id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.8 Rolnummer: F.06.0080.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-07-03 20:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche De termijn van veertig dagen om een voorziening in te stellen tegen de beslissing van de directeur loopt vanaf de aanbieding van de aangetekende brief houdende de kennisgeving van die beslissing aan de woonplaats van de belastingschuldige; een aanbieding in de woonplaats die getekend wordt voor ontvangst, wordt vermoed een geldige aanbieding te zijn, onverminderd de mogelijkheid voor de betrokkene een tegenbewijs te leveren; de omstandigheid dat de geadresseerde na de aanbieding op zijn woonplaats niet onmiddellijk kennisneemt van de brief, heeft geen gevolg op de termijn door de wet bepaald voor de aanwending van het rechtsmiddel. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving Vrije woorden: Ontvankelijkheid - Termijn - Aanvangspunt - Kennisgeving van de beslissing van de directeur - Aangetekende brief - Aanbieding aan de woonplaats Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 280 Annotaties Publicaties: TFR - D. NORE; Slechts een regelmatige kennisgeving van de directoriale beslissing doet de beroepstermijn lopen - 2009, 176-180 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0080.N G.R., eiser, met als raadsman mr. Pierre Van Hoeij, advocaat bij de balie te Mechelen, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Vrijgeweidestraat 69, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen te Antwerpen II, met kantoor te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest gewezen op 21 maart 2006 door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 276 en 280 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (koninklijk besluit van 26 februari 1964), gewijzigd respectievelijk bij de wetten van 16 maart 1976 en 30 mei 1972 zijnde respectievelijke artikels 375 en 379 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992); - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof (van beroep) heeft het verweer van de eiser in cassatie in verband met het verval van de voorziening voor het hof van beroep, afgewezen met volgende overwegingen: "Blijkens de gegevens van de post werd de aangetekende zending op 14 maart 1996 in ontvangst genomen via een volmacht. Het is totaal irrelevant thans de handtekening van de volmachthouder te vergelijken met deze op het ontvangstbewijs daar de eiser erkent de zending te hebben ‘ontdekt' op zijn bureau op 15 maart 1996. De termijn van veertig dagen begon te lopen op 14 maart 1996 en verstreek op 23 april 1996, zodat de voorziening laattijdig is. Het feit dat de eiser, volgens zijn bewering, pas de dag na ontvangst de zending heeft kunnen openen maakt terzake geen overmacht uit die tot verlenging van de termijn aanleiding zou kunnen geven. De termijn vangt immers aan op het moment van afgifte van de zending en niet bij opening of lezing ervan. De door de eiser aangehaalde redenen maken geen overmacht uit". Grieven Eerste onderdeel De eiser in cassatie had opgeworpen "Dat volgens de gegevens van de post de aangetekende zending op 14 maart 1996 in ontvangst werd genomen via een volmacht. Dat de enige welke volmacht heeft om zendingen van concluant in ontvangst te nemen de heer C.E. is. Dat deze laatste zich niet herinnert enige zending te hebben ontvangen op gemelde datum zodat het mogelijk een andere aangestelde van concluant is, of van de vennootschap TCM, welke de zending voor ontvangst heeft afgetekend. Dat voor zover de ontvangst door de heer C.E. niet werd ondertekend de aanbieding niet regelmatig is gebeurd en de termijn toen nog niet begon te lopen. Aangezien de handtekening van de heer C.E. dient te worden vergeleken met de handtekening op het ontvangstbewijs". De termijn van veertig dagen die bij artikel 280 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)is voorgeschreven om bij het hof van beroep een voorziening in te stellen tegen de beslissing van de directeur der belastingen begint te lopen vanaf de kennisgeving van die beslissing, dat is in beginsel vanaf het ogenblik dat de aangetekende brief die de beslissing bevat door de post wordt aangeboden aan de woonplaats van de belastingschuldige. Die aanbieding geschiedt door afgifte van de brief aan de geadresseerde of, bij diens afwezigheid, door achterlating van een schriftelijk bericht met het verzoek de brief af te halen aan het loket van het op het bericht aangegeven postkantoor. (cfr. Cassatie 28.06.1996, Arresten van het Hof van Cassatie 1996, 269) In huidig geval werd de aanbieding niet gedaan door achterlating van een schriftelijk bericht met het verzoek de brief af te halen aan het loket van het op het bericht aangegeven postkantoor, doch wel door afgifte van de brief aan de gemandateerde van de eiser in cassatie. De aanbieding aan een gemandateerde van de geadresseerde kan uiteraard enkel geldig gebeuren wanneer blijkt dat degene die het schrijven in ontvangst heeft genomen degene is welke een geldig mandaat heeft. In casu dient te worden opgemerkt dat op hetzelfde adres met name Koningin Astridlaan 123, niet enkel de eiser in cassatie ingeschreven was doch ook de NV TCM en zowel de eiser in cassatie als TCM verschillende aangestelden hadden op het moment van de feiten. In conclusies heeft de eiser in cassatie de geldige aanbieding van de beslissing van verwerende partij in cassatie betwist en heeft voorgesteld het handteken van de heer C.E. (de gemandateerde) te vergelijken met het handteken op het afgiftebewijs. Het hof heeft hierop geantwoord: "Het is totaal irrelevant thans de handtekening van de volmachthouder te vergelijken met deze op het ontvangstbewijs daar de eiser erkent de zending te hebben ‘ontdekt' op zijn bureau op 15 maart 1996". De termijn begint te lopen vanaf de kennisgeving dit is in beginsel vanaf de aanbieding. Enkel een geldige aanbieding kan de termijn laten lopen. Derhalve dient eerst vast te staan of de aanbieding op een geldige manier is verlopen vooraleer men kan stellen vanaf welk moment de termijn begint te lopen. Het feit dat de eiser in cassatie zou erkend hebben de zending op 15 maart 1996 te hebben ontvangen hieraan niets verandert. Derhalve heeft het hof door te stellen dat de termijn om een voorziening in te stellen verlopen was zonder te onderzoeken of de aanbieding om een geldige wijze is geschied artikelen 276 en 280 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (koninklijk besluit van 26 februari 1964), gewijzigd respectievelijk bij de wetten van 16 maart 1976 en 30 mei 1972 zijnde respectievelijke artikels 375 en 379 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)geschonden. Minstens is de bestreden beslissing niet op een geldige wijze gemotiveerd. Tweede onderdeel De verzoeker in cassatie heeft in conclusies opgeworpen: "Aangezien daarenboven de volmacht enkel de ontvangst van de zendingen beoogt en niet de kennisname van de inhoud van de zending. Dat het briefgeheim zich zelf verzet tegen de kennisname van de inhoud van de zending. Aangezien de volmachthouder wel zo vlug mogelijk de zending dient over te maken voor kennisgeving aan de belanghebbende. Dat dit in casu, door overmacht niet kon gebeuren vermits concluant op 14 maart 1996 de hele dag ter controle voor zijn suikerziekte een uitgebreid medisch onderzoek door dokter D.C. diende te ondergaan. Dat concluant, slechts op 15 maart 1996, het schrijven waarvan sprake op zijn bureau heeft ontdekt en kennis heeft kunnen nemen van de inhoud". Het is correct dat de kennisgeving in beginsel gelijkstaat met de aanbieding van de zending. Dat er uiteraard geen probleem is wanneer de aanbieding gebeurt aan de geadresseerde zelf. Dat in de andere gevallen er een vermoeden bestaat dat de aanbieding onmiddellijk aan de geadresseerde wordt overgemaakt en zo niet dit een nalatigheid uitmaakt van de geadresseerde zelf. In casu kon door overmacht de zending op 14 maart 1996 niet aan de eiser in cassatie worden aangeboden zodat de termijn slechts kon beginnen te lopen vanaf 15 maart 2006. Door te beslissen dat de termijn om een voorziening in te stellen vervallen was om reden dat: "Het feit dat de eiser, volgens zijn bewering, pas de dag na ontvangst de zending heeft kunnen openen maakt terzake geen overmacht uit die tot verlenging van de termijn aanleiding zou kunnen geven. De termijn vangt immers aan op het moment van afgifte van de zending en niet bij opening of lezing ervan", heeft het hof (van beroep) de artikelen 276 en 280 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (koninklijk besluit van 26 februari 1964), gewijzigd respectievelijk bij de wetten van 16 maart 1976 en 30 mei 1972 zijnde respectievelijke artikelen 375 en 379 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan maar wijst hiervoor geen wetsbepaling aan als geschonden. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Het verzoekschrift en de betekening moeten, ingevolge artikel 280 het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), binnen een termijn van veertig dagen, te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de directeur aan de betrokkene, ter griffie van het hof van beroep worden neergelegd. De kennisgeving van de beslissing van de directeur geschiedt in de regel door de aanbieding van de ter post aangetekende brief die de beslissing bevat, aan de woonplaats van de belastingschuldige. Een aanbieding in de woonplaats die getekend wordt voor ontvangst, wordt vermoed een geldige aanbieding te zijn, onverminderd de mogelijkheid voor de betrokkene een tegenbewijs te leveren.
- De appelrechters stellen vast dat de beslissing aangeboden werd op de woonplaats van de eiser en dat de eiser ‘s anderendaags kennis nam van de aangetekende zending. Zij oordelen hiermede, zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen, dat de kennisgeving regelmatig was en dat de voorziening mitsdien te laat werd ingesteld.
- Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De termijn om een voorziening in te stellen loopt vanaf de aanbieding van de aangetekende brief. De omstandigheid dat de geadresseerde na de aanbieding op zijn woonplaats niet onmiddellijk kennisneemt van de brief, heeft geen gevolg op de termijn door de wet bepaald voor de aanwending van het rechtsmiddel.
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 132,47 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2011:ARR.20111114.8 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.12 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121123.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div