← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080211.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080211.4 Rolnummer: S.07.0053.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-02-26 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien een schuldvordering onder vigeur van de vroegere wet is ontstaan, doet de toepassing van een latere wet, die de grondslag bepaalt van de door de schuldenaar wegens laattijdige betaling verschuldigde wettelijke rente, op de lopende rente vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet, geen afbreuk aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Rechtsvordering tot betaling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Schuldvordering - Wettelijke rente - Gewijzigde grondslag voor de berekening van de rente Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art. 10 Algemeen rechtsbeginsel Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Rechtsvordering tot betaling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Loon - Verschuldigde rente - Nieuwe wet die een gewijzigde grondslag voor de berekening van de rente invoert - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art. 10 Algemeen rechtsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. S.07.0053.N INTEGRATED NETWORK SOLUTIONS, naamloze vennootschap, met zetel te 1348 Ottignies (Louvain-la-Neuve), avenue Athena 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.B., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 september 2006 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.

  1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, 1315, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 870 en 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 20, 1°, 32, 3°, en 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het (...) hoofdberoep van de verweerder gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof hervormt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 18 december 2003 en verklaart, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof beslist dat de eiseres, door een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst eenzijdig op een belangrijke wijze te wijzigen, de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze beëindigde. Het arbeidshof steunt die beslissing op de volgende motieven: "Uit de samenlezing van (verweerders) stukken 3,4 en 5 is volgens het (arbeids)hof bewezen dat (de eiseres) op 7 november 2002 aan (de verweerder) bevestigde dat hij niet langer de bedongen arbeidsprestaties diende te leveren en dat hij de informatie en de dossiers van zijn klanten diende over te dragen aan andere werknemers, wat overigens gebeurde tijdens vergaderingen te Waver op 12, 19 en 21 november
  2. Tevens is aan de hand van drie overeenstemmende getuigenverklaringen bewezen dat (de eiseres) op 7 november 2002 's ochtends het kantoor van (de verweerder) liet ontruimen door een werknemer J. S. . Deze getuigenverklaringen worden niet ontkracht door de tegenstrijdige verklaringen van J. S. en T.N. (stukken 27 en 28 (van de eiseres)) eveneens werknemers van (de eiseres) met betrekking tot de verhuis van (verweerders) bureau op 4 december 2002 volgens de ene en op 5 december 2002 volgens de andere ... (De eiseres) beweert, doch bewijst helemaal niet dat de (verweerder) na 7 november 2002 nog arbeidsprestaties voor haar leverde, behoudens de hem opgelegde overdracht van kennis en dossiers tijdens drie genoemde vergaderingen van 7, 12 en 21 november
  3. (De eiseres) beroept zich daartoe op telefonische contacten van de (verweerder) met klanten, doch uit haar stukken 7, 23, 24, 25 en 26 blijkt dat (de verweerder) in december leveranciers en/of klanten contacteerde, doch niet in de periode tussen 7 en 29 november. Vermits er geen concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst was bedongen, kan aan (de verweerder) niet verweten worden dat hij nadat hij impliciet ontslag door (de eiseres) vaststelde (29 november 2002) sommige klanten gecontacteerd heeft. Het feit dat (de verweerder) na 7 november 2002 tot 28 november 2002 nog arbeidsprestaties voor (de eiseres) geleverd heeft, bewijst (de eiseres) niet, hoewel dit bewijs gemakkelijk zou kunnen geleverd worden aan de hand van zijn telefoonrekeningen, onkostennota's, verklaringen van klanten, collega's, e-mails enz. ... Dit bewijs wordt ook niet geleverd door de verlofaanvraag die (de verweerder) op 25 november 2002 (al dan niet voorgeprogrammeerd) ten bewarende titel heeft verzonden. Het (arbeids)hof besluit dat uit het geheel van de door partijen neergelegde stukken bewezen is dat (de eiseres) op 7 november 2002 aan (de verweerder) liet weten dat zij hem vrijstelde van verdere arbeidsprestaties tijdens de opzegtermijn, behoudens overdracht van kennis en dossiers, dat zij op 7 december 2002 zijn kantoor ontruimde en dat zij ná 25 november 2002 plots schriftelijk liet weten dat hij de zes maanden opzegtermijn volledig diende te presteren. Gelet op het feit dat (de verweerder) het overeengekomen werk niet langer kon uitvoeren daar zijn kantoor was ontruimd en hij al zijn informatie, tekeningen én klantendossiers diende over te dragen aan andere werknemers, stelde (de verweerder) met zijn brief van 29 november 2002 terecht dat (de eiseres) contractbreuk pleegde en dat zij de verderzetting van de bedongen arbeid onmogelijk maakte. (De eiseres) wijzigde een essentieel bestanddeel van de overeenkomst door (de verweerder) vanaf 7 november 2002 niet langer (het bedongen) werk te verschaffen. Tijdens de opzegtermijn blijft een arbeidsovereenkomst bestaan en dienen partijen hun respectievelijke verplichtingen na te komen. Ook tijdens de opzegtermijn dient de werknemer derhalve te worden tewerkgesteld zoals voorheen (Cass. 4.9.78, TSR 79, 230) Door (de verweerder) vanaf 7 november 2002 te verplichten zijn kennis en zijn dossiers over te dragen ontnam (de eiseres) hem het bedongen werk. Door deze essentiële definitieve wijziging van een essentieel bestanddeel van de overeenkomst beëindigde (de eiseres) de overeenkomst onrechtmatig, zoals (de verweerder) na enige redelijke bedenktijd terecht vaststelde op 29 november 2002, zodat de overeenkomst als beëindigd dient te worden beschouwd vanaf dit tijdstip (Cass.
  4. 93, JTT 93, 353)". Het arbeidshof beslist dat de eiseres als opzeggingsvergoeding een bedrag van 22.468,76 euro, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke interest, is verschuldigd. Het arbeidshof beslist tevens dat de oorspronkelijke door de eiseres ingestelde tegenvordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding ongegrond is. Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van de kosten van beide instanties. Grieven 1.
  5. Eerste onderdeel 1.1.
  6. Uit de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hieronder afgekort als de Arbeidsovereenkomstenwet) volgt dat de partij die eenzijdig een van de essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst in belangrijke mate wijzigt, de arbeidsovereenkomst onmiddellijk op onregelmatige wijze beëindigt. Wanneer een partij voor de rechtbank inroept dat zijn wederpartij door een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst eenzijdig op belangrijke wijze te wijzigen, impliciet overging tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zijn de gemeenrechtelijke, in de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde, bewijslastregels van toepassing. Artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen en dat omgekeerd hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van de verbintenis heeft teweeggebracht. Artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert. De artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de uitdrukking van het adagium "actori probatio incubit" (de eiser draagt de bewijslast). Op grond van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet de partij die zich als de eiser beroept op een ontslag dat haar is gegeven, het bewijs leveren van de omstandigheid dat de andere partij eenzijdig de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. De partij die zich beroept op de impliciete onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeiende uit een belangrijke, eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van die overeenkomst door de tegenpartij, dient dus te bewijzen dat de tegenpartij eenzijdig op een belangrijke wijze een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst heeft gewijzigd. 1.1.
  7. Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest en de stukken waarop uw Hof acht kan slaan, blijkt dat de verweerder zich beriep op de impliciete, onregelmatige beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door de eiseres, voortvloeiende uit de eenzijdige vrijstelling van prestaties (of met andere woorden het niet verschaffen van de bedongen arbeid) tijdens de lopende opzeggingstermijn. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "(de eiseres) beweert, doch helemaal niet bewijst dat de (verweerder) na 7 november 2002 nog arbeidsprestaties voor haar leverde, behoudens de hem opgelegde overdracht van kennis en dossiers tijdens drie genoemde vergaderingen van 7, 12 en 21 november 2002" en dat "het feit dat (de verweerder) na 7 november 2002 tot 28 november 2002 nog arbeidsprestaties voor (de eiseres) heeft geleverd, (de eiseres) niet bewijst, hoewel dit bewijs gemakkelijk zou kunnen geleverd worden aan de hand van zijn telefoonrekeningen, onkostennota's, verklaringen van klanten, collega's, e-mails enz. ...". Uit die overwegingen blijkt dat het arbeidshof van oordeel is dat het aan de eiseres toekomt te bewijzen dat de verweerder na 7 november 2002 nog arbeidsprestaties voor haar heeft verricht. Het arbeidshof doet aldus de bewijslast op de eiseres rusten. Aangezien de verweerder aanvoerde dat de eiseres door hem tijdens de lopende opzeggingstermijn eenzijdig vrij te stellen van prestaties (of met andere woorden door de bedongen arbeid niet te verschaffen), impliciet overging tot ontslag, komt het met toepassing van de in de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde gemeenrechtelijke bewijslastregels aan hemzelf toe te bewijzen dat de eiseres hem tijdens de lopende opzeggingstermijn eenzijdig vrijstelde van prestaties (of met andere woorden de bedongen arbeid niet meer verschafte). Met zijn beslissing dat het aan de eiseres toekomt te bewijzen dat de verweerder na 7 november 2002 nog arbeidsprestaties voor haar heeft verricht, legt het arbeidshof de bewijslast niet wettig op de eiseres. Conclusie Het arbeidshof schendt, door de bewijslast op de eiseres te doen rusten, de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eiseres, door een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst eenzijdig op een belangrijke wijze te wijzigen, de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze beëindigde (schending van de artikelen 1134, 20, 1°, 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) en veroordeelt de eiseres dan ook niet wettig tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 22.468,76 euro als opzeggingsvergoeding, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke interest (schending van artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof beslist dienvolgens evenmin wettig dat de oorspronkelijke door de eiseres ingestelde tegenvordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding ongegrond is (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) en veroordeelt de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 1.
  8. Tweede onderdeel 1.2.
  9. Uit de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten (hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet) volgt dat de partij die eenzijdig een van de essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst in belangrijke mate wijzigt, de arbeids-overeenkomst onmiddellijk op onregelmatige wijze beëindigt. Opdat een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst kan gelijkgesteld worden met een onregelmatige beëindiging van die arbeidsovereenkomst, dient sprake te zijn van een wijziging van die overeenkomst. Met "wijziging" wordt bedoeld: de wil de arbeidsovereenkomst (op een essentieel punt) niet meer na te leven en dus als beëindigd te beschouwen onder de voorwaarden waarin zij is overeengekomen. Het Hof kan nagaan of de feitenrechter op grond van de door hem gedane feitelijke vaststellingen wettig heeft kunnen besluiten tot het al dan niet bestaan van een wijziging van de arbeidsovereenkomst. Artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de werkgever verplicht is de werknemer te doen arbeiden op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen. Het eigenlijke voorwerp van de arbeidsovereenkomst bestaat in het (doen) verrichten van arbeid. De werkgever verschaft de werknemer arbeid. Geen arbeid doen verrichten, maakt een tekortkoming van de werkgever aan zijn in artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet opgelegde verplichting het bedongen werk te verschaffen uit die op zich (d.w.z. zonder de wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst vast te stellen) niet het einde van de overeenkomst met zich meebrengt. Die contractuele tekortkoming kan niet beschouwd worden als een "wijziging" van de arbeidsovereenkomst, in de zin van een blijk van de vaste wil de arbeidsovereenkomst niet meer te aanvaarden zoals zij werd overeengekomen. 1.2.
  10. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "uit de samenlezing van (verweerders) stukken 3,4 en 5 is volgens het hof bewezen dat (de eiseres) op 7 november 2002 aan (de verweerder) bevestigde dat hij niet langer de bedongen arbeidsprestaties diende te leveren en dat hij de informatie en de dossiers van zijn klanten diende over te dragen aan andere werknemers, wat overigens gebeurde tijdens vergaderingen te Waver op 12, 19 en 21 november 2002" en dat "uit het geheel van de door partijen neergelegde stukken bewezen is dat (de eiseres) op 7 november 2002 aan (de verweerder) liet weten dat zij hem vrijstelde van verdere arbeidsprestaties tijdens de opzegtermijn, behoudens overdracht van kennis en dossiers, dat zij op 7 december 2002 zijn kantoor ontruimde en dat zij ná 25 november 2002 plots schriftelijk liet weten dat hij de zes maanden opzegtermijn volledig diende te presteren". Het arbeidshof overweegt tevens dat "gelet op het feit dat (de verweerder) het overeengekomen werk niet langer kon uitvoeren daar zijn kantoor was ontruimd en hij al zijn informatie, tekeningen én klantendossiers diende over te dragen aan andere werknemers, (de verweerder) met zijn brief dd. 29 november 2002 terecht stelde dat (de eiseres) contractbreuk pleegde en dat zij de verderzetting van de bedongen arbeid onmogelijk maakte". Het arbeidshof overweegt vervolgens dat de eiseres een essentieel bestanddeel van de overeenkomst wijzigde door de verweerder vanaf 7 november 2002 niet langer (het bedongen) werk te verschaffen, dat de eiseres, door de verweerder vanaf 7 november 2002 te verplichten zijn kennis en zijn dossiers over te dragen, hem het bedongen werk ontnam en dat "(de eiseres) door deze essentiële definitieve wijziging van een essentieel bestanddeel van de overeenkomst de overeenkomst onrechtmatig beëindigde (...)". Uit de hierboven weergegeven in het bestreden arrest voorkomende overwegingen en vaststellingen blijkt dat het arbeidshof van oordeel is dat het vanaf 7 november 2002 niet langer verschaffen (of m.a.w. ontnemen) van (het bedongen) werk door de eiseres (tijdens de opzeggingstermijn), een wijziging van (een essentieel bestanddeel van) de arbeidsovereenkomst uitmaakt. Het niet langer verschaffen van het bedongen werk door de werkgever (tijdens de lopende opzeggingstermijn) maakt slechts een tekortkoming van de werkgever uit en kan niet beschouwd worden als een "wijziging" van de arbeidsovereenkomst. Conclusie Het arbeidshof kan uit het feit dat de eiseres vanaf 7 november 2002 de verweerder niet langer het bedongen werk verschafte en hem dus vrijstelde van arbeidsprestaties tijdens de opzeggingstermijn, niet wettig afleiden dat de eiseres (een essentieel bestanddeel van) de overeenkomst wijzigde en beslist aldus niet wettig dat de eiseres de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigde (schending van de artikelen 1134 (van het Burgerlijk Wetboek), 20, 1°, en 32, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres dan ook niet wettig tot betaling aan de verweerder van een bedrag van 22.468,76 euro als opzeggingsvergoeding, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke interest (schending van artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof beslist dienvolgens evenmin wettig dat de oorspronkelijke door de eiseres ingestelde tegenvordering tot het verkrijgen van een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding ongegrond is (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) en veroordeelt de eiseres niet wettig tot betaling van de kosten van beide instanties (schending van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
  11. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 20, 1°, en 3°, 32, 3°, en 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werk-nemers. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de verweerder gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof hervormt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 18 december 2003 en verklaart, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiseres ontvankelijk, maar slechts gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof beslist dat de eiseres, door een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst eenzijdig op een belangrijke wijze te wijzigen, de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze beëindigde en stelt het einde van de arbeidsovereenkomst vast op 29 november
  12. De beslissing van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst als beëindigd dient te worden beschouwd vanaf 29 november 2002 is gesteund op het volgende motief: "Door (de verweerder) vanaf 7 november 2002 te verplichten zijn kennis en zijn dossiers over te dragen ontnam (de eiseres) hem het bedongen werk. Door deze essentiële definitieve wijziging van een essentieel bestanddeel van de overeenkomst beëindigde (de eiseres) de overeenkomst onrechtmatig, zoals (de verweerder) na enige redelijke bedenktijd terecht vaststelde op 29 november 2002, zodat de overeenkomst als beëindigd dient te worden beschouwd vanaf dit tijdstip (Cass. 7.6.93, JTT 93, 353)". Het arbeidshof beslist dat de eiseres het loon, de oudejaarspremie en de vakantiegelden die zij aan de verweerder betaalde voor de periode tot en met 27 november 2002 is verschuldigd. Die beslissing is gesteund op het volgende motief: "Vermits de arbeidsovereenkomst werd beëindigd op 29 november 2002 is (de eiseres) het loon, de eindejaarspremie en de vakantiegelden die zij aan (de verweerder) betaalde voor de periode tot en met 27 november 2002 verschuldigd. Deze werden correct berekend en betaald". Het arbeidshof beslist dat de eiseres slechts aanspraak kan maken op een bedrag van 805,00 euro als schadevergoeding voor het gebruik door de verweerder van bedrijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven: "Vermits de arbeidsovereenkomst een einde nam op 29 november 2002, gebruikte (de verweerder) de bedrijfsgoederen gsm, pc, wagen en tankkaart zonder recht noch titel ten onrechte verder tot 22 december
  13. (De verweerder) betwist cijfermatig niet de door (de eiseres) volgens het (arbeids)hof in alle redelijkheid en billijkheid begrote schadevergoeding uit deze hoofde ten belope van 805,00 euro netto". Grieven
  14. Uit de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 10, 32, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten (hieronder afgekort als Arbeidsovereen-komstenwet) volgt dat de partij die eenzijdig een van de essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst in belangrijke mate wijzigt, de arbeidsovereenkomst onmiddellijk op onregelmatige wijze beëindigt. Het impliciet ontslag voortvloeiende uit een belangrijke, eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, heeft de onmiddellijke, dadelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg. De kennisgeving door de ontslaggevende partij van haar wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan de andere partij beëindigt onmiddellijk de arbeidsovereen-komst. Het is niet vereist dat die andere partij van het ontslag al kennis heeft gekregen of zelfs maar heeft kunnen krijgen. Heeft men te maken met een belangrijke, eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, dan is de wijziging zelf de uiting (of met andere woorden de kennisgeving) van de wil tot beëindiging. Aangezien de arbeidsovereenkomst een einde neemt op het ogenblik van de kennisgeving door de ontslaggevende partij van haar wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst en, ingeval wordt ingeroepen dat een partij door een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst eenzijdig op een belangrijke wijze te wijzigen impliciet is overgegaan tot ontslag, de wijziging zelf de uiting (of met andere woorden de kennisgeving) van de wil tot beëindiging uitmaakt, neemt de arbeidsovereenkomst werkelijk een einde op het ogenblik dat de wijziging wordt doorgevoerd.
  15. Het arbeidshof overweegt op de twaalfde bladzijde van het bestreden arrest dat "(de eiseres) door deze essentiële definitieve wijziging van een essentieel bestanddeel van de overeenkomst de overeenkomst onrechtmatig beëindigde, zoals (de verweerder) na enige redelijke bedenktijd terecht vaststelde op 29 november 2002, zodat de overeenkomst als beëindigd dient te worden beschouwd vanaf dit tijdstip (Cass.
  16. 93, JTT 93, 353)". Op de dertiende bladzijde van het bestreden arrest stelt het arbeidshof vast dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op 29 november
  17. Het arbeidshof is aldus van oordeel dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op het ogenblik waarop de verweerder de impliciete, onregelmatige beëindiging van die overeenkomst door de eiseres vaststelde, zijnde 29 november
  18. Zoals hierboven reeds uiteengezet, neemt, ingeval wordt ingeroepen dat een partij door een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst eenzijdig op een belangrijke wijze te wijzigen impliciet is overgegaan tot ontslag, de arbeidsovereenkomst evenwel werkelijk een einde op het ogenblik dat de wijziging werd doorgevoerd. Uit de door het arbeidshof in het bestreden arrest gemaakte overwegingen en gedane vaststellingen blijkt dat het arbeidshof van oordeel is dat de wijziging op 7 november 2002 werd doorgevoerd. Aangezien de arbeidsovereenkomst reeds werkelijk een einde nam op het ogenblik waarop de wijziging werd doorgevoerd, zijnde volgens de vaststellingen van het arbeidshof 7 november 2002, beslist het arbeidshof niet wettig (...) dat de arbeidsovereenkomst pas een einde nam op het ogenblik waarop de verweerder de impliciete, onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de eiseres vaststelde, zijnde 29 november
  19. 3.
  20. Het arbeidshof is van oordeel dat "vermits de arbeidsovereenkomst werd beëindigd op 29 november 2002 (de eiseres) het loon, de eindejaarspremie en de vakantiegelden die zij aan (de verweerder) betaalde voor de periode tot en met 27 november 2002 is verschuldigd". De beslissing van het arbeidshof dat de eiseres het loon, de eindejaarspremie en de vakantiegelden die zij aan de verweerder betaalde voor de periode tot en met 27 november 2002 is verschuldigd, is aldus gesteund op de beslissing van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd op 29 november
  21. Aangezien die laatste beslissing niet wettig is, is ook de eerstgenoemde beslissing niet naar recht verantwoord. Krachtens artikel 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten is de werkgever inderdaad maar gehouden tot betaling van loon en krachtens artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werkgevers enkel gehouden tot betaling van vakantiegeld zolang de arbeidsovereenkomst duurt en niet voor enige periode na het ogenblik waarop aan de arbeidsovereenkomst effectief een einde kwam. Door anders te beslissen schendt het arbeidshof die bepalingen. 3.
  22. Het arbeidshof overweegt tevens dat "vermits de arbeidsovereenkomst een einde nam op 29 november 2002, (de verweerder) de bedrijfsgoederen gsm, pc, wagen en tankkaart zonder recht noch titel ten onrechte verder gebruikte tot 22 december 2002" en dat "(de verweerder) cijfermatig niet de door (de eiseres) volgens het (arbeids)hof in alle redelijkheid en billijkheid begrote schadevergoeding uit deze hoofde ten belope van 805,00 euro netto betwist". Het arbeidshof veroordeelt op grond van die overwegingen de verweerder tot betaling aan de eiseres van een nettobedrag van 805,00 euro als schadevergoeding voor het gebruik van de be¬drijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst. De beslissing van het arbeidshof dat de eiseres slechts aanspraak kan maken op een bedrag van 805,00 euro als schadevergoeding voor het gebruik van de bedrijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst, is aldus (mede) gesteund op de beslissing van het arbeidshof dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op 29 november
  23. Uit de door de eiseres in hoger beroep regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusies blijkt dat: - de eiseres in hoofdorde, namelijk voor zover het arbeidshof van oordeel zou zijn dat de verweerder op 28 november 2002 de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigde, de veroordeling van de verweerder tot betaling van een nettobedrag van 805,00 euro als schadevergoeding voor het verder gebruik van bedrijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst vorderde (zie o.m. blz. 25, onder punt 2 t.e.m. blz. 26, bovenaan, en blz 28, onder "in hoofdorde", "aangaande de tegenvordering", tweede alinea, van de regelmatig ter griffie van het arbeidshof op 1 maart 2006 ontvangen conclusie van de eiseres, "Aanvullende en synthesebesluiten" genaamd); - de eiseres in ondergeschikte orde, namelijk voor zover het arbeidshof de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond zou verklaren en aldus van oordeel zou zijn dat aan de arbeidsovereenkomst ingevolge impliciet ontslag uitgaande van de eiseres een einde kwam op 7 november 2002, de veroordeling van de verweerder tot betaling van een bedrag van 1.395,00 euro als schadevergoeding voor het verder gebruik van bedrijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst vorderde (zie onder meer blz. 22, onder punt a.8 tot en met blz. 23, bovenaan, en blz. 28, onder "in meer ondergeschikte orde", eerste alinea, van de regelmatig ter griffie van het arbeidshof op 1 maart 2006 ontvangen conclusie van de eiseres, "Aanvullende en synthesebesluiten" genaamd). De eiseres vorderde aldus, ervan uitgaande dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op 28 november 2002, als schadevergoeding voor het verder gebruik van bedrijfsvoorwerpen na het einde van de overeenkomst een bedrag van 805,00 euro, terwijl zij, ervan uitgaande dat de arbeidsovereenkomst reeds een einde nam op 7 november 2002, als schadevergoeding een bedrag van 1.395,00 euro vorderde. Aangezien het arbeidshof niet wettig van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op 29 november 2002, veroordeelt het niet wettig de verweerder slechts tot betaling aan de eiseres van een bedrag van 805,00 euro als schadevergoeding voor het verder gebruik van bedrijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst, zijnde 29 november
  24. Aangezien, zoals hierboven toegelicht, de arbeidsovereenkomst reeds een einde nam op het ogenblik waarop de wijziging door de eiseres werd doorgevoerd, zijnde volgens de vaststellingen van het arbeidshof 7 november 2002, dient de schadevergoeding voor het verder gebruik van de bedrijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst de periode te dekken vanaf 7 november 2002 (zijnde het ogenblik waarop volgens de vaststellingen van het arbeidshof de wijziging werd doorgevoerd) en dus niet slechts vanaf 29 november 2002 (zijnde het ogenblik waarop volgens de vaststellingen van het arbeidshof de verweerder de impliciete, onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de eiseres vaststelde). Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek heeft wie schade lijdt door de fout van een derde inderdaad recht op integrale schadevergoeding. Door de eiseres vergoeding te ontzeggen voor de periode tussen 7 en 29 november 2002, schendt het arbeidshof die bepalingen. Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de arbeidsovereenkomst een einde nam op 29 november 2002 (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof beslist dienvolgens evenmin wettig dat de eiseres het loon, de oudejaarspremie en de vakantiegelden die zij aan de verweerder betaalde voor de periode tot en met 27 november 2002 is verschuldigd (schending van de artikelen 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers) en dat de eiseres slechts aanspraak kan maken op een bedrag van 805,00 euro als schadevergoeding voor het gebruik door de verweerder van bedrijfsvoorwerpen na het einde van de arbeidsovereenkomst (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
  25. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig welk een nieuwe wet in beginsel onmiddellijke werking heeft; - de artikelen 108 en 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 - de artikelen 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 2, eerste lid, 1°, 3bis, zoals ingevoegd bij artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 10, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepas¬sing na de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - de artikelen 270, 272 en 273 van het Wetboek van inkomstenbelastingen

(1992), gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992; - artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de verweerder gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof hervormt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 18 december 2003 en verklaart, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof beslist dat vanaf 29 november 2002 tot 30 juni 2005 wettelijke en gerechtelijke interest op het nettobedrag van de opzeggingsvergoeding is verschuldigd en vanaf 1 juli 2005 op het brutobedrag ervan. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven: "Artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 10 maart 1986 was het vaste rechtspraak dat voor de toepassing van voormeld artikel onder loon enkel het loon wordt begrepen waarop de werknemer aanspraak kan maken ten aanzien van zijn werkgever, of met andere woorden, het nettoloon. Behoudens andersluidend beding, heeft de werknemer immers niet het recht om het bedrag van bedrijfsvoorheffing of de werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid op te eisen, zodat er op beide bedragen geen intresten verschuldigd zijn aan de werknemer (zie Cassatie, 10 maart 1986, S.R.K. 1986, 101; Cassatie, 17 november 1986, S.R.K. 1987, Arr. Cass. 1986-1987, 760; Cassatie, 16 maart 1987, R.W. 1987-1988, 327; Cassatie, 8 november 1993, J.T.T. 1994, 143, noot). (...) dat de Sluitingswet dd. 26 juni 2002 (B.S. 9 augustus 2002) (art. 82) houdende wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet volgens het hof geen interpretatieve wet is ten behoeve van interpretatie van artikel 10 van de Loonbeschermingswet doch een wet strekkende tot wijziging van artikel 10, zoals artikel 82 van de Sluitingswet zelf duidelijk stelt en zoals blijkt uit haar voorbereidende werken (Parl. Doc. Kamer 2001-2002, doc. 50, 1687/001, p. 48-49) . De memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 12 maart 2002 betreffende de sluiting van onderneming, zoals besproken in de Belgische Kamer van Volksvertegen-woordigers, spreekt duidelijk van een wetswijziging. (...) dat artikel 82 van de Sluitingswet volgens het hof geen interpretatieve wet is doch een dwingende bepaling met onmiddellijke uitwerking voor de toekomst. Artikel 2 Burgerlijk Wetboek stelt immers uitdrukkelijk dat de wet enkel beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Als algemene regel geldt de onmiddellijke werking van de rechtsregel. Retroactiviteit is de uitzondering, die uitdrukkelijk moet bepaald zijn of minstens duidelijk moet blijken uit de bewoordingen of de strekkingen van de norm, wat in casu volgens het hof niet het geval is. De wijziging van artikel 10 van de Loonbeschermingswet trad in voege vanaf 1 juli 2005 volgens het koninklijk besluit van 3 juli 2005 (B.S. 12 juli 2005) tot uitvoering van de artikelen 81 en 82 van de Sluitingswet van 26 juni
  1. Artikel 90, §1, van deze wet verleende aan de Koning de bevoegdheid om de datum te bepalen vanaf wanneer zij in werking zou treden. Een nieuwe wet is in principe van toepassing op de situaties die ontstaan na haar inwerkingtreding doch tevens op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet doch die verder duren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, voor zover dit evenwel geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten (Cassatie, 25 november 1991, J.T.T. 1992, p. 221). Volgens deze algemene regel zijn intresten verschuldigd op bruto loonbedragen vanaf 1 juli 2005, datum waarop de nieuwe wet, met name het gewijzigde artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in werking trad. Artikel 2 van het reeds genoemde K.B. van 3 juli 2005 stelt evenwel dat artikel 1 van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
  2. Het (arbeids)hof meent dat de Koning overeenkomstig artikel 90, §1, van de Sluitingswet gemachtigd was de datum van haar inwerkingtreding te bepalen. De Koning was evenwel niet gemachtigd af te wijken van het algemene principe volgens hetwelk de nieuwe wet toepasselijk is niet alleen op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op de toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet (Cassatie, 25 november 1991 o.c.). Voor zover artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 is dit onwettelijk en wordt het door het hof niet toepasbaar geacht (artikel 159 Grondwet). (De verweerder) heeft derhalve recht op betaling van wettelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen ervan vanaf 20 januari 2000 tot 30 juni 2005 en op de bruto bedragen vanaf 1 juli 2005 tot algehele betaling". Grieven
  3. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als wet van 26 juni 2002) bepaalt dat voor het loon van rechts¬wege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel (in zijn voormelde versie), slaat dat enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet is van toepassing op de opzeggingsvergoeding verschuldigd op grond van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Die vergoeding is immers een geldelijk bedrag waarop de werknemer ten laste van zijn werkgever recht heeft ingevolge de dienstbetrekking en maakt derhalve loon uit in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet. Op grond van artikel 270, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1992)is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen. Behoudens tegenstrijdig beding hebben de in het voornoemde artikel bedoelde belastingschuldigen op grond van artikel 272, 1°, van hetzelfde wetboek, het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Luidens artikel 273, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1992)is de bedrijfsvoorheffing opeisbaar uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens tegenstrijdig beding, waarvan het arbeidshof het bestaan niet vaststelt en waarvan het bestaan evenmin blijkt uit een stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, niet het recht te eisen dat die voorheffing aan hem zou betaald worden. De bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer. Overeenkomstig artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, moet de werkgever bij iedere betaling van het loon de bijdrage van de werknemer inhouden. De werkgever is die ingehouden bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer van de werkgever niet de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen vorderen. Luidens artikel 23, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet mogen de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake socialezekerheid, in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in de versie van vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het nettobedrag van het loon. De eiseres voerde voor het arbeidshof aan dat, indien zij enige vergoeding zou verschuldigd zijn aan de verweerder, de interest enkel verschuldigd is op het nettobedrag ervan (o.m. blz. 29, tweede alinea, van de op 1 maart 2006 ter griffie van het arbeidshof ontvangen conclusie van de eiseres, "Aanvullende en synthesebesluiten" genaamd). 2. Artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 voegde een artikel 3bis in de Loonbeschermingswet in. Dat artikel bepaalt dat de werknemer recht heeft op betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon en dat dit recht op de betaling van het loon betrekking heeft op het loon vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Met toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, zoals ingevoegd bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het brutobedrag van het loon. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 maakt geen interpretatieve wetsbepaling uit. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest overigens zelf in die zin. Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Het beginsel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft, maakt een algemeen rechtsbeginsel uit. Het beginsel dat een wet onmiddellijke uitwerking voor de toekomst heeft, vloeit voort uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel maakt het een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uit. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, hieronder afgekort als koninklijk besluit van 3 juli 2005, bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Het recht op betaling van de door de eiseres verschuldigde opzeggingsvergoeding is ontstaan op het ogenblik waarop aan de arbeidsovereenkomst een einde kwam, zijnde volgens de vaststellingen van het arbeidshof 29 november 2002. Dat recht is aldus ontstaan vóór de inwerkingtreding van de (artikelen 81 en 82 van
  1. de)wet van 26 juni 2002 (1 juli 2005). 2.1. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat de onmiddellijke werking van de rechtsregel de algemene regel is. Voor zover artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 onmiddellijke uitwerking voor de toekomst zou hebben en aldus ook van toepassing zou zijn op de toekomstige gevolgen van de situa¬ties ontstaan onder de vroegere wet, doch die voortduren na de inwerkingtreding van dat artikel wat volgens de eiseres, zoals hierboven uiteengezet, evenwel niet het geval is houdt dat beginsel niet in dat voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005, datum waarop artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking is getreden, vanaf die datum interest verschuldigd is op het brutobedrag ervan. Het blijven lopen van interesten na 1 juli 2005 op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór die datum, betreft immers geen toekomstig gevolg van een onder de oude wet ontstane situatie die blijft voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet (1 juli 2005). Aangezien het recht op betaling van het loonvoordeel is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 (1 juli 2005), gaat het om een rechtsverhouding die voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet (artikel 82 van de wet van 26 juni 2002) definitief is ontstaan en derhalve niet kan en mag aangetast worden door die nieuwe wet. Het arbeidshof beslist aldus niet wettig dat volgens de algemene regel dat "een nieuwe wet in principe van toepassing is op de situaties die ontstaan na haar inwerkingtreding doch tevens op de toekomstige gevolgen van de situaties ontstaan onder de vroegere wet doch die verder duren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, voor zover dit evenwel geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten" interesten verschuldigd zijn op bruto loonbedragen vanaf 1 juli 2005, datum waarop de nieuwe wet, met name het gewijzigde artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in werking trad. 2.2.1. Overeenkomstig artikel 108 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 maakt de Koning de verordeningen en neemt hij de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. Een besluit van de uitvoerende macht kan, ook zonder uitdrukkelijke opdracht, een wet uitvoeren op grond van artikel 108 van de Grondwet. De in artikel 108 van de Grondwet vastgelegde uitvoeringsbevoegdheid houdt in dat de uitvoerende macht uit het beginsel van de wet, haar algemene strekking, geest en doelstellingen de nodige gevolgen mag afleiden. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd, luidens welk de rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Het is de bedoeling van de wetgever dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 enkel van toepassing is op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan na de inwerkingtreding van dat artikel (1 juli 2005). Overeenkomstig artikel 90, § 1, van de wet van 26 juni 2002 bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. Uit dat artikel volgt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 (volgens welke interest is verschuldigd op het brutoloon) niet van toepassing zijn op loonvoordelen waarvan het recht op betaling ontstaat vóór 1 juli 2005. Door in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 te bepalen dat artikel 1 van dat besluit van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, heeft de Koning aldus enkel uitvoering gegeven aan de (artikelen 81, 82 en 90, §1, van
  2. de)wet van 26 juni 2002. De Koning heeft enkel uit het beginsel, de geest en de doelstellingen van de (artikelen 81, 82 en 90, §1, van
  3. de)wet van 26 juni 2002 de nodige gevolgen afge¬leid. Zoals hierboven reeds uiteengezet, bestaat de bedoeling van de wetgever er immers in dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 van toepassing zijn op de loonvoordelen waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005 (datum waarop die wet in werking is getreden). Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 wijkt dan ook niet af van de artikelen 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002, maar geeft enkel uitvoering aan die artikelen. 2.2.2. Het arbeidshof overweegt dat de Koning overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 gemachtigd was de datum van haar inwerkingtreding te bepalen. Het arbeidshof oordeelt vervolgens dat "de Koning evenwel niet gemachtigd was af te wijken van het algemene principe volgens hetwelk de nieuwe wet toepasselijk is niet alleen op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op de toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet". De Koning diende niet gemachtigd te worden om af te wijken van het algemeen beginsel overeenkomstig hetwelk "de nieuwe wet toepasselijk is op toestanden die ontstaan zijn na haar inwerkingtreding doch tevens op toestanden die ontstonden onder de toepassing van de oude wet en die verder duren onder de nieuwe wet". De bedoeling van de wetgever bestaat er immers in dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 van toepassing zijn op loonvoordelen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 en dus niet op loonvoordelen waarvan het recht op betaling ontstaat vóór 1 juli 2005. De Koning heeft, door te bepalen dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, dus enkel op grond van artikel 108 van de Grondwet uitvoering gegeven aan de (artikelen 81, 82 en 90, §1, van
  4. de)wet van 26 juni 2002, zodat hij daarvoor niet in het bijzonder door de wetgever diende gemachtigd te worden. De Koning heeft enkel uit de geest en de doelstellingen van de (artikelen 81, 82 en 90, §1, van
  5. de)wet van 26 juni 2002 de nodige gevolgen afgeleid. Bovendien kan het blijven lopen van de interesten op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005, niet beschouwd worden als "een toekomstig gevolg van een onder de oude wet ontstane situatie dat blijft voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet". Aangezien het recht op betaling van het loonvoordeel is ontstaan vóór 1 juli 2005, gaat het om een definitief ontstane rechtsverhouding die niet meer kan worden aangetast door de nieuwe wet. De Koning (
  6. is)aldus, door te bepalen dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 van toepassing zijn op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, niet afgeweken van het algemeen beginsel dat de nieuwe wet ook van toepassing is op toekomstige gevolgen van onder de oude wet ontstane situaties die blijven voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet . Overeenkomstig artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "voor zover artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 dit onwettelijk is en het door (hem) niet toepasbaar wordt geacht (artikel 159 Grondwet)". Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, luidens welk artikel 1 van dat besluit van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, geeft enkel uitvoering aan de (artikelen 81, 82 en 90, §1, van
  7. de)wet van 26 juni 2002 en is aldus niet onwettig, zodat het arbeidshof dat artikel niet wettig op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing laat. Conclusie Aangezien artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, door te bepalen dat artikel 1 van dat besluit (en bijgevolg de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002) van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, enkel uitvoering geeft aan de (artikelen 81, 82 en 90, §1) van de wet van 26 juni 2002 en aldus niet onwettig is, en het recht op betaling van de door de eiseres verschuldigde opzeggingsvergoeding is ontstaan vóór 1 juli 2005, laat het arbeidshof niet wettig op grond van artikel 159 van de Grondwet artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 buiten toepassing, past het niet wettig artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 (en dus het gewijzigde artikel 10 van de Loonbeschermingswet) toe op de door de eiseres verschuldigde opzeggingsvergoeding wat betreft de periode na 1 juli 2005 en kent het niet wettig vanaf 1 juli 2005 wettelijke en gerechtelijke interest toe op het brutobedrag van die door de eiseres verschuldigde opzeggingsvergoeding (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen en algemene rechtsbeginselen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. De appelrechters oordelen dat uit het geheel van de door de partijen neergelegde stukken bewezen is dat de eiseres op 7 november 2002 aan de verweerder liet weten dat zij hem heeft vrijgesteld van verdere arbeidsprestaties en dat door op die datum verweerder te verplichten zijn dossiers over te dragen, verweerder na een redelijke bedenktijd de overeenkomst als beëindigd kon beschouwen wegens een eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst. Door verder te oordelen dat de eiseres niet bewijst dat de verweerder na 7 november 2002 nog arbeidsprestaties heeft verricht "hoewel dit bewijs gemakkelijk zou kunnen geleverd worden aan de hand van zijn telefoonrekeningen, onkostennota's, verklaringen van klanten, collega's, e-mails enz. ...", leggen de appelrechters de bewijslast van het voorhanden zijn van de eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst niet ten laste van de eiseres, maar oordelen zij enkel dat de eiseres het bewijs geleverd door de verweerder niet ontkracht. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 2. De appelrechters vermochten uit de door hun vastgestelde feitelijke gegevens, weergegeven in het onderdeel, wettig af te leiden dat de eiseres niet alleen tekort kwam aan haar verplichting de verweerder te laten werken, maar ook dat zij daardoor een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wijzigde en aldus deze overeenkomst eenzijdig beëindigde. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 3. Wanneer de werkgever eenzijdig een wijziging aanbrengt van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, dan vermag de rechter het tijdstip van de beëindiging van de overeenkomst te bepalen op het ogenblik waarop de werknemer binnen een redelijke termijn nadat deze heeft kennisgenomen van de wijziging, de overeenkomst als beëindigd beschouwt. Het middel dat ervan uitgaat dat de overeenkomst in alle omstandigheden een einde neemt op het ogenblik dat de wijziging wordt doorgevoerd, faalt naar recht. 4. De overige grieven zijn volledig afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde grief en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 5. Volgens artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, zoals gewijzigd door artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, is voor het loon, van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt en wordt deze rente berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. 6. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 treedt artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking op 1 juli 2005. Artikel 2 bepaalt dat voornoemd artikel 1 van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. 7. Een nieuwe wet is in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. De toepassing met betrekking tot een schuldvordering die onder vigeur van de vroegere wet is ontstaan, van een latere wet die de grondslag van de door de schuldenaar wegens laattijdige betaling verschuldigde wettelijke rente bepaalt, op de lopende rente vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet, doet geen afbreuk aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. 8. De appelrechters oordelen dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 onwettig is in zoverre dit bepaalt dat artikel 1 slechts van toepassing is op lonen waarvan het recht op betaling ontstaat na 1 juli 2005 en veroordelen op grond hiervan de eiseres tot de betaling aan de verweerder van de wettelijke en gerechtelijke interest vanaf 29 november 2002 op het netto-bedrag van de opzeggingsvergoeding, op dewelke de verweerder vanaf 29 november 2002 recht had, en vanaf 1 juli 2005 tot de algehele betaling op het bruto-bedrag van deze opzeggingsvergoeding. 9. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 387,03 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van elf februari tweeduizend en acht uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080211.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.