id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
§2
, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet; indien de meting en bemonstering afzonderlijk zijn gebeurd per deelstroom aan een controle-inrichting voor het gemeenschappelijk lozingspunt, moet bij de berekening van de vuilvracht na vermindering worden overgegaan tot het optellen per deelvuilvracht van de overeenstemmende resultaten verbonden aan elke deelstroom; daarbij dienen de eventueel negatieve waarden N1/N1,O, N2/N2,O of N3/N3,O die gemeten zijn voor de deelvuilvracht van een bepaalde deelstroom, niet gelijkgesteld te worden met nul nu geen enkele bepaling belet dat zij verrekend worden met positieve waarden van de overeenstemmende deelvuilvracht van een andere deelstroom. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Water - Oppervlaktewater Vrije woorden: Vlaams Gewest - Bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging - Heffing - Teruglozing van water in het oppervlaktewater waaruit het werd opgenomen - Vuilvracht - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 26-03-1971 - Artt. 35ter, § 1, en 35quinquies, § 1, eerste lid Wet - 26-03-1971 - Art. 35sexies, §
§ 2
, eerste en tweede lid Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Water - Oppervlaktewater Vrije woorden: Vlaams Gewest - Bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging - Heffing - Teruglozing van water in het oppervlaktewater waaruit het werd opgenomen - Vuilvracht - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 26-03-1971 - Artt. 35ter, § 1, en 35quinquies, § 1, eerste lid Wet - 26-03-1971 - Art. 35sexies, §
§ 2
, eerste en tweede lid Thesaurus CAS: WATERS UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Water - Oppervlaktewater Vrije woorden: Vlaams Gewest - Bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging - Heffing - Teruglozing van water in het oppervlaktewater waaruit het werd opgenomen - Vuilvracht - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 26-03-1971 - Artt. 35ter, § 1, en 35quinquies, § 1, eerste lid Wet - 26-03-1971 - Art. 35sexies, §
§ 2, eerste en tweede lid Tekst van de beslissing Nr.
F.05.0054.N VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ, met zetel te 9320 Erembodegem, A. Van De Maelestraat 96, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. tegen SIDMAR, naamloze vennootschap, met zetel te 9042 Desteldonk, John Kennedylaan 51, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdend te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 35ter, §1, van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, hierna genoemd Oppervlaktewaterenwet, wordt het bedrag van de heffing op de waterverontreiniging vastgesteld volgens de formule H = N x T, hetzij de vuilvracht in het geloosde water vermenigvuldigd met het eenheidstarief van de heffing.
- Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 35quinquies, §1, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet wordt de vuilvracht voor de heffingsplichtigen die niet onder artikel 35quater vallen, berekend op basis van meet- en bemonsteringsresultaten volgens de formule N = N1+ N2 + N3 + Nk, waarin: - N staat voor de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden; - N1 voor de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden; - N2 voor de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde zware metalen uitgedrukt in vervuilingseenheden; - N3 voor de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde nutriënten uitgedrukt in vervuilingseenheden; - Nk voor de vuilvracht veroorzaakt door het lozen van koelwater.
- Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 35sexies, §1, van de Oppervlaktewaterenwet mag de vuilvracht N bepaald volgens artikel 35quinquies, §1, in geval het in een bepaald oppervlaktewater geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater dat uit hetzelfde oppervlaktewater is opgenomen als dit waarin het afvalwater geloosd wordt, verminderd worden met de vuilvracht NO van het gebruikte oppervlaktewater berekend als volgt: NO = N1,O + N2,O + N3,O waarin: - NO staat voor de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden van het opgenomen oppervlaktewater; - N1,O voor de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater veroorzaakt door de opname van de beschouwde stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden; - N2,O voor de vuilvracht van de beschouwde zware metalen van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden; - N3,O voor de vuilvracht van de beschouwde nutriënten van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden.
- Op grond van die laatste bepaling wordt ten bate van de heffingsplichtige die voor zijn productieproces water opneemt uit een bepaald oppervlaktewater en het nadien terugloost in datzelfde oppervlaktewater, de vuilvracht van het geloosde afvalwater verminderd met de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater om reden dat de heffingsplichtige de alsdan reeds aanwezige vervuiling in het oppervlaktewater louter terugstort.
- Krachtens artikel 35sexies, §2, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet kunnen de overeenkomstig de bepalingen van de in paragraaf 1 berekende vuilvrachten van het gebruikte oppervlaktewater N1,O N2,O en N3,O slechts als mindering in aanmerking genomen worden voor maximum het aantal vervuilingseenheden van de overeenstemmende vuilvrachten van het geloosde afvalwater N1, N2 en N
- Hieruit volgt dat niet de totale vuilvracht van het opgenomen water (NO) in mindering kan worden gebracht van de totale vuilvracht van het geloosde water (N), maar dat alleen de verschillende deelvuilvrachten van het opgenomen oppervlaktewater in mindering kunnen gebracht worden van de overeenstemmende deelvuilvrachten van het geloosde afvalwater (N1, N2 en N3). Wanneer het verschil tussen de deelvuilvracht van het geloosde afvalwater en de overeenstemmende deelvuilvracht van het opgenomen oppervlaktewater een negatieve waarde geeft zodat derhalve zuiverder water wordt geloosd dan opgenomen, moet voor de desbetreffende vuilvracht de waarde nul in aanmerking worden genomen.
- Krachtens het tweede lid van artikel 35sexies, §2, van de Oppervlaktewaterenwet wordt, indien de heffingsplichtige het afvalwater loost langs meerdere lozingspunten, het in mindering brengen van de reeds aanwezige vuilvracht uitgevoerd per lozingspunt.
- Die laatste bepaling voorziet bij lozing langs meerdere lozingspunten in een bijkomende beperking van de mogelijkheid tot het in mindering brengen van de vuilvracht van het opgenomen oppervlaktewater op de vuilvracht van het geloosde afvalwater, doordat ze verhindert dat de heffingsplichtigen de meet- en bemonsteringsresultaten van de lozingspunten van het (bedrijfs)afvalwater van eenzelfde productieactiviteit of van verschillende productieactiviteiten samenvoegen voor de berekening van de vuilvracht na vermindering. Dit heeft voor gevolg dat de eventueel negatieve waarden N1/N1,O, N2/N2,O of N3/N3,O voor een bepaald lozingspunt dienen gelijk gesteld te worden met nul en niet kunnen verrekend worden met de overeenstemmende positieve waarden van een ander lozingspunt.
- Het tweede lid van het voornoemde artikel 35sexies, §2, van de Oppervlaktewaterenwet is niet van toepassing indien de deelstromen van bedrijfsafvalwater, die verbonden zijn aan verschillende productieactiviteiten van de heffingsplichtige, worden geloosd via één lozingspunt. Wanneer meerdere deelstromen van bedrijfsafvalwater via een gemeenschappelijk lozingspunt worden geloosd, wordt de berekening van de vuilvracht na vermindering uitgevoerd volgens het bepaalde in artikel 35sexies, §
§2, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet.
Indien de meting en bemonstering afzonderlijk zijn gebeurd per deelstroom aan een controle-inrichting voor het gemeenschappelijk lozingspunt, moet bij de berekening van de vuilvracht na vermindering worden overgegaan tot het optellen per deelvuilvracht van de overeenstemmende resultaten verbonden aan elke deelstroom. Daarbij dienen de eventueel negatieve waarden N1/N1,O, N2/N2,O of N3/N3,O die gemeten zijn voor de deelvuilvracht van een bepaalde deelstroom, niet gelijkgesteld te worden met nul nu geen enkele bepaling belet dat zij verrekend worden met positieve waarden van de overeenstemmende deelvuilvracht van een andere deelstroom.
- De appelrechters stellen vast dat: - de verweerster als metaalverwerkend bedrijf beschikt over een cokesfabriek, hoogovens, een staalfabriek, een warmwalserij en een koudwalserij; - door inspanningen op het vlak van hergebruik van water en door wijzigingen in de lozingsinfrastructuur het aantal lozingspunten aanzienlijk werd verminderd tot het lozingspunt E + D, dat betrekking heeft op de cokesfabriek, hoogovens en staalfabriek en het lozingspunt 10, dat betrekking heeft op de koudwalserij; - er in de tekst van de nieuwe milieuvergunning nog slechts sprake is van twee lozingspunten met name het lozingspunt D + E en het lozingspunt 10; - de deelstromen van het bedrijfsafvalwater respectievelijk verbonden aan de cokesfabriek en de hoogovens worden geloosd in een gemeenschappelijk lozingspunt in het kanaal Gent-Terneuzen nadat de riolen E en D met elkaar verbonden werden na de controle-inrichting; - de lozing van het bedrijfsafvalwater afkomstig van de walserijen gebeurt via lozingspunt
- De appelrechters oordelen vervolgens dat: - artikel 35sexies van de Oppervlaktewaterenwet duidelijk stelt dat indien een heffingsplichtige zijn afvalwater loost langs meerdere lozingspunten, te dezen lozingspunt E + D (cokesfabriek en hoogovens) en lozingspunt 10 (walserijen) de vuilvracht van het geloosde water wordt verminderd met de vuilvracht per lozingspunt; - deze regel ook geldt wanneer twee deelstromen via een gemeenschappelijk lozingspunt worden geloosd en dat de deltaberekening dan ook per lozingspunt moet gebeuren en niet voor elke deelstroom afzonderlijk. Zij beslissen dienvolgens dat de grief van de verweerster, die aan de eiseres verweet dat zij bij de berekening van de in mindering te brengen vuilvracht voor het lozingspunt D + E ten onrechte niet akkoord ging met de verrekening van de negatieve deltawaarden van een deelstroom met de overeenstemmende positieve deltawaarden van een andere deelstroom, gegrond is.
- De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht en schenden de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 35sexies, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, wordt, indien de heffingsplichtige het afvalwater loost langs meerdere lozingspunten, het in mindering brengen van de reeds aanwezige vuilvracht uitgevoerd per lozingspunt.
- Het begrip "lozingspunt" dat wordt gehanteerd door die wetsbepaling, verwijst naar de fysieke plaats waar afvalwater in het oppervlaktewater wordt gebracht.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, verwijst het begrip "lozingspunt" niet naar de plaats waar deelstromen van het bedrijfsafvalwater afzonderlijk worden bemonsterd ongeacht de uiteindelijke fysieke lozing van het afvalwater via eenzelfde buis, dan wel via verschillende buizen. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 167,23 euro jegens de eisende partij en op de som van 260,45 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Dirix, en op de openbare terechtzitting van 14 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div