijk voor kleine en grote achterstallen). Zij hebben niet het karakter van een schadevergoeding. Zij beogen de werkgever die zich schuldig maakt aan sociale fraude te bestraffen en vervullen dus een repressieve functie. Het arbeidshof overweegt vervolgens dat de bijdrageverhogingen dus geen "administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM" zijn (blz. 10, punt 6.1., derde alinea, van het bestreden arrest). De bijdrageopslagen maken om de hierboven uiteengezette redenen wel een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6.1, van het EVRM uit. Het arbeidshof is niet wettig van oordeel dat dat niet het geval is. Overigens is een geschil over de bijdrageopslagen als het al geen "strafvervolging" is in de zin van het voornoemd artikel 6.1, dan toch in ieder geval een geschil over de vaststelling van de burgerlijke rechten en verplichtingen van de eiseres in de zin van die bepaling. 3.
- Artikel 6.1, van het EVRM waarborgt de toegang tot een rechter die beschikt over volle rechtsmacht. Een rechter heeft volle rechtsmacht wanneer hij de macht heeft om de voor hem gebrachte betwisting in al haar aspecten, zowel feitelijke als juridische, te onderzoeken. De rechter die uitspraak doet over de verschuldigdheid van bijdrageopslagen, beschikt dus over een volle rechtsmacht en kan op grond van die volle rechtsmacht die bijdrageopslagen verminderen. Conclusie Het arbeidshof is niet wettig van oordeel dat de op grond van de artikelen 28, §1, van de RSZ-wet en 54, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet door de werkgever ver¬schuldigde bijdrageverhogingen geen "administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM" uitmaken, en beslist mede op grond van dat motief niet wettig dat de bijdrageopslagen niet kunnen worden verminderd (schending van de artikelen 6.1, van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, 28, §1, vóór de vervanging ervan bij artikel 81 van de programmawet van 27 december 2005, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 54, eerste lid, zowel in de versie van vóór als van na de wijziging ervan bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2000 , van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en, voor zoveel als nodig, artikel 14.1, van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerlijke en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966, en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981). Het arbeidshof bevestigt aldus niet wettig het vonnis van de arbeidsrechtbank te Ieper van 24 juni 2005 waarin de eiseres werd veroordeeld tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 527.116,51 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 411.884,81 euro vanaf 16 juni 2003 tot de dag van betaling, en van een bedrag van 441,98 euro als socialezekerheidsbijdragen en vermeerderingen, vermeerderd met de wettelijke interest op een bedrag van 432,49 euro vanaf 9 september 2003 tot de dag van betaling (schending van de artikelen 28, §1, vóór de vervanging ervan bij artikel 81 van de programmawet van 27 december 2005, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en 54, eerste lid, zowel in de versie van vóór als van na de wijziging ervan bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2000, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres dan ook niet wettig tot betaling van de kosten van het hoger beroep (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel Eerste onderdeel
- Het beding in de overeenkomst "Het werk wordt bij de toeleverancier uitgevoerd, per uitzondering en indien noodzakelijk op een speciaal aangeduide plaats. Bij de toeleverancier moet een ruimte voorzien worden die uitsluitend daarvoor gebruikt wordt en met de nodige netheid en zorg onderhouden wordt", sluit volgens het arrest niet uit dat de huisarbeiders de "manuele arbeid verrichten op een door hen gekozen plaats". De appelrechters laten hun oordeel dat de toeleveranciers werkten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst mede steunen op de reden dat de huisarbeiders "niet het recht hadden het werk (...) om het even waar uit te voeren".
- Met deze aangevochten reden geeft het arrest louter te kennen dat de ruimte waarbinnen het werk effectief diende te worden uitgevoerd, moest beantwoorden aan een aantal criteria inzake exclusiviteit, netheid en zorg, zoals de werkplaats bij een arbeidsovereenkomst. Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Luidens artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, is de sociale zekerheid voor werknemers toepasselijk op de personen die, op een door hen gekozen plaats, in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede op die handelaars.
- De arbeidsgerechten oordelen op grond van de hun voorgelegde feitelijke gegevens of thuiswerkers arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Zij oordelen daarbij onaantastbaar in feite.
- De appelrechters oordelen dat een verhouding van ondergeschiktheid van de thuiswerkers niet vereist is en stellen vast wat volgt: - de toeleveranciers oefenden hun activiteit uit voor de eiseres met het oog op het verwerven van een inkomen, al dan niet bijkomend; - zij voerden voor de eiseres geen activiteit uit waarmee zij zich zelfstandig in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten commercieel konden aanbieden; - voor alle huisarbeiders golden dezelfde door de eiseres opgelegde arbeidsvoorwaarden; - het werk werd volgens de bij de overeenkomst gevoegde werkmethode binnen een bepaalde tijd uitgevoerd in een ruimte bij de toeleveranciers die uitsluitend daarvoor gebruikt werd en met de nodige netheid en zorg onderhouden werd; - het nodige werkmateriaal werd meegeleverd en diende na iedere opdracht terugbezorgd te worden; - stuk of beschadigd materiaal moest worden teruggegeven en bij verlies of beschadiging door verkeerd gebruik zouden de kosten aangerekend worden aan de toeleveranciers; - per werkopdracht was er een controlemethode voorzien die stipt opgevolgd diende te worden; - per te bewerken stuk werd een tijd aangegeven ter berekening van de vergoeding; - de toeleveranciers hadden niet het recht het werk verder uit te besteden. Op grond hiervan vermochten de appelrechters te beslissen dat de toeleveranciers werkten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst.
- De appelrechters vermochten tevens te oordelen dat het facultatief karakter van het werk, afgeleid uit de vaststelling dat de eiseres niet verplicht was werk te verschaffen en de thuisarbeiders de mogelijkheid hadden om het werk te weigeren en mits verwittiging verlof te nemen, geen afbreuk doet aan de beslissing dat de toeleveranciers arbeidsprestaties leverden in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Het arrest schendt aldus artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 23, eerste lid, en artikel 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en artikel 14, §1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969, worden de socialezekerheidsbijdragen voor de werknemers berekend op basis van het loon van de werknemers. Krachtens artikel 23, tweede lid, van de voormelde wet van 29 juni 1981 en artikel 14, §2, van de voormelde wet van 27 juni 1969, wordt het begrip loon, dat voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in aanmerking wordt genomen, bepaald bij artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, dit is het geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft ten laste van zijn werkgever.
- Bij ontstentenis van nadere precisering van wat in dit geval als basis moet dienen voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, dient bij de verruiming van de toepassing van de RSZ-wet, zoals bepaald in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, uitsluitend als loon te worden beschouwd datgene wat als tegenprestatie van de arbeid betaald wordt.
- In een overeenkomst voor zelfstandige arbeid wordt de hoegrootheid van de door de opdrachtgever aan de zelfstandige arbeider te betalen vergoeding bepaald of kan die bepaald worden met inachtneming van de door de zelfstandige arbeider uitsluitend zelf te dragen bijdragen voor het sociaal statuut der zelfstandigen en de kosten met betrekking tot de arbeid. Het gedeelte van de oorspronkelijk bepaalde vergoeding, er juist toe strekkende de zelfstandige arbeider toe te laten uitsluitend zelf zijn bijdragen voor het sociaal statuut der zelfstandigen en de bijkomende kosten met betrekking tot de arbeid te betalen, komt dienvolgens niet in aanmerking als loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen voor werknemers.
- Hieruit volgt dat, in geval de rechter aanneemt dat de overeenkomst voor zelfstandige arbeid onder de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 valt, de in de overeenkomst voor zelfstandige arbeid bedongen en door de opdrachtgever te betalen vergoeding niet noodzakelijk overeenstemt met het loon op basis waarvan de door de bedoelde bewerkers van grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten te betalen socialezekerheidsbijdragen dienen te worden berekend.
- De appelrechters stellen vast dat de verweerder de bijdragen heeft berekend aan de hand van de bedragen die aan de toeleveranciers werden betaald, verminderd met 10 percent als vergoeding van de kosten die aan de huisarbeid verbonden zijn, dit naar analogie met artikel 119.6 van de Arbeidsovereen-komstenwet, en oordelen dat de bijdragen aldus wettelijk berekend werden op het loon van de toeleveranciers, niettegenstaande de door de toeleveranciers zelf betaalde bijdragen voor het sociaal statuut der zelfstandigen en de eventueel betaalde B.T.W. niet in mindering werd gebracht, zoals nochtans door de eiseres gevorderd. Het arrest miskent aldus het begrip loon, zoals van toepassing voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen en schendt de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het oordeelt dat de door de eiseres tewerkgestelde toeleveranciers arbeid verrichtten, zoals bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van elf februari tweeduizend en acht uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080211.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div