id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.12 Rolnummer: C.04.0071.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-07-03 05:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche De Belgische wetgever is krachtens artikel 12 van de Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 bevoegd afwijkingen toe te staan op het normaal BTW-tarief voor bepaalde categorieën van producten die in de richtlijn worden omschreven; wanneer een ruime categorie van producten vermeld wordt die kunnen worden uitgesloten, heeft hij het recht slechts een deel van die producten van die categorie te doen genieten van die afwijking op het normaal tarief; de wetgever die slechts in beperkte mate toepassing maakt van de mogelijkheid een verlaagd tarief te bepalen voor een categorie van goederen of diensten, bevordert hierdoor de gewenste uniformiteit van de tarieven; eens dat hij een verlaagd tarief toekent is hij evenwel verplicht gelijke verrichtingen ook gelijk te behandelen gelet op de door het Hof van Justitie vereiste neutraliteit van de belasting. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Tarief van de belasting Vrije woorden: Tarieven - Mogelijkheid voor de E.U.-Lidstaten verlaagde tarieven toe te passen - Bevoegdheid van de Belgische wetgever Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 17-05-1977 - Art. 12, derde lid,
- a)- 34 Link Justel databank 19770517-34 Richtlijn EG/EU - 18-10-1992 - zoals vervangen door art. 1 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 02-07-1969 - Art. 37, § 1, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.04.0071.N MEDTRONIC BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1853 Strombeek-Bever, Boechoutlaan 55, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17 alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Schaarbeeklei 213, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 februari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 26, §2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; - artikel 37, in het bijzonder §1, van het BTW-Wetboek; - artikel 12. 3, a), derde lid, van de Richtlijn 77/388/EEG van de Raad dd. 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals vervangen door artikel 1 van Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG en bijlage H tot de Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG; - de artikelen 10 (ex art. 5) en 12 (ex art. 6) van de Geconsolideerde versie van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gesloten te Rome, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, zoals gewijzigd door het Verdrag van Nice, goedgekeurd bij wet van 7 juni 2002; - de communautaire beginselen van het gemeenschapsrecht inzake evenredigheid, proportionaliteit en gelijkheid, zoals neergelegd o.m. in de voormelde artikelen 10 (ex art. 5) en 12 (ex art. 6) van de Geconsolideerde versie van het Verdrag van 25 maart 1657 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gesloten te Rome, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, zoals gewijzigd door het Verdrag van Nice, goedgekeurd bij wet van 7 juni 2002. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en grotendeels gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, behalve waar het voor recht zegt dat de door de verweerder gevorderde boeten door de eiseres niet verschuldigd zijn en, opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond behalve waar de volledige vernietiging der twee boeten gevorderd wordt, om de volgende redenen: "
- a)betreffende het toepasselijk tarief Opdat een toestel door rubriek XXIII punt 2 van tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 inzake BTW als een ‘andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen (dienende) apparatuur die door de patiënt in de hand worden gehouden of op andere wijze worden gedragen, dan wel worden geïmplanteerd', beschouwd mag worden, moet dit toestel bijgevolg door de patiënt intern (door implantatie) of extern gedragen worden, wat inhoudt dat belanghebbende van de autonomie geniet om zich te verplaatsen en dus het toestel van een plaats naar een ander te kunnen dragen. Uit de beschrijving door Dr. V.D.O. en uit de informatiebrochure volgt dat de oxygenator deze voorwaarden niet vervult; dit toestel, dat de vorm van een potje heeft, is inderdaad aan een volledige heelkundig circuit gekoppeld en vormt een noodzakelijk onderdeel van gans een infrastructuur van het ziekenhuis, infrastructuur die - volgens de eigen verklaringen van Dr. V.D.O. - ‘voor verschillende patiënten wordt gebruikt en correct (...) aan een BTW-tarief N' (te weten: het normaal tarief van 19,5 of 20,5 pct.) ‘is onderworpen'. De patiënten die de koppelingsslangen van de oxygenator dragen tijdens de open hartoperaties of bij ernstige schade van de longen door chemische, fysische of organische oorzaken, zijn geen ambulante patiënten; zij genieten niet van een verplaatsinsautonomie. (De eiseres) tracht tevergeefs de oxygenator met ‘het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses' waarvan sprake in rubriek XXIII, te vergelijken. Andere toestellen mogen, luidens de strikt interpreteerbare tekst van punt 2 van rubriek XXIII, niet met het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier, vergeleken worden. Dit punt 2 is inderdaad als volgt opgesteld: - orthopedische toestellen; - breukspalken; - kunstgebitten enz.; - hoorapparaten; - en andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen (dienende) apparatuur, die door de patiënt in de hand worden gehouden of op andere wijze worden gedragen, dan wel worden geïmplanteerd; - individuele toestellen voor de personen die lijden aan incontinentie; - individuele toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier. Deze tekst is bijgevolg niet opgesteld op een wijze die zou toelaten datgene dat bepaald werd voor het toebehoren van de kunstnier, bij analogie op andere toebehoren toe te passen (zoals (de eiseres) het voorhoudt). Ten overvloede stelt het hof trouwens vast dat de hierboven beschreven oxygenator niet vergelijkbaar is met een individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier, het weze maar omdat in dit laatste geval belanghebbenden ambulante patiënten zijn. Het normaal tarief komt overeen met het regime van de douanerechten; (de eiseres) gebruikt de tariefcode 9018/subcode 9050 voor de oxygenatoren die met het gewoon BTW-tarief overeenstemt (en niet code 9021 die met het verlaagd BTW-tarief overeenstemt). (De eiseres) diende dus het gewone tarief van 19, 5 pct. of 20, 5 pct. op de oxygenatoren toe te passen. b/ betreffende de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel en het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof omdat de oxygenatoren aan het gewone tarief terwijl ‘het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses' aan het verlaagd tarief onderworpen zijn. Op dit punt werd hierboven reeds onder a/ in fine geantwoord: de twee soorten toestellen zijn niet vergelijkbaar omdat men bij oxygenatoren niet met ambulante patiënten te maken heeft en bij kunstnieren wel. Er is dus geen discriminatie, noch schending van het gelijkheidsbeginsel, noch aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag omdat de categorieën onvergelijkbaar zijn". Grieven Volgens rubriek XXIII, punt 2, tabel A van de bijlage van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, zoals van toepassing vóór zijn vervanging door het koninklijk besluit van 25 maart 1998, genomen in uitvoering van artikel 37 van het BTW-Wetboek, is het verlaagd BTW-tarief van 6 pct. van toepassing op de "orthopedische toestellen (medisch-chirurgische gordels daaronder begrepen); breukspalken en andere artikelen en apparaten voor de behandeling van breuken in het beendergestel; kunstgebitten, kunsttanden, kunstogen, kunstledematen en dergelijke artikelen; hoorapparaten voor hardhorigen en andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand worden gehouden of op andere wijze worden gedragen, dan wel worden geïmplanteerd; individuele toestellen en hun toebehoren voor de personen die lijden aan incontinentie; het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses". Artikel 37, §1, van het BTW-Wetboek bepaalt dat de Koning de tarieven bepaalt en de indeling geeft van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering. De toepassing van voormeld verlaagd BTW-tarief geschiedt in uitvoering van de Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG. Krachtens artikel 12, lid 3, a), van voornoemde richtlijn kunnen de Lid-Staten naast het normaal tarief een of twee verlaagde tarieven toepassen die uitsluitend van toepassing zijn op de in de bijlage H genoemde categorieën van goederen en diensten. Volgens de bijlage H van deze Richtlijn van 19 oktober 1992, bevat de lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop het verlaagde BTW-tarief mag worden toegepast een categorie 4, waaronder vallen de "medische uitrusting, hulpmiddelen en andere apparaten, welke gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps, voor uitsluitend persoonlijk gebruik door gehandicapten, met inbegrip van de herstelling daarvan, en kinderzitjes voor motorvoertuigen". De eiseres wierp in een regelmatig genomen syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel op 29 september 2000, op p. 18, op: "52. Oxygenatie en nierdialyse zijn technisch en functioneel volkomen vergelijkbare handelingen. 53. Bij nierdialyse wordt het bloed gezuiverd door aanwending van een kunstnier die de functie van de natuurlijke nier overneemt, waarbij de nier het orgaan is dat onzuivere bestanddelen uit het bloed verwijdert. Een kunstnier is op te vatten als een pomp waarmee het bloed uit het lichaam wordt gepompt en er na zuivering door een filtersysteem weer wordt ingebracht. Deze pomp wordt, na reiniging, voor andere patiënten aangewend. Een individueel pakket dat de trousse wordt, genoemd, bestaat uit filters, bloedlijnen (darmpjes) en naalden, die alle na de dialyse worden vervangen. 54. De kunstnier zelf wordt geleverd met toepassing van het gewone BTW-tarief. Het individueel toebehoren (de trousse), bestaande uit filters en alle ander individueel toebehoren, genieten evenwel het BTW-tarief van 6 pct. (De eiseres) heeft op identieke wijze gehandeld terzake van de 'Oxygenator en individueel toebehoren.' De voor meerdere patiënten te gebruiken apparatuur, zoals de ‘Centrifugaal Pomp', te vergelijken met de kunstnier bij nierdialyse, heeft (de eiseres) geleverd met toepassing van het gewone BTW-tarief. Alle eenmalig te gebruiken medische uitrusting, zijnde de ‘Oxygenator en individueel toebehoren', te vergelijken met de trousse inzake nierdialyse, heeft (de eiseres) geleverd met toepassing van het BTW-tarief van 6 pct". Eerste onderdeel Blijkens artikel 10 (ex art. 5) van de Geconsolideerde versie van het EG-Verdrag van 25 maart 1957, treffen de Lid-Staten alle algemene of bijzondere maatregelen, welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Gecoördineerde Verdrag of uit handelingen van de Europese instellingen voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Krachtens dezelfde bepaling vergemakkelijken de Lid-Staten de vervulling van de taak van de Europese Gemeenschap en onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag in gevaar kunnen brengen. Deze verplichtingen gelden voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de Lid-Staten en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, niet alleen voor de wetgevende instanties, maar ook voor de rechterlijke instanties. Deze nationale instanties moeten de toepassing van het nationale recht uitwerken en dit toepassen in het licht van het communautair gemeenschapsrecht, waarvan deel uitmaken de communautaire beginselen inzake evenredigheid, proportionaliteit en gelijkheid, zoals o.m. neergelegd in voormeld artikelen 10 (ex art. 5) en 12 ( ex art. 6) van voormeld EG-Verdrag. Dit brengt met zich mee dat, zo België gebruik makend van de mogelijkheid haar geboden bij artikel 12, lid 3
- a)van voormelde richtlijn om een verlaagd BTW-tarief van 6 pct. toe te passen op goederen en diensten vermeld in de categorie 4 van de bijlage H bij voormelde richtlijn, in de regel die categorie 4 in zijn geheel moet worden overgenomen in de mate de communautaire beginselen inzake evenredigheid, proportionaliteit en gelijkheid België er toe verplichten. Het is strijdig met voormelde communautaire beginselen, in het bijzonder inzake gelijkheid, goederen, zoals de "Oxygenatoren en individueel toebehoren", die onder de omschrijving "Medische uitrusting, hulpmiddelen en andere apparaten (...)" van voormelde categorie 4 van bijlage H vallen, willekeurig, zonder redelijke verantwoording voor het door België gemaakte onderscheid, uit te sluiten van het verlaagde BTW-tarief van 6 pct. , terwijl andere dergelijke goederen er wel onder vallen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig de "Oxygenatoren en individueel toebehoren" uitsluit van het voordeel van het verlaagd BTW-tarief van 6 pct., terwijl deze goederen, die beantwoorden aan de omschrijving "Medische uitrusting, hulpmiddelen en andere apparaten (...)" voorzien in categorie 4 van de bijlage H toegevoegd aan de Richtlijn van 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1997 door de Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992, door België niet willekeurig, zonder redelijke verantwoording van deze categorie 4 van voormelde bijlage H uitgesloten mogen worden (schending van de aangehaalde artikelen 10 (ex art. 5), 12 (ex art. 6) van de Geconsolideerde versie van het EG-Verdrag van 27 maart 1957, de communautaire beginselen inzake evenredigheid, proportionaliteit en gelijkheid en artikel 12, lid 3, a), van de aangehaalde Richtlijn 77/388 /EEG). Tweede onderdeel Het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod, vervat in artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet, sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën zou worden ingesteld voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met in achtneming van het doel en de gevolgen van de bestreden maatregel en van de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijke verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. De "Oxygenator en individueel toebehoren" is een medisch uitrusting die de privé-deskundige van de eiseres als volgt heeft beschreven, welke beschrijving in het bestreden arrest wordt hernomen: "Oxygenatoren en hun steriel toebehoren zijn éénmalig te gebruiken medische goederen, die voor een individuele patiënt worden aangewend tijdens een welbepaalde periode gedurende dewelke de eigen longen van de patiënt niet in staat zijn voor de normale gasuitwisseling in te staan. Deze producten worden gebruikt tijdens open hartchirurgie of bij ernstige schade van de longen door chemische, fysische of organische oorzaken. De eigenlijke bloedsomloop wordt hierbij ondersteund door een externe pomp, die als infrastructuur van het ziekenhuis voor verschillende patiënten wordt gebruikt en correct (...) aan een BTW-tarief N (te weten: het normaal tarief van 19,5 of 20,5 pct.) is onderworpen. De individueel gebruikte oxygenator, de koppelingsslangen, die als vervangbloedvaten dienst doen, en de drainagesystemen, maken daarentegen deel uit van de cardiotomie-set, die aan de individuele patiënt is gebonden, en tijdelijk wordt ‘ingeplant' bij de patiënt als toestel voor het verhelpen of verlichten van een kwaal of gebrek". Uit de vergelijking van deze beschrijving met diegene die de eiseres gaf van het individueel toebehoren van een kunstnier, blijkt dat er geen wezenlijk verschil tussen beide uitrustingen bestaat in de mate door beide medische uitrustingen het bloed van de patiënt, in het eerste geval, verrijkt wordt met zuurstof door een vast apparaat en in het tweede geval gezuiverd wordt van onzuiverheden door een vast apparaat. Tijdens de behandeling met de respectievelijke vaste apparaten is de betrokken patiënt er aan gekoppeld met een individueel toebehoren en heeft hij geen verplaatsingautonomie. Of de betrokken patiënt na de behandeling al dan niet ambulant is, hetzij het ziekenhuis kan verlaten hetzij bedlegerig is, bezit geen relevantie in de mate het tarief van 6 pct. voor het individueel toebehoren bij een nierdialyse uitgevoerd op een bedlegerige, niet ambulante patiënt zonder onderscheid toepasselijk is. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing de "Oxygenatoren en individueel toebehoren" uit te sluiten van het voordeel van het verlaagd BTW-tarief van 6 pct., op het motief dat er geen discriminatie, noch schending van het gelijkheidsbeginsel is, noch aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag omdat de litigieuze goederen onvergelijkbaar zijn, niet wettig verantwoordt nu het feit, dat men bij oxygenatoren niet met ambulante patiënten te maken heeft en bij kunstnieren wel, niet relevant is en uit die vaststelling alleen de appelrechters niet konden besluiten tot het niet vergelijkbaar zijn van beide individuele toebehoren, die dat wel zijn in de mate in beide gevallen de patiënt tijdens de behandeling met het vaste apparaat over geen verplaatsingsautonomie beschikken, waardoor zij het begrip discriminatieverbod en het begrip gelijkheid miskennen (Schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet) en ten onrechte weigeren een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen (schending van artikel 26, §1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) en artikel 37 van het BTW-Wetboek door het niet toekennen van het verlaagd BTW-tarief van 6 pct. op de "Ogygenatoren en individueel toebehoren" zonder redelijke verantwoording het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod miskent (schending van artikel 37, in het bijzonder §1, van het BTW-Wetboek, van het aangehaalde artikel 12, lid 3,
- a)van de Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 en van de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat de eiseres het gewone tarief van 19,5 of 20,5 pct. op de oxygenatoren diende toe te passen, verklaart het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en grotendeels gegrond, vernietigt het bestreden vonnis behalve waar het voor recht zegt dat de door de verweerder gevorderde boeten door de eiseres niet verschuldigd zijn en, opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond behalve waar de volledige vernietiging der twee boeten gevorderd wordt. Grieven De eiseres voerde in haar regelmatig neergelegde syntheseconclusies aan op blz. 28-29 dat zij voorbehoud heeft geformuleerd bij de door de verweerder als grondslag voor de berekening van haar vorderingen gehanteerde bedragen. Meer bepaald, herhaalde de eiseres dat zij "tevens kortingen toegestaan (heeft) ten belope van 2 pct. waarover zij aldus geen BTW verschuldigd is", dat "zulks (...) niet ter betwisting (
- is)en (...) door (de verweerder) (wordt) bevestigd in een door hem nieuw uitgevaardigd dwangbevel voor een latere periode" zodat "de door (de verweerder) uitgebrachte vordering dient aldus in elk geval met 2 pct. te worden gereduceerd". Wat de berekening van de BTW betreft, verklaart het bestreden arrest de vordering van de eiseres ongegrond, zonder iets nopens de grondslag van heffing van de BTW te vermelden. Daaruit volgt dat het bestreden arrest op de hierboven vermelde besluiten van de eiseres niet heeft geantwoord (schending van artikel 149 van het gecoördineerde Grondwet), minstens nagelaten heeft uitspraak te doen over een punt van de vordering van de eiseres (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijke Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Artikel 12, lid 3, a), van de Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals vervangen door artikel 1 van de Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG, geeft de Lid-Staten de mogelijkheid verlaagde tarieven toe te passen, meer bepaald op de goederen en diensten vernoemd in de bijlage H bij de Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992, waaronder deze opgesomd in categorie 4, zijnde "medische uitrusting, hulpmiddelen en andere apparaten, welke gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps, voor uitsluitend persoonlijk gebruik door gehandicapten, met inbegrip van de herstelling daarvan, en kinderzitjes voor motorvoertuigen". In uitvoering van deze richtlijn bepaalt artikel 37, §1, eerste lid, van het BTW-Wetboek dat de Koning, bij in Ministerraad overgelegd besluit, de tarieven bepaalt en de indeling geeft van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering. In uitvoering van voormeld artikel, bepaalt rubriek XXIII, punt 2, van de Tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals van toepassing voor zijn vervanging door het koninklijk besluit van 25 maart 1998, dat het verlaagd BTW-tarief van 6 pct. van toepassing is op "orthopedische toestellen (medisch-chirurgische gordels daaronder begrepen: breukspalken en andere artikelen en apparaten voor de behandeling van breuken in het beendergestel; kunstgebitten, kunsttanden, kunstogen, kunstledematen en dergelijke artikelen; hoorapparaten voor hardhorigen en andere voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand worden gehouden of op andere wijze worden gedragen, dan wel worden geïmplanteerd; individuele toestellen en hun toebehoren, voor de personen die lijden aan incontinentie; het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses". 2. Uit voormelde bepalingen volgt dat in de regel het normaal tarief toepasselijk is op alle toestellen, dat het aan de Belgische overheid staat bepaalde uitzonderingen toe te kennen. De Belgische overheid vermeld bij die uitzonderingen "het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier inclusief de gebruikte trousses", maar niet de oxygenator. 3. Het onderdeel komt op tegen het feit dat de appelrechters het verlaagde BTW- tarief niet toekennen op de oxygenator. Het voert hiervoor aan dat een gelijkaardige apparatuur geschikt voor de nieren wel van een verlaagd BTW-tarief kan genieten en dat die regeling indruist tegen de beginselen van Europees recht die in het middel als geschonden worden aangewezen. Het onderdeel bekritiseert niet de uitlegging die de appelrechters gegeven hebben van de toepasselijke rubriek XXIII, punt 2, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr.20. 4. De Belgische wetgever is bevoegd, krachtens artikel 12 van de in r.o. 1 genoemde richtlijn, afwijkingen toe te staan op het normaal BTW-tarief voor bepaalde categorieën van producten die in de richtlijn worden omschreven. Hij heeft het recht wanneer een ruime categorie van producten vermeld wordt die kunnen worden uitgesloten, slechts een deel van die producten van die categorie te doen genieten van die afwijking op het normaal tarief. 5. De wetgever die slechts in beperkte mate toepassing maakt van de mogelijkheid een verlaagd tarief te bepalen voor een categorie van goederen of diensten, bevordert hierdoor de gewenste uniformiteit van de tarieven. Eens dat hij een verlaagd tarief toekent is hij evenwel verplicht, gelet op de door het Hof van Justitie onder meer in het arrest van 29 maart 2001, C-404/99 vereiste neutraliteit van de belasting, gelijke verrichtingen ook gelijk te behandelen. 6. De appelrechters beoordelen op grond van een feitelijke analyse dat de oxygenator niet kan vergeleken worden met het individueel toebehoren dat deel uitmaakt van een kunstnier en aldus moet onderworpen worden aan het normaal tarief. 7. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Anders dan het onderdeel aanvoert, laten de appelrechters de beslissing om de oxygenatoren en individueel toebehoren uit te sluiten van het verlaagde BTW-tarief daar deze goederen niet vergelijkbaar zijn, niet enkel steunen op de vaststelling dat men bij oxygenatoren niet met ambulante patiënten te maken heeft en bij kunstnieren wel, maar ook op de reden dat punt 2 van rubriek XXIII , van de Tabel A van de bijlage van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 een "strikt interpreteerbare tekst" is, die "niet is opgesteld op een wijze die zou toelaten datgene dat bepaald werd voor het toebehoren van de kunstnier bij analogie op ander toebehoren toe te passen". 9. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest, en mist mitsdien feitelijke grondslag. 10. Gezien het onderdeel uitgaat van een verkeerde onderstelling, is er geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Tweede middel 11. De eiseres heeft in haar syntheseconclusie aangevoerd dat zij kortingen had toegestaan ten belope van 2 pct., waarover zij aldus geen BTW verschuldigd zou zijn, dat hierover geen betwisting was en dat de door de verweerster uitgebrachte vordering aldus in elk geval met 2 pct. diende te worden gereduceerd. 12. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre dit het de oorspronkelijke vorderingen van de eiseres nopens de berekening van de BTW ongegrond verklaart, zonder rekening te houden met de door de eiseres toegestane kortingen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. De kosten zijn begroot op de som van 141,82 euro jegens de eisende partij en op de som van 129,32 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div