id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080219.3 Rolnummer: P.07.1411.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2008-03-17 Raadplegingen: 596 - laatst gezien 2026-07-03 10:01 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080219.3 Fiche 1 Artikel 257, § 3, AWDA beoogt de werkelijke goederen waarop de vermelding in het douanedocument betrekking heeft
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Processen-verbaal, bekeuringen, aanhalingen, vervolgingen Vrije woorden: Invoer van accijnsprodukten vanuit lidstaten van de Europese Gemeenschap - Verschuldigheid van de accijns Fiche 4 Is geen nieuw cassatiemiddel, het antwoord op de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie waarbij ter ondersteuning van een voordien aangevoerde grief gevraagd wordt een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Processen-verbaal, bekeuringen, aanhalingen, vervolgingen Vrije woorden: Antwoord op de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1107 Fiches 5 - 7 Concl. eerste adv.-gen. DE SWAEF, Cass., 19 feb. 2008, AR P.07.1411.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Processen-verbaal, bekeuringen, aanhalingen, vervolgingen Vrije woorden: Goederen vermeld in het douanedocument - Onjuiste goederenomschrijving Goederen die onregelmatig binnengebracht zijn in een lidstaat van de Gemeenschap - Doorlating naar een andere plaats in het douanegebied - Douanetussenkomst op de eindbestemming - Regelmatigheid Invoer van accijnsprodukten vanuit lidstaten van de Europese Gemeenschap - Verschuldigheid van de accijns Tekst van de beslissing Nr. P.07.1411.N I. HESSE-NOORD NATIE nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Schaliënstraat 3, civielrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. E A L R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jozef Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. III. A P D H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Houben, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 september
- De drie eisers voeren elk in memories die aan dit arrest zijn gehecht, een gelijkluidend middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Uit het bestreden arrest blijken volgende feitelijke gegevens: - op 30 juni 1998 verifieerde de douane te Rotterdam, na lossing op een haventerrein, twee per schip vanuit Bulgarije aangevoerde containers. Volgens het scheepsmanifest bevatten deze containers 550, respectievelijk 540 kartons badslippers en sportkledij. De "bill of lading" voor beide containers vermeldde als "consignee" en "notify party" een vennootschap te Antwerpen; - bij visitatie van de containers stelde de Nederlandse douane vast dat een ervan volledig gevuld was met sigaretten. Na toestemming van de officier van Justitie werden de beide containers met ongewijzigde inhoud aan boord van een binnenschip geladen met bestemming Antwerpen. Het vervoer van de container met de sigaretten gebeurde onder dekking van een T1-document dat een goederenomschrijving gaf van 550 kartons badslippers en sportkleding; - op 1 juli 1998 loste het bedrijf van de eiseres I beide containers op kaai te Antwerpen. De douane trof ze uiteindelijk aan in een magazijn. Ze stelde vast dat de verzegelingen waren verbroken en andere zegels waren aangebracht. Bij opening van de containers bevatte de ene 80 kartons joggings en 120 kartons badslippers en de andere geen sigaretten maar 117 kartons T-shirts. De eerste container werd vrijgegeven, terwijl de tweede container met substitutiegoederen en zijn inhoud, 117 kartons T-shirts, in beslag werd genomen. De voorafgaande rechtspleging verliep als volgt: - de eisers II en III werden voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen vervolgd om als deelnemers "zich schuldig gemaakt [te] hebben aan, zoals het op 2 juli 1998 werd vastgesteld, onttrekking aan douanetoezicht van 4.500.000 stuks sigaretten van het merk Marlboro"; - de eiseres I werd aangesproken als burgerrechtelijk aansprakelijke partij tot burgerlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid voor de verschuldigde invoerrechten, accijnzen, specifieke accijnzen, specifieke bijzondere accijnzen en nalatigheidsintrest die het gevolg zijn van de veroordelingen die ingevolge de wetten inzake douane en accijnzen zijn opgelopen door haar aangestelde, de eiser II; - bij vonnis van 6 juni 2006 sprak de correctionele rechtbank de eisers II en III vrij en stelde de eiseres I buiten zake; - het bestreden arrest verklaart daarentegen de eisers II en III schuldig aan de hen ten laste gelegde feiten, stelt vast dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt en veroordeelt de eisers II en III bijgevolg bij eenvoudige schuldigverklaring. Het verklaart voorts de in beslag genomen container alsmede zijn inhoud, gediend hebbende tot de smokkel, verbeurd evenals de sigaretten die niet in beslag konden worden genomen. Het veroordeelt de eisers II en III, bij niet-wederoverlegging ervan, solidair tot het betalen van de som van 66.652,77 euro, zijnde de tegenwaarde ervan; - op civielrechtelijk gebied verklaart het bestreden arrest de vordering van de verweerder onontvankelijk in zoverre die ertoe strekt de eisers II en III te veroordelen tot betaling van de invoerrechten, daar deze schuld in Nederland was ontstaan. De eiseres I wordt desbetreffend buiten zake gesteld. Het bestreden arrest veroordeelt daarentegen de eisers II en III solidair tot het betalen van de ontdoken accijnzen, de ontdoken specifieke bijzondere accijnzen, de door de administratie der douane en accijnzen in het kader van het onderzoek gemaakte en betaalde kosten en verklaart de eiseres I burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordeling uitgesproken ten laste van haar aangestelde, de eiser II. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 257, §§ 1 en 3, 265, 266 en 311 AWDA: de appelrechters die vaststellen dat het T1-document betrekking heeft op fictieve goederen (badslippers en T-shirts) en niet op de werkelijke goederen (sigaretten), oordelen onterecht dat die werkelijke goederen (sigaretten) een andere bestemming hebben gekregen dan deze vermeld in de douanedocumenten.
- Artikel 257, § 3, AWDA bepaalt: "Wie zonder voorafgaande toelating van de administratie der douane en accijnzen, aan de goederen vermeld in de douanedocumenten waarvan sprake in § 1, een andere bestemming geeft dan daarin uitdrukkelijk is aangeduid, verbeurt de straffen bepaald, volgens het geval, bij artikel 157, bij de artikelen 220 tot 225, 227 en 277 of bij artikel 231". Dit artikel beoogt de werkelijke goederen waarop de vermelding in het douanedocument betrekking heeft. De omstandigheid dat het douanedocument een onjuiste goederenomschrijving geeft, doet eraan niet af dat de werkelijke goederen een andere bestemming kunnen krijgen dan deze aangeduid in het douanedocument. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.19, 38, 40, (beide artikelen zoals van toepassing vóór hun wijziging bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005), 43, 45 (beide artikelen zoals van toepassing vóór hun opheffing bij voormelde verordening (EG) nr. 648/2005), 84, lid 1, 91 en 202 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, de artikelen 257, 265, 266 en 311 AWDA: de appelrechters kunnen niet wettig oordelen dat goederen die in Nederland onregelmatig zijn binnengebracht, onder de communautaire douaneregeling naar België zijn vervoerd en aldaar aan het douanetoezicht zijn onttrokken. In antwoord op de schriftelijke conclusie van de eerste advocaat-generaal en ter ondersteuning van het aangevoerde onderdeel vraagt de eiseres I het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag voor te leggen: "Verhindert de vaststelling, gedaan door de douaneautoriteiten van een lid¬staat, dat goederen onder een onjuiste benaming in het douanegebied van de Gemeenschap werden binnengebracht, met als gevolg dat de douaneschuld onmiddellijk is ontstaan in die lidstaat, dat diezelfde goederen nog onder dek¬king van het schorsingsregime van het extracommunautair douanevervoer, zoals bedoeld bij artikel 91 van de EG verordening 2913/92 van de raad van 12 oktober 1992 houdende het communautair douanewetboek, naar een an¬dere lidstaat van de Gemeenschap worden overgebracht?"
- Het is duidelijk dat de in het onderdeel aangewezen verordeningsbepaling eraan niet in de weg staat dat goederen die op een bepaalde plaats onregelmatig de Gemeenschap werden binnengebracht, met toestemming van de gerechtelijke autoriteit bevoegd voor de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven en overeenkomstig de wettelijke bepalingen die dergelijke bijzondere onderzoeksmethode regelen, doorgelaten worden naar een andere plaats in het douanegebied met het oog op een tussenkomst van de douane op de eindbestemming. Het onderdeel faalt naar recht en er is geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2, 3, 5, 6 van de richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, 2, 3, 4, § 1, 11° en 12°, 5 en 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, 4.19, 38, 40, (beide artikelen zoals van toepassing vóór hun wijziging bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005), 43, 45 (beide artikelen zoals van toepassing vóór hun opheffing bij voormelde verordening (EG) nr. 648/2005), 257, 265, 266 en 311 AWDA: de appelrechters oordelen onterecht dat voor goederen die onregelmatig in Nederland zijn binnengebracht en naar België zijn vervoerd, de accijnsschuld in België is ontstaan en dat de Belgische douaneautoriteiten bevoegd zijn om die schuld in te vorderen. In antwoord op de schriftelijke conclusie van de eerste advocaat-generaal en ter ondersteuning van het aangevoerde onderdeel vraagt de eiseres I bovendien het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag voor te leggen: "Is het verenigbaar met artikel 6 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop dat goe¬deren, die met instemming van de douaneautoriteiten van een aangrenzend land naar België worden overgebracht, nadat werd vastgesteld door diezelfde autoriteiten dat zij op het grondgebied van die lidstaat op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap werden binnengebracht, met als gevolg dat deze goederen overeenkomstig artikel 6 van voornoemde richtlijn moeten worden geacht op dat grondgebied te zijn uitgeslagen tot verbruik, in België eveneens worden aangezien als zijnde alhier uitgeslagen tot verbruik wegens hun onttrekking aan het douanetoezicht?"
- Het onderdeel berust op de onderstelling dat daar de sigaretten in verbruik werden gesteld in Nederland waar ze onregelmatig in het douanegebied werden binnengebracht, niet meer in België in verbruik konden worden gesteld.
- Artikel 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, bepaalt: "De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van tekorten die aan accijns moeten worden onderworpen overeenkomstig artikel 14, §
- De voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijk tarief zijn deze van kracht op de datum van de ingebruikstelling of van de vaststelling van tekorten. Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd: - iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling; - iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van deze producten buiten een schorsingsregeling; - elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst."
- Ingevolge deze bepaling is in België accijns verschuldigd bij invoer vanuit gelijk welk land, inclusief de Lidstaten van de Europese Gemeenschap. Aldus is hier de vraag of de accijnsgoederen nu al dan niet onder een schorsingsregeling konden worden geplaatst, niet ter zake dienend. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk en er is dan ook geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 438,84 euro waarvan op elk cassatieberoep 64,03 euro verschuldigd is en waarvan de eiseres I 246,75 euro betaald heeft. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 19 februari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080219.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080219.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100629.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div