← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.10 Rolnummer: F.05.0022.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 582 - laatst gezien 2026-07-03 05:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door hun bestemming wordt een kadastraal inkomen vastgesteld; de term 'van nature' moet begrepen worden in de betekenis van het gemeen recht. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - KADASTRAAL INKOMEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Goederen - Roerende en onroerende goederen - Onroerend Vrije woorden: Materieel en outillage onroerend 'van nature' Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 360, § 1 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 471, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 518 Fiche 2 De beperkte functionele bewegingen van een voorwerp dat duurzaam op een bepaalde plaats blijft, en aldaar verbonden is met de grond, ontnemen aan dat voorwerp niet zijn aard van onroerend goed. Thesaurus CAS: ONROEREND EN ROEREND GOED UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Goederen - Roerende en onroerende goederen - Onroerend Vrije woorden: Onroerende goederen uit hun aard Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 518 Annotaties Publicaties: Fiscologue/Fiscoloog - X; Note. - liv.1120, 18 T.B.O. - Mathieu MUYLLE; Over ht statuut der goederen: de rolkraan gewikt, gewogen en onroerend uit de aard bevonden. - 2008, 118-121 Cour.Fisc. - Pieter SOUFFRIAU; Note. - 2008, 456-459 RW - Vincent SAGAERT; Onroerend maken door incorporatie: over het verschil tussen beweegbaarheid en verplaatsbaarheid - 2008-2009, 456-459 Tekst van de beslissing Nr. F.05.0022.N ZEEBRUGSE BEHANDELINGSMAATSCHAPPIJ (ZBM), naamloze vennootschap, met zetel te 9042 Gent, Skaldenstraat 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, waar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 360, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen

(1964), zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 26 februari 1964 (hierna: WIB
(1964), zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1990 en 1991, en artikel 471, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 (hierna: WIB
(1992), zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1992, 1993 en 1994; - de artikelen 518 en 528 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het Hof van Beroep verklaart de voorziening van de eiseres ontvankelijk doch verklaart ze ongegrond, op grond van de volgende redenen: "(...) Dat onroerend goed uit hun aard zijn: gronderven, alsmede de gebouwen waarmee moeten worden gelijkgesteld de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk ermee verbonden zijn of erin vastzitten (artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek; vergelijk met Cass., 15 september 1988, Pas. 1989, 1, nr. 30 p. 52). (...) Dat het rolkranen betreft gebruikt voor het lossen en laden van schepen; dat deze rolkranen geplaatst zijn op sporen of rails gelegen op de kaai, dat deze rolkranen grote afmetingen hebben (zie omtrent dit alles het inleidend verzoekschrift p. 3; zie ook de foto's in het administratief dossier - cijfer 24 van stuk 26); dat de eiseres toelicht de ene maal dat deze rolkranen zich op de sporen voortbewegen door middel van een locomotief (volgens het inleidend verzoekschrift p. 3), de ander maal dat zij zich op eigen kracht voortbewegen door elektrische voortstuwing (zie de conclusie van de eiseres neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 4 juni 2003, p. 4 en 5). (...) Dat de rolkranen verbonden zijn met de grond doordat zij met groot gewicht (zie hun omvang) rusten op de sporen die zelf geïncorporeerd zitten in de grond (zie de aangehaalde foto's); dat deze kranen in hun zijdelingse verplaatsingen, nodig voor hun functie van laden en lossen van schepen, noodzakelijkerwijze op deze sporen, gelegen op de kaai, blijven. (...) Dat zulks inhoudt dat uit hun aard dergelijke rolkranen bedoeld zijn om ter plaatse op de kaai te blijven en zich slechts op die plaats beperkt zijdelings te verplaatsen voor de noden van hun functie. (...) Dat aldus vaststaat dat de rolkranen voorwerpen zijn die duurzaam en gewoonlijk verbonden zijn met de grond en te beschouwen zijn als onroerend uit hun aard". Grieven Overeenkomstig artikel 471, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)(voorheen artikel 360, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)) wordt er een kadastraal inkomen vastgesteld voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door hun bestemming. Bij gebreke aan een definiëring in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen moeten deze begrippen beschouwd worden in hun gebruikelijke, naar gemeen recht geldende, betekenis. Overeenkomstig artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek zijn gronderven en gebouwen onroerend uit hun aard. Met gebouwen worden gelijkgesteld de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk met de grond verbonden zijn of erin vastzitten, alsmede goederen die steun vinden in, aan of op de grond ten behoeve van de stabiliteit, en die bedoeld zijn om gedurende een zekere periode ter plaatse te blijven staan. Met deze laatste vereiste wordt bedoeld dat het goed onbeweeglijk stilstaat, niettegenstaande een eventuele theoretische of potentiële verplaatsbaarheid. Zaken die uit hun aard verplaatsbaar zijn, zowel die welke zichzelf bewegen, zoals dieren, als die welke slechts kunnen veranderen door de werking van een vreemde kracht, zoals levenloze dingen, zijn immers roerend uit hun aard overeenkomstig artikel 528 van het Burgerlijk Wetboek. Te dezen lieten de eisers in conclusie gelden dat de hefkranen op sporen niet onbeweeglijk op dezelfde plaats staan, nu het essentieel voor hun werking is dat zij zich tijdens het laden en lossen van de schepen voortbewegen, en dat de verplaatsing van een hefkraan op sporen essentieel, effectief en regelmatig is en zelfs kan gebeuren over verschillende kadastrale percelen of eigendommen. In antwoord op dit verweer stellen de appelrechters vast dat de rolkranen geplaatst zijn op sporen of rails gelegen op de kaai en dat deze rolkranen grote afmetingen hebben, dat "de rolkranen verbonden zijn met de grond doordat zij met groot gewicht (...) rusten op sporen die zelf geïncorporeerd zitten in de grond" en dat "dat deze kranen in hun zijdelingse verplaatsingen, nodig voor hun functie van laden en lossen van schepen, noodzakelijkerwijze op deze sporen, gelegen op de kaai, blijven". Op grond van deze feitelijke vaststellingen, waaruit blijkt dat de rolkranen niet onbeweeglijk stilstaan maar zich verplaatsen voor hun functie van laden en lossen van schepen, zij het dan op sporen gelegen op havenkaaien, kon het hof van beroep niet zonder schending van alle in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen oordelen dat de bedoelde rolkranen goederen zijn welke onroerend zijn uit hun aard. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Overeenkomstig artikel 360, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en artikel 471, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), wordt een kadastraal inkomen vastgesteld voor alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door hun bestemming. Daar de wet niet preciseert wat onder materieel en outillage die onroerend zijn van nature moet worden verstaan, moet de term "van nature" of "uit hun aard" begrepen worden in de betekenis van het gemeen recht.
  1. Krachtens artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek zijn gronderven en gebouwen onroerend uit hun aard. Hiermede moeten gelijkgesteld worden de voorwerpen die duurzaam en gewoonlijk met de gronderven en gebouwen verbonden zijn of erin vastzitten. De beperkte functionele bewegingen van een voorwerp dat duurzaam op een bepaalde plaats blijft, te dezen een kaai, en aldaar verbonden is met de grond, ontnemen aan dat voorwerp niet zijn aard van onroerend goed.
  2. Het arrest stelt vast: - het betreft rolkranen die gebruikt worden voor het lossen en laden van schepen; - de rolkranen zijn geplaatst op sporen of rails gelegen op de kaai en hebben grote afmetingen; - de rolkranen bewegen zich op de sporen voort door een locomotief of op eigen kracht door elektrische voortstuwing; - de rolkranen zijn verbonden met de grond doordat zij met groot gewicht, gelet op hun omvang, rusten op de sporen die zelf geïncorporeerd zitten in de grond; - de kranen blijven in hun zijdelingse verplaatsingen nodig om hun functie van laden en lossen van schepen, noodzakelijkerwijze op de sporen gelegen op de kaai. Op grond hiervan oordeelt het arrest dat uit hun aard dergelijke rolkranen bedoeld zijn om ter plaatse op de kaai te blijven en zich slechts op die plaats beperkt zijdelings te verplaatsen voor de noden van hun functie. Door vervolgens te oordelen dat de rolkranen voorwerpen zijn die duurzaam en ge¬woon¬lijk verbonden zijn met de grond en te beschouwen zijn als onroerend door hun aard, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht en schenden zij de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet.
  3. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 159,61 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.6 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190225.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.