← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080225.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080225.3 Rolnummer: S.07.0074.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2008-03-12 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 05:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 87, § 1, van de wet van 1 augustus 1985, blijkt dat de in dit artikel vermelde schuldvorderingen moeten betrekking hebben op "werken, leveringen of diensten" in de zin van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten

(1).
(1)Uit de memorie van Toelichting met betrekking tot de bepalingen van Hoofdstuk VI van de wet van 1 augustus 1985 (Parl.St. Senaat, 1984-1985, nr.873/1), blijkt dat de wetgever een bescherming wou inbouwen van personen die schuldeiser zijn van de Belgische Staat wegens gepresteerde werken, leveringen of diensten maar door laattijdige betaling vanwege de Belgische Staat in moeilijkheden geraken om hun eigen verplichtingen ten opzichte van de Belgische staat te voldoen. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Verzet (gerechtelijk recht) - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Betaling Vrije woorden: Schuldvordering van de RSZ - Opschorting van de opeisbaarheid - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 01-08-1985 - Art. 87, § 1 Wet - 21-03-1991 - vóór de wijziging bij de Tekst van de beslissing Nr. S.07.0074.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen KLINIEK ONZE LIEVE VROUW VAN ANTWERPEN, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2000 Antwerpen, Pieter van Hobokenstraat 3 verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 september 2004 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 87, 88 en 89 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, artikel 87 vóór zijn wijziging bij wet van 21 maart 1991; - de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 11 oktober 1985 houdende uitvoering van hoofdstuk VI van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, betreffende de bescherming van personen die schuldeiser en schuldenaar zijn van sommige openbare besturen en instellingen van openbaar nut (Uitvoeringsbesluit); - de artikelen 8, 9, 14, 556, 563, 578 t.e.m. 583 en 607 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 6 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, thans artikel 47 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987; - artikel 1 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest bevestigt het bevel tot opschorting van de opeisbaarheid van de schuldvordering van de eiser, zoals het werd uitgesproken door de eerste rechter en legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de eiser. Het bestreden arrest oordeelde dat de eerste rechter terecht toepassing had gemaakt van de wet van 1 augustus 1985 en het Uitvoeringsbesluit van 11 oktober 1985 op grond van de volgende overwegingen: "Het (arbeids)hof volgt de argumentatie van het openbaar ministerie: In overstemming met de hoger geciteerde wettelijke bepalingen dient de opeisbaarheid van de schuldvordering van (de eiser) opgeschort te worden zo diens schuldenaar wegens werken, leveringen of diensten een of meerdere schuldvorderingen bezit op de staat die onbetwistbaar, opeisbaar en vrij zijn van elke verbintenis ten aanzien van derden . Mede gelet op de inhoud van artikel 2, 10 van het uitvoeringsbesluit (K.B. van 11 oktober 1985) moet deze schuldvordering bijgevolg: - betrekking hebben op prestaties of diensten die aanvaard zijn door de schuldenaar, zijnde de Belgische Staat; - de schuldvordering mag niet afhankelijk zijn van een termijn of realisatie van een opschortende voorwaarde; - de schuldvordering moet zogenaamd vrij en onbelast zijn en mag bijgevolg niet het voorwerp uitmaken van een beslag, overdracht of inpandgeving. Op grond van de gegevens van het dossier kan worden besloten dat de schuldvordering van (de verweerster) op de Belgische Staat aan deze voorwaarden voldeed. Zij was vaststaand en had wel degelijk betrekking op diensten welke door de overheid aanvaard waren. Tot staving hiervan kan onder meer verwezen worden naar de brief van de Gemeenschapsminister van Volksgezondheid en Leefmilieu van 27 augustus 1986 waarin uitdrukkelijk bevestigd wordt dat de schadeloosstelling wegens de sluiting van ziekenhuisbedden verschuldigd was door de overheid. Deze schadeloosstelling was immers verschuldigd door het abrupt beëindigen bij ministeriële beslissing in het kader van de reorganisatie van het ziekenhuiswezen van de dienstverlening door (de verweerster), welke bestond in het ter beschikking stellen, het inrichten en het exploiteren van een ziekenhuis tot voordeel van de gemeenschap. Daarenboven was deze schuldvordering niet afhankelijk van een opschortende voorwaarde. Ten onrechte verwijst (de eiser) naar de brief van de Gemeenschapsminister van Volksgezondheid en Leefmilieu van 27 augustus 1986, om voor te houden dat uit de inhoud daarvan blijkt dat dit wel het geval zou zijn. Wanneer in deze brief immers aangekondigd wordt dat tot uitbetaling zou overgegaan worden zodra het bedrag van deze door de Staat erkende schuld op de daarvoor bestemde thesaurierekening wordt gestort, betreft dit zeker geen voorwaarde waarvan het bestaan van de schuld als dusdanig afhankelijk is, maar enkel een kennisgeving van het tijdstip waarop de betaling zou uitgevoerd worden. Deze aankondiging doet geen afbreuk aan het feit dat de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en betaalbaar was. De Belgische Staat stelt enkel dat, om redenen die eigen zijn aan een bestuur, slechts een betaling zal kunnen plaatshebben als het bedrag van de schuld gestort werd op de daarvoor voorziene thesaurierekening. Tot slot dient er op gewezen (te) worden dat er geen betwisting bestaat tussen de gedingvoerende partijen over het feit dat aan de vereiste van het vrij en onbelast zijn van de schuldvordering was voldaan. Door (de eiser) kan evenmin het verwijt gemaakt worden aan (de verweerster) dat zij nooit een aanvraag tot opschorting van de opeisbaarheid heeft ingediend bij het bestuur in overeenstemming met artikel 3, §1 van het K.B. van 11 oktober
  1. De procedure welke in deze wetsbepaling wordt voorzien geldt slechts in geval de opschorting van de opeisbaarheid wordt aangevraagd langs administratieve weg. De bevoegdheid welke ter zake aan de Koning werd gegeven in artikel 88, 2°, van de Wet van 1 augustus 1985 heeft trouwens ook uitsluitend betrekking op de mogelijkheid om langs administratieve weg deze maatregel te verkrijgen. In deze zaak wordt evenwel als verweer op een vordering tot betaling van bijdragen, bijdrageopslagen en intresten binnen een gerechtelijke procedure welke aanhangig werd gemaakt door (de eiser) aanspraak gemaakt op de opschorting van de opeisbaarheid. Daar de wet van 1 augustus 1985 in zijn artikel 87 uitdrukkelijk voorziet in een recht om de opschorting van de opeisbaarheid van de schuldvordering van onder meer (de eiser) te verkrijgen wanneer aan de wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het uiteraard aan de rechter ten gronde om vast te stellen dat de schuldenaar van de vordering van (de eiser) al dan niet terecht aanspraak maakt op de toepassing van dit recht". Grieven Artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt : "§
  2. De opeisbaarheid van de schuldvorderingen van de Staat uit hoofde van de personenbelasting, de vennootschapbelasting, de belasting der niet-verblijfhouders en de belasting over de toegevoegde waarde, en de opeisbaarheid van de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen worden opgeschort zo de schuldenaar, natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon wegens werken, leveringen of diensten, een schuldvordering of schuldvorderingen die onbetwistbaar zijn, opeisbaar en vrij van elke verbintenis ten aanzien van derden op de Staat bezit of op de instellingen van openbaar nut bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbare nut, die de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit aanwijst. De opschorting van de opeisbaarheid mag slechts geschieden ten belope van de bedragen van de schuldvordering of van de schuldvorderingen van de natuurlijke of rechtspersoon die schuldenaar is; §
  3. De moratoire interesten betreffende de schuldvorderingen van de Staat van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen lopen door, maar de opeisbaarheid ervan wordt opgeschort zolang de opeisbaarheid van de hoofdsom geschorst is. De boeten en verhogingen die zijn opgelegd als sanctie wegens vertraging in de betalingen, zullen niet verschuldigd zijn; §
  4. De verjaring voor de invordering van de in paragraaf 1 bedoelde schuldvorderingen van de Staat, van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, wordt geschorst zolang de opeisbaarheid van die schuldvorderingen opgeschort is met toepassing van dit artikel; §
  5. De bepalingen voorzien in de paragrafen 1 tot 3 zijn, onder dezelfde voorwaarden, van toepassing op de opeisbaarheid van de schuldvorderingen van de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen en van de vrije sociale-verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, erkend binnen het raam van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen". Artikel 88 van diezelfde wet bepaalt: De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit: 1° onder welke voorwaarden een in artikel 87 bedoelde schuldvordering onbetwistbaar, opeisbaar en vrij van elke verbintenis ten aanzien van derden wordt geacht; 2° de vormen die kunnen worden opgelegd wanneer de persoon van privaat recht de in artikel 87 bedoelde opschorting aanvraagt, alsook de voorwaarden die aan de aanvrager kunnen worden opgelegd inzake goede faam wat zijn betalingsverplichtingen betreft; 3° onder welke voorwaarden de Staat, de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen en de sociale-verzekeringsfondsen beoogd in artikel 87, paragrafen 1 en 4, wanneer zij een schuldvordering bezitten waarvan de opeisbaarheid krachtens artikel 87 opgeschort is, rechtstreeks bij de Staat of de instelling van openbaar nut die schuldenaar is, de betaling in hoofdsom, interesten, boeten en verhogingen kunnen opeisen van de sommen verschuldigd wegens werken, leveringen of diensten". Eerste onderdeel
  6. In het Uitvoeringsbesluit van 11 oktober 1985 heeft de Koning bepaald onder welke voorwaarden de in artikel 87 bedoelde schuldvordering, die de schuldenaar bezit op de Staat of op de bedoelde instellingen van openbaar nut, moet worden geacht onbetwistbaar, opeisbaar en vrij te zijn van elke verbintenis ten aanzien van derden. Zo moet deze schuldvordering, overeenkomstig artikel 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit, betrekking hebben op verstrekte prestaties die door de Staat, hetzij door de instellingen van openbaar nut, werden aanvaard.
  7. De vergoeding die door de Staat verschuldigd is naar aanleiding van de sluiting van een ziekenhuis (zie artikel 6 van de wet van 23 december 1963) is voor de verweerster geen schuldvordering die betrekking heeft op verstrekte prestaties die door de overheid als schuldenaar werden aanvaard in de zin van artikel 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit. Deze "sluitingsvergoeding" strekt immers niet tot vergoeding van "verstrekte prestaties", in zoverre deze vergoeding, integendeel, toegekend wordt voor het stopzetten van een activiteit en in die mate strekt tot schadeloosstelling. Een in artikel 87 bedoelde schuldvordering kan geen schadevergoeding tot voorwerp hebben.
  8. De beslissing tot stopzetting van de ziekenhuisactiviteiten, die recht geeft op een sluitingsvergoeding, wordt bovendien eenzijdig door de overheid, bij ministeriële beslissing, genomen zodat in die context evenmin kan worden gesproken van een schuldvordering die betrekking heeft op prestaties die door de overheid als zodanig werden "aanvaard".
  9. De in artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985 bedoelde schuldvordering die de schuldenaar bezit op de Staat of op een instelling van openbaar nut moet bovendien betrekking hebben op "werken, leveringen of diensten". Hieronder moet worden verstaan de "werken, leveringen of diensten" in de zin van de, ten tijde van de feiten nog toepasselijke wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. De schadeloosstelling die door de overheid, in het kader van de reorganisatie van het ziekenhuiswezen, verschuldigd is wegens het abrupt beëindigen van de dienstverlening van de verweerster beantwoordt niet aan een vordering die is ontstaan uit de toepassing van de wet van 14 juli 1976 en betreft geen vergoeding voor "werken, leveringen of diensten" in de zin van voormelde wet.
  10. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de schadeloosstelling, die de verweerster nog tegoed had van de overheid voor de sluiting van haar ziekenhuis, een schuldvordering vormde die betrekking had op "verstrekte prestaties die door de overheid aanvaard werden" in de zin van de artikelen 87 van de wet van 1 augustus 1985 en 2 van het Uitvoeringsbesluit (schending van de artikelen 87, 88 en 89 van de wet van 1 augustus 1985, 1, 2, in het bijzonder 1°, 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit, 1 van de wet van 14 juli 1976 en 6 van de wet van 23 december 1963, thans artikel 47 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen). Tweede onderdeel
  11. In het Uitvoeringsbesluit van 11 oktober 1985 heeft de Koning ook de vormen bepaald die kunnen worden opgelegd wanneer de persoon van privaat recht de opeisbaarheid van een schuld vraagt op te schorten bij toepassing van de artikelen 87 tot 89 van de wet van 1 augustus
  12. Zo stelt artikel 3, §1, van het Uitvoeringsbesluit dat de aanvrager, om voor de toepassing van de wet in aanmerking te komen, zijn aanvraag moet indienen bij een ter post aangetekend schrijven of bij een exploot van een gerechtsdeurwaarder en daartoe gelijktijdig aan zijn schuldeiser en aan zijn schuldenaar het document moet toezenden waarvan het model bij dit besluit is gevoegd. De aanvrager moet er eveneens alle documenten aan toevoegen waardoor zijn aanvraag kan worden gestaafd. Overeenkomstig artikel 4, §1, van het Uitvoeringsbesluit beschikt de schuldenaar over een termijn van 45 dagen om mede te delen dat de schuldvordering van de aanvrager al dan niet beantwoordt aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden. Indien hij meent dat zulks niet het geval is, moet zijn antwoord met redenen worden omkleed. Indien hij het door de aanvrager aangehaald bedrag betwist, geeft hij het niet betwist bedrag van de schuldvordering aan, met vermelding, in voorkomend geval, van de afhoudingen die zullen plaatsvinden bij toepassing van de artikelen 299bis WIB en 30bis RSZ-wet, alsmede van de delging van de schuld indien deze heeft plaatsgevonden voor het verstrijken van voormelde termijn. De schuldenaar vermeldt zijn antwoord en de voormelde gegevens in het model dat in bijlage aan het Uitvoeringsbesluit is gevoegd en maakt dit document, bij een ter post aangetekend schrijven, over aan de schuldeiser en aan de aanvrager (artikel 4, §2). De opschorting van de opeisbaarheid gaat in op de datum van de kennisgeving van het antwoord van de schuldenaar, indien in het antwoord van de schuldenaar wordt bevestigd dat de schuldvordering van de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel
  13. Die opschorting van de opeisbaarheid geldt slechts tot beloop van het onbetwist bedrag van de schuldvordering (artikel 4, §4). In de vijfde paragraaf van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit wordt tenslotte geregeld hoe de schuldeiser rechtstreeks aan de diensten van de thesaurie van de schuldenaar de betaling kan vorderen van de schuld beoogt bij artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985, ten belope van de schuldvordering waarvan de aanvrager houder is (cf. artikel 88, 3°, van de wet van 1 augustus 1985). Deze vordering van de schuldeiser geldt als beslag onder derden op die schuldvordering (cf. artikel 89 van de wet van 1 augustus 1985) en dient binnen een termijn van 30 dagen te worden ingesteld, ingaand op de dag na de kennisgeving beoogd in paragraaf
  14. Uit voorgaande bepalingen volgt dat de aanvrager slechts in aanmerking komt voor een opschorting van de opeisbaarheid van de schuldvordering van zijn schuldeiser wanneer hij de procedure heeft gevolgd zoals die beschreven staat in het Uitvoeringsbesluit (zie o.m. de aanhef van artikel 3, §1 : "om voor de toepassing van de wet in aanmerking te komen"). De "vormen die kunnen worden opgelegd", krachtens artikel 88, 2°, van de wet van 1 augustus 1985, door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, wanneer de aanvrager de opschorting vordert van de opeisbaarheid van een schuldvordering van de Staat of van de eiser, werden in het Uitvoeringsbesluit opgelegd op straffe van verval van het recht om de opschorting te eisen.
  15. De procedure voorzien in het Uitvoeringsbesluit dient ook te worden gevolgd wanneer de toepassing van artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985 wordt ingeroepen binnen het kader van een gerechtelijke procedure, bij wijze van exceptie of tegeneis tegen de vordering die wordt ingesteld door een van de schuldeisers bedoeld in de artikelen 87, §1, van de wet van 1 augustus 1985 en 1, 3°, Uitvoeringsbesluit, in casu een vordering uitgaande van eiser wegens achterstallige sociale bijdragen. De arbeidsgerechten zijn niet bevoegd (zie de artikelen 8, 9, 14, 563, 578 t.e.m. 583 en 607 van het Gerechtelijk Wetboek) om kennis te nemen van een vordering tot opschorting in de zin van artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985 in de mate dat deze wet en zijn Uitvoeringsbesluit dergelijke vorderingen aan hun rechtsmacht heeft onttrokken (artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek). Wanneer de toepassing van artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985 toch voor de rechter wordt ingeroepen dan dient hij bijgevolg, hetzij, de debatten te schorsen en de zaak uit te stellen, hetzij, de zaak te verzenden naar de bijzondere rol, tot wanneer de opschorting van de opeisbaarheid, via de procedure voorzien in het Uitvoeringsbesluit, is verkregen. Indien de aanvrager ook langs gerechtelijk weg de opschorting zou kunnen bekomen, dan zou de schuldeiser, waarvan de schuldvordering werd opgeschort, immers niet in de mogelijkheid verkeren om rechtstreeks bij de thesaurie van de schuldenaar de betaling ervan te vorderen in zoverre, door het ontbreken van een aanvraag tot opschorting conform de bepalingen van het Uitvoeringsbesluit, de schuldenaar hierop niet kan antwoorden, waardoor de termijn waarbinnen de schuldeiser zijn aanvraag aan de thesaurie tot betaling moet indienen nooit begint te lopen en hij van betaling blijft verstoken (zie artikel 4, §5, van het Uitvoeringsbesluit).
  16. In de mate dat het Uitvoeringsbesluit de naleving van de procedure voorzien in het Uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk heeft opgelegd als een noodzakelijke voorwaarde om voor de toepassing van artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985 in aanmerking te komen, is het volgen van deze "administratieve" weg bijgevolg de enige mogelijkheid voor de aanvrager om zijn recht op de opschorting van de opeisbaarheid van een schuldvordering te kunnen afdwingen. Het oordeel van de appelrechters dat de procedure voorzien in het Uitvoeringsbesluit slechts geldt ingeval de opschorting wordt aangevraagd langs "administratieve" weg en dat het bestaan van deze procedure geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de rechter om zelf ten gronde te oordelen over een verzoek tot opschorting van de opeisbaarheid van een socialezekerheidsvordering, is derhalve niet naar recht verantwoord. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, nu de verweerster nooit een aanvraag tot opschorting bij de Staat heeft ingediend in overeenstemming met de procedure voorzien in het Uitvoeringsbesluit, niet wettig heeft kunnen oordelen dat aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van artikel 87 van de wet van 1 augustus 1985 was voldaan (schending van de artikelen 87, 88 en 89 van de wet van 1 augustus 1985, 1, 2, 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit en 8, 9, 14, 556, 563, 578 t.e.m. 583 en 607 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  17. Artikel 87, §1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, vóór de wijziging bij de wet van 21 maart 1991, bepaalt dat de opeisbaarheid van de schuldvorderingen van de Staat uit hoofde van de personenbelasting, de vennootschapbelasting, de belasting der niet-verblijfhouders en de belasting over de toegevoegde waarde, en de opeisbaarheid van de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen worden opgeschort zo de schuldenaar, natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon wegens werken, leveringen of diensten, een schuldvordering of schuldvorderingen die onbetwistbaar zijn, opeisbaar en vrij van elke verbintenis ten aanzien van derden, op de Staat bezit of op de instellingen van openbaar nut, bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbare nut, die de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit aanwijst. Artikel 88 van deze wet verleent aan de Koning de bevoegdheid om bij een in Ministerraad overlegd besluit onder meer te bepalen aan welke voorwaarden de in artikel 87 bedoelde schuldvordering wegens werken, leveringen of diensten moet voldoen. Artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 11 oktober 1985 bepaalt dat de in artikel 87 van de voornoemde wet bedoelde schuldvordering betrekking moet hebben op verstrekte prestaties die door de Staat, hetzij door de instelling van openbaar nut werden aanvaard. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de schuldvorderingen moeten betrekking hebben op "werken, leveringen of diensten" in de zin van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
  18. Door te oordelen dat de schuldvordering tot schadeloosstelling van de verweerster ten laste van de Staat voor de sluiting van ziekenhuisbedden een schuldvordering is als bedoeld in artikel 87 van de wet van 1 augustus 1987 en op die gronden de opschorting te bevelen van de schuldvordering van de eiser, is het arrest niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 25 februari 2008 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080225.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.