← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080225.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 2

Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Hof van Justitie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Ouderschapsverlof - Vermindering van de arbeidsprestaties - Schorsing van de arbeidsovereenkomst Wettelijke bepalingen:

Art. 2

Fiche 4 Uit het geheel van de bepalingen van artikel 2 van het KB van 29 oktober 1997, artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet, artikelen 101, eerste lid, 102, § 1, eerste lid en 103 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, volgt dat een werknemer die tewerkgesteld is onder een stelsel van verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aanspraak kan maken op een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd

(1).
(1)Zie Cass., 11 dec. 2006, AR S.04.0143.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.2, A.C. 2006, nr. ... Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Hof van Justitie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever - Stelsel van verminderde arbeidsprestaties - Opzegtermijn - Duur Wettelijke bepalingen:

Art. 2Wet - 03-07-1978 - Art.

39 Wet - 22-01-1985 - Artt. 101, eerste lid, 102, § 1, eerste lid en 103 Fiche 5 Voor het vaststellen van het bedrag van de vergoeding bepaald in artikel 39, § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, is daarentegen geen afwijking bepaald, zodat die opzeggingsvergoeding ten gunste van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever zou dienen berekend te worden met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst

(1).
(1)Zie Cass., 11 dec. 2006, AR S.04.0143.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.2, A.C. 2006, nr. ... Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Hof van Justitie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever - Stelsel van verminderde arbeidsprestaties - Opzeggingsvergoeding - Berekening - In aanmerking te nemen loon Wettelijke bepalingen:

Art. 2Wet - 03-07-1978 - Art.

39 Wet - 22-01-1985 - Artt. 101, eerste lid, 102, § 1, eerste lid en 103 Fiches 6 - 7 Het middel dat ervan uitgaat dat de werknemer die ouderschapsverlof neemt in de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties, bij eenzijdige beëindiging door de werkgever tijdens die periode van ouderschapsverlof, recht heeft op een opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon waarop hij recht had voor voltijdse prestaties, werpt een vraag op over de uitlegging van de clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7 van de in bijlage bij de Richtlijn 96/34/EG van 3 juni 1996 opgenomen raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die ingevolge de artikelen 1, 2 en 3 van deze richtlijn de Lid-staten verbinden wat het te bereiken resultaat betreft. Enkel het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is ingevolge artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen bevoegd om daarover bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Hof van Justitie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Hof van Justitie - Het stellen van een prejudiciële vraag - Draagwijdte van een clausule Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 03-06-1996 - Clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7 van de in bijlage bij de Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Hof van Justitie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europese Unie - Hof van Justitie - Het stellen van een prejudiciële vraag - Draagwijdte van een clausule Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 03-06-1996 - Clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7 van de in bijlage bij de Tekst van de beslissing Nr. S.07.0027.N M.C., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROOST, naamloze vennootschap, met zetel te 2300 Turnhout, Everdongenlaan 23, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 februari 2006 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

  1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing ná de wijziging ervan bij een koninklijk besluit van 24 januari 2002, maar vóór de vervanging ervan bij een koninklijk besluit van 15 juli 2005, 3, in de versie van toepassing vóór de vervanging ervan bij een koninklijk besluit van 15 juli 2005, en 8 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan; - de artikelen 101, 102, inzonderheid §1, 103 en 107bis, §1, van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen; - artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - voor zoveel als nodig artikel 7, inzonderheid §2, van de collectieve arbeids-overeenkomst nr. 64, op 29 april 1997 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot instelling van een recht op ouderschapsverlof; - clausule 2, punten 1, 3.a, 4, 5 en 6 en clausule 4, punt 6, van de op 14 december 1995 door de algemene branche-overkoepelende organisaties UNICE, CEEP en EEV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, opgenomen in de bijlage van de Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en de artikelen 1, 2, inzonderheid 2.1, en 3 van die richtlijn; - de artikelen 10 en 249, derde lid, van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende en bij de Belgische wet van 2 december 1957 goedgekeurde verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap; - de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
  2. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke hoofdvordering van de eiseres tot het verkrijgen van een aanvullende opzeggingsvergoeding berekend op een voltijds loon, het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond. Het hof van beroep bevestigt op dat punt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 22 november 2004 op grond van de volgende motieven: "V. Ten gronde
  3. Aanvullende opzeggingsvergoeding Uit de feitelijke uiteenzetting sub 2 van dit arrest blijkt dat (de eiseres) sedert 18 november 2002 haar prestaties met de helft heeft verminderd en dit in het kader van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof, dat verwijst naar de reglementering inzake de loopbaanonderbreking, met name de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985, hierna de Herstelwet genoemd. Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of (de eiseres) recht heeft op betaling van een opzeggingsvergoeding waarvan het bedrag moet worden vastgesteld overeenkomstig het loon en de voordelen waarop zij ingevolge haar arbeidsovereenkomst recht had op het ogenblik van het onmiddellijk ontslag dan wel overeenkomstig het hypothetisch voltijds loon dat zij zou verdiend hebben indien zij haar arbeidsprestaties niet zou hebben verminderd. In dit verband kan het (arbeidshof) slechts vaststellen dat de door (de eiseres) in haar beroepsconclusie aangevoerde middelen niet meer zijn dan een weergave van de door haar geuite argumenten voor de eerste rechters, die in hun vonnis een juridisch verantwoorde motivering hebben gegeven. Terecht hebben de eerste rechters verwezen naar de bepalingen van artikel 103 van de Herstelwet volgens welke de termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 en 102bis heeft verminderd, ingeval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zal worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Met de duur van deze opzeggingstermijn moet eveneens rekening worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomsten-wet. Deze bijzondere regeling blijft derhalve beperkt tot de vaststelling van de duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn en, daarbij aansluitend, van de duur van de opzeggingstermijn die de basis vormt voor de becijfering van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding. Terecht beslisten de eerste rechters dat dit artikel geen bepalingen bevat die de omvang en de samenstelling van het basisjaarloon regelen voor de vaststelling van het bedrag van de corresponderende opzeggingsvergoeding, zodat voor dit aspect toepassing moet worden gemaakt van het ‘gemene' arbeidsovereenkomstenrecht, met name artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Voor het bepalen van de omvang van de verschuldigde opzeggingsvergoeding moet derhalve rekening worden gehouden met het ‘lopend loon' waarop (de eiseres) op het tijdstip van het ontslag gerechtigd was. Die regeling is niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel (...) . In dezelfde zin kan nuttig verwezen worden naar een arrest van 23 april 2003 van dit (arbeidshof) (...) waar het zich over dezelfde problematiek heeft moeten buigen alsook naar het in dit verband geciteerde Senaatsverslag van de Commissie voor sociale aangelegenheden over het ontwerp van herstel houdende sociale bepalingen, dat hierbij als herhaald dient te worden beschouwd en dat het (arbeidshof) bijtreedt. De omstandigheid dat (de eiseres) in huidige betwisting haar arbeidsprestaties slechts voor een bepaalde tijd met de helft verminderde, is niet van aard afbreuk te doen aan bovenstaande overwegingen en besluitvorming. Op het ogenblik van het ontslag was (de eiseres) immers met (de verweerster) verbonden door een arbeidsovereenkomst op grond waarvan zij op dat ogenblik slechts aanspraak kon maken op de betaling van een loon in verhouding tot de verminderde arbeidsprestaties. Door de overeenkomst van ouderschapsverlof van 18 mei 2002 werden de oorspronkelijke tussen partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden, met name de arbeidsduur en het daarmee overeenstemmende loon, gewijzigd voor de duur van de loopbaanonderbreking. Of deze tussen de werkgever en de werknemer gewijzigde arbeidsvoorwaarden nu voor een bepaalde tijd dan wel voor een onbepaalde tijd gelden, is volstrekt irrelevant. Tenslotte is het (arbeidshof) van oordeel dat de terechte overwegingen van (het Hof) in (een) arrest van 6 september 1982 (...) met betrekking tot de opzeggingsvergoeding verschuldigd in geval van ontslag tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid, geenszins bij analogie kunnen worden toegepast in dit geschil, nu de gevorderde opzeggingsvergoeding er niet toe strekt (de eiseres) te vergoeden voor het verlies ingevolge haar ontslag van het recht om het werk volledig te hervatten na het einde van de vermindering van haar arbeidsprestaties, tegen de loonvoorwaarden die op dat ogenblik gelden. De overige door (de eiseres) geciteerde rechtspraak - waardoor het (arbeidshof) uiteraard niet gebonden is - kan het (arbeidshof) geenszins bijtreden, nu de daarin ontwikkelde feitelijke omstandigheden duidelijk verschillen van huidige casus. Nu het als zodanig niet ter discussie staat tussen partijen dat (de eiseres) aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding van 11 maanden, hebben de eerste rechters terecht een aanvullende opzeggingsvergoeding becijferd op basis van het effectief deeltijds loon waarop (de eiseres) recht had op het ogenblik van het ontslag, hetzij 1.147,77 euro. Het hoger beroep van (de eiseres) is derhalve ongegrond". Grieven
  4. Eerste onderdeel 1.1.
  5. De Richtlijn 96/34/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, hieronder afgekort als Richtlijn 96/34/EG, is, blijkens haar artikel 1, gericht op de tenuitvoerlegging van de op 14 december 1995 door de algemene branche-overkoepelende organisaties UNICE, CEEP en EEV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, opgenomen in de bijlage van de richtlijn. Artikel 2.1 van die richtlijn bepaalt dat de Lid-staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 3 juni 1998 aan de richtlijn te voldoen, of zich er uiterlijk op die datum van te verzekeren dat de sociale partners de nodige bepalingen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de Lid-Staten moeten alle nodige maatregelen treffen om de in de richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen. Krachtens punt 1 van de clausule 2 van de hierboven genoemde raamovereenkomst wordt aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof toegekend om hen in staat te stellen gedurende ten minste drie maanden tot een door de Lid-Staten en/of de sociale partners vast te stellen leeftijd van maximaal acht jaar voor hun kind te zorgen. De voorwaarden en wijze van toepassing van het ouderschapsverlof worden in de Lid-staten vastgesteld bij de wet en/of bij collectieve overeenkomsten, met inachtneming van de minimum-voorschriften van deze overeenkomst, aldus punt 3 van die clausule. De Lid-Staten en/of de sociale partners kunnen onder meer beslissen of het ouderschapsverlof als vol- of deeltijdverlof, in gedeelten of in de vorm van uitgesteld verlof wordt toegekend. Punt 4 van de clausule 2 van de raamovereenkomst bepaalt dat teneinde te waarborgen dat de werknemers van hun recht op ouderschapsverlof gebruik kunnen maken, de Lid-staten en/of de sociale partners overeenkomstig de wetgeving, de collectieve overeenkomsten of de nationale gebruiken de nodige maatregelen nemen om de werknemers tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen. Na afloop van het ouderschapsverlof heeft de werknemer het recht terug te keren in zijn oude functie of, indien dat niet mogelijk is, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie die in overeenstemming is met zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, aldus punt 5 van de clausule
  6. Krachtens punt 6 van die clausule blijven de op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof. Na afloop van het ouderschapsverlof zijn deze rechten, met inbegrip van de uit de wetgeving, collectieve overeenkomsten of nationale gebruiken voortvloeiende veranderingen, van toepassing. Uit de samenlezing van de voornoemde bepalingen volgt onder meer dat op de Lid-staten de verplichting rust te waarborgen dat werknemers die gebruik maken van het recht op ouderschapsverlof, geen rechten verliezen bij een beëindiging van de arbeidsovereen-komst tijdens het ouderschapsverlof. 1.1.2.
  7. Het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan is, zoals blijkt uit de aanhef ervan gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 november 1997 (blz. 29930), de omzetting, in het Belgisch recht, van de Richtlijn 96/34 (de publicatie vermeldt per vergissing als nummer en datum van de Richtlijn 96/64 van 29 april 1997). Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 heeft de werknemer onder bepaalde voorwaarden en volgens bepaalde modaliteiten het recht, om voor zijn kind te zorgen, hetzij gedurende een periode van drie maanden de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te schorsen zoals bedoeld bij artikel 100 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, hieronder afgekort als Herstelwet, hetzij gedurende een periode van zes maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een halftijdse vermindering zoals bedoeld in artikel 102 van de voornoemde wet, hetzij gedurende een periode van vijftien maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een vermindering met één vijfde zoals bedoeld in artikel 102 van de voornoemde wet. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 bepaalt dat het recht op ouderschapsverlof dat op basis van dat besluit (wordt genomen) wordt uitgeoefend in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 64 van 29 april 1997, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot instelling van een recht op ouderschapsverlof. Artikel 7, §2, van die collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt dat de werkgever en de werknemer kunnen overeenkomen dat het recht op ouderschapsverlof wordt uitgeoefend in gedeelten of met een vermindering van arbeidsprestaties. Bestaat het ouderschapsverlof in de vorm van een deeltijdse voortzetting van de arbeidsprestaties in de vorm van een vermindering van arbeidsprestaties, dan is, op grond van artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, artikel 102 van de Herstelwet van toepassing. Artikel 102 van de Herstelwet bepaalt in zijn §1 dat een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet, ofwel een beroep doet op de bepalingen van artikel 102bis, die betrekking hebben op het recht op een vermindering van arbeidsprestaties voor de palliatieve verzorging van een persoon. Artikel 103 van de Herstelwet bepaalt dat de termijn van de opzegging ter kennis gebracht van de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 heeft verminderd, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, wordt berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Met de duur van die opzeggingstermijn moet ook worden rekening gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereen-komstenwet. Artikel 39, §1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, bepaalt dat wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Krachtens het tweede lid van diezelfde wettelijke bepaling, behelst die opzeggingsvergoeding niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst. Uit het geheel van die wettelijke bepalingen volgt dat een werknemer die tewerkgesteld is onder een stelsel van verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aanspraak kan maken op een opzegtermijn waarvan de duur wordt berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Voor het vaststellen van het bedrag van de vergoeding bepaald in artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet is daarentegen niet voorzien in een afwijking, zodat die opzeggingsvergoeding ten gunste van een werknemer tewerkgesteld onder het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever in beginsel dient berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het lopend loon, de voordelen verworven krachtens de overeenkomst en de opzeggingstermijn waarvan sprake in de voornoemde bepaling zijn echter uiteraard het loon, de voordelen en de opzeggingstermijn waarop de werknemer recht heeft op grond van de arbeidsovereenkomst die wordt beëindigd zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn. Als die arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de beëindiging zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn is geschorst, moeten dus de elementen die, krachtens de wet, voor de berekening van de vergoeding in aanmerking moeten worden genomen, worden beoordeeld op grond van de geschorste arbeidsovereenkomst die wordt beëindigd. Dat is het geval met de duur van de opzeggingstermijn, maar geldt ook voor het loon wanneer de bepalingen van de wetten en overeenkomsten, onder meer die van de collectieve arbeidsovereenkomsten het mogelijk maken het bedrag ervan, of althans het minimumbedrag, dat op grond van de geschorste arbeidsovereenkomst verschuldigd is, op het moment van het ontslag met zekerheid vast te stellen. 1.1.2.
  8. De hierboven onder 1.1.2.1 vermelde bepalingen van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 en van de Herstelwet maken niet duidelijk of de arbeidsovereenkomst van een werknemer die gebruik maakt van het recht op ouderschapsverlof door zijn arbeidsprestaties deeltijds voort te zetten in de vorm van een vermindering als bedoeld in artikel 102 van de Herstelwet, tijdens de periode van ouderschapsverlof geschorst is of niet. Als de artikelen 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, 102 van de Herstelwet en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet samen gelezen zo worden uitgelegd dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer die gebruik maakt van het recht dat het koninklijk besluit hem toekent om zijn arbeidsprestaties deeltijds voort te zetten in de vorm van een vermindering van zijn arbeidsprestaties om voor zijn kind te zorgen, tijdens die periode van vermindering niet wordt geschorst, kan die werknemer in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in die periode, maar aanspraak maken op een vergoeding die dient te worden berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Als daarentegen de artikelen 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, 102 van de Herstelwet en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet samen gelezen zo worden uitgelegd dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer die gebruik maakt van het recht dat het koninklijk besluit hem toekent om zijn arbeidsprestaties deeltijds voort te zetten in de vorm van een vermindering van zijn arbeidsprestaties om voor zijn kind te zorgen, tijdens die periode van vermindering wordt geschorst, kan die werknemer in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in die periode, aanspraak maken op een vergoeding die dient te worden berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer op grond van de geschorste arbeidsovereenkomst recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Alleen in de tweede interpretatie is het gebruik van het recht op ouderschapsverlof ten volle gewaarborgd in de zin (van) het doel en van de punten 1, 4 en 5 van clausule 2 van de voornoemde raamovereenkomst en blijven de op de datum van de ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof in de zin van punt 6 van die clausule. In de eerste interpretatie verliest de werknemer die ouderschapsverlof neemt als deeltijdverlof, met name door zijn arbeidsprestaties deeltijds voort te zetten in de vorm van een vermindering daarvan, in de periode van ouderschapsverlof het recht op een opzeggingsvergoeding berekend met inachtneming van het loon waarop hij recht heeft tot het ogenblik waarop het ouderschapsverlof ingaat. 1.1.
  9. Krachtens artikel 249, derde lid, van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende en bij de Belgische wet van 2 december 1957 goedgekeurde verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, hieronder afgekort als E.G.-Verdrag, waarin de voorrang van het gemeenschapsrecht op het intern recht is vastgelegd, is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-staat waarvoor zij bestemd is, zij het dat aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen. De uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de Lid-staten van de Europese Unie om het met de richtlijn beoogde resultaat te bereiken, alsook hun verplichting om, krachtens artikel 10 van het E.G.-Verdrag, alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit dat Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, gelden voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de Lid-staten en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties. De nationale rechter dient dus bij de toepassing van het nationale recht dat recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde lid, van het E.G.-Verdrag te voldoen. De rechter die het nationale recht uitlegt zonder op de toepasselijke richtlijn acht te slaan, miskent de uit het E.G.-Verdrag voortvloeiende verplichtingen en verantwoordt zijn beslissingen niet naar recht. 1.1.
  10. Het arbeidshof stelt vast dat: - niet ter betwisting staat dat de eiseres in dienst is getreden van de verweerster met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als voltijds bediende; - aan de eiseres deeltijds ouderschapsverlof werd verleend vanaf 18 november 2002 tot 17 mei 2003; - de eiseres sedert 18 november 2002 haar prestaties met de helft heeft verminderd en dit in het kader van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof, dat verwijst naar de reglementering inzake de loopbaanonderbreking, met name de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985; - aan de arbeidsovereenkomst op 8 mei 2003 een onmiddellijke einde werd gemaakt door de verweerster met betaling van een opzeggingsvergoeding becijferd op het loon dat de eiseres op dat ogenblik verdiende in het kader van haar halftijdse tewerkstelling. Het arbeidshof overweegt dat: - de eerste rechters terecht verwezen naar de bepalingen van artikel 103 van de voornoemde Herstelwet, volgens welke de termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 heeft verminderd, ingeval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zal worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd; - met de duur van die opzeggingstermijn eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomsten-wet; - de bijzondere regeling derhalve beperkt blijft tot de vaststelling van de duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn en daarbij aansluitend, de duur van de opzeggingstermijn die de basis vormt voor de becijfering van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding; - de eerste rechters terecht beslisten dat dit artikel (bedoeld wordt: artikel 103 van de voornoemde Herstelwet) geen bepalingen bevat die de omvang en de samenstelling van het basisjaarloon regelen voor de vaststelling van het bedrag van de corresponderende opzeggingsvergoeding, zodat voor dit aspect toepassing moet worden gemaakt van het "gemene" arbeidsovereenkomstenrecht, met name artikel 39 van de Arbeidsovereen-komstenwet; - voor het bepalen van de omvang van de verschuldigde opzeggingsvergoeding derhalve moet rekening worden gehouden met het lopend loon waarop de eiseres op het tijdstip van het ontslag gerechtigd was; - de omstandigheid dat de eiseres haar arbeidsprestaties slechts voor een bepaalde tijd met de helft verminderde, niet van aard is afbreuk te doen aan bovenstaande overwegingen en besluitvorming. Het arbeidshof overweegt voorts: - dat de eiseres op het ogenblik van het ontslag met de verweerster verbonden was door een arbeidsovereenkomst op grond waarvan zij op dat ogenblik slechts aanspraak kon maken op de betaling van een loon in verhouding tot de verminderde prestaties; - door de overeenkomst van ouderschapsverlof van 18 mei 2002 de oorspronkelijk tussen partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden, met name de arbeidsduur en het daarmee overeenstemmende loon, gewijzigd werden voor de duur van de loopbaanonderbreking. Met die overwegingen, inzonderheid de laatstgenoemde, beslist het arbeidshof impliciet dat de arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid die tussen partijen bestond, niet werd geschorst in de periode waarin de eiseres ouderschapsverlof nam, met name van 18 november 2002 tot 17 mei 2003, minstens onderzoekt het arbeidshof niet of de arbeidsovereenkomst in de periode was geschorst. En in ieder geval beslist het arbeidshof zonder ermee rekening te houden dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens het ouderschapsverlof dat de eiseres nam door deeltijdse voortzetting van haar arbeidsprestaties in de vorm van een vermindering daarvan, de eiseres het recht ontneemt op het ongewijzigd behoud van de op datum van ingang van het ouderschapsverlof door haar verworven rechten of rechten in wording tot het einde van het ouderschapsverlof. Het arbeidshof geeft aldus aan de hierboven genoemde bepalingen van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, de Herstelwet en de Arbeidsovereenkomstenwet waarvan het toepassing maakt, een uitlegging zonder acht te slaan op de Richtlijn nr. 96/34/EG, in het bijzonder clausule 2, punt 6, van de in de bijlage van die richtlijn opgenomen overeenkomst. Door het nationaal recht uit te leggen zonder acht te slaan op de voornoemde richtlijn, miskent het arbeidshof de uit het E.G.-Verdrag voortvloeiende verplichtingen en verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht. Conclusie
  11. Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eerste rechters terecht een aanvullende opzeggingsvergoeding hebben becijferd op basis van het effectief deeltijds loon waarop de eiseres recht had op het ogenblik van het ontslag en verklaart het hoger beroep van de eiseres op die grond niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet).
  12. In ondergeschikte orde, voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat de clausule 2, punten 1, 3.a, 4, 5 en 6 van de op 14 december 1995 door de algemene branche-overkoepelende organisaties UNICE, CEEP en EEV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, opgenomen in de bijlage van de Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof en de artikelen 1, 2, inzonderheid 2.1, en 3 van die richtlijn een uitlegging behoeven om uitspraak te kunnen doen over het door de eiseres aangevoerde middel, verzoekt de eiseres het Hof de hieronder geformuleerde vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Krachtens artikel 234 van het E.G.-Verdrag is het Hof van Justitie bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van dat Verdrag en over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap. Clausule 4, punt 6, van de voornoemde raamovereenkomst bevestigt de bevoegdheid van het Hof van Justitie. In de mate dat het Hof van oordeel zou zijn dat de de raamovereenkomst en de richtlijn niet moeten worden geïnterpreteerd zoals de eiseres in het onderdeel aanvoert, vraagt de eiseres het Hof van Cassatie aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag te stellen: Moeten de bepalingen van de clausule 2 van de op 14 december 1995 door de algemene branche-overkoepelende organisaties UNICE, CEEP en EEV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, opgenomen in de bijlage van de Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, en meer bepaald de punten 4, 5 en 6 daarvan, die ingevolge de artikelen 1, 2 en 3 van die richtlijn de Lid-staten verbinden wat het te bereiken resultaat betreft, zo worden geïnterpreteerd dat zij zich verzetten tegen een nationale regelgeving van een Lid-staat krachtens welke de vergoeding ten gunste van een werknemer tewerkgesteld onder het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever dient berekend met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als de vermindering van arbeidsprestaties een vorm is van ouderschapsverlof als deeltijdverlof of ouderschapsverlof in gedeelten in de zin van punt 3.a van clausule 1 van de raamovereenkomst? 1.
  13. Tweede onderdeel 1.2.
  14. Artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, bepaalt dat wanneer een overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzegtermijn, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Krachtens het tweede lid van diezelfde wettelijke bepaling behelst die opzeggings-vergoeding niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst. 1.2.
  15. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 heeft de werknemer, om voor zijn kind te zorgen, onder bepaalde voorwaarden en volgens bepaalde modaliteiten het recht om gedurende een periode van zes maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een halftijdse vermindering zoals bedoeld in artikel 102 van de Herstelwet. Krachtens artikel 102, §1, eerste lid, van de Herstelwet wordt een uitkering toegekend aan de werknemer die met de werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestatie te verminderen met een breukdeel van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet. De werknemer die de in artikel 102 van de Herstelwet bepaalde mogelijkheden om zijn arbeidsprestaties te verminderen heeft uitgeput, heeft krachtens artikel 107bis, §1, van de Herstelwet het recht om, aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties, over te gaan naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst die voorziet in hetzelfde arbeidsregime als op de werknemer toepasselijk was tijdens de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties met toepassing van artikel
  16. Daaruit volgt dat de werknemer aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties het recht heeft de arbeidsovereenkomst opnieuw uit te voeren met de arbeidsprestaties van vóór de vermindering. Overeenkomstig artikel 101, eerste lid, van de Herstelwet, mag de werkgever, wanneer de arbeidsprestaties werden verminderd met toepassing van voormeld artikel 102, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet of om een voldoende reden. Artikel 103 van dezelfde wet bepaalt dat de termijn van de opzegging ter kennis gebracht van de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig voormeld artikel 102 heeft verminderd, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zal berekend worden alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Die wetsbepaling bepaalt tevens dat met de duur van deze opzeggingstermijnen eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Uit het geheel van die wettelijke bepalingen volgt dat een werknemer die tewerkgesteld is onder een stelsel van verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aanspraak kan maken op een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Het lopend loon, de voordelen verworven krachtens de overeenkomst en de opzeggingstermijn waarvan sprake in de voornoemde bepaling zijn uiteraard het loon, de voordelen en de opzeggingstermijn waarop de werknemer recht heeft op grond van de arbeidsovereenkomst die wordt beëindigd zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn. Als die arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de beëindiging zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn is geschorst, moeten dus de elementen die, krachtens de wet, voor de berekening van de vergoeding in aanmerking moeten worden genomen, worden beoordeeld op grond van de geschorste arbeidsovereenkomst die wordt beëindigd. Dat is het geval met de duur van de opzeggingstermijn, maar geldt ook voor het loon wanneer de bepalingen van de wetten en overeenkomsten, onder meer die van de collectieve arbeidsovereenkomsten het mogelijk maken het bedrag ervan, of althans het minimumbedrag, dat op grond van de geschorste arbeidsovereenkomst verschuldigd is, op het moment van het ontslag met zekerheid vast te stellen. Uit de samenlezing van de artikelen 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, 101, 102, 103 en 107bis, §1, van de Herstelwet en meer bepaald uit het feit dat de werknemer na afloop van de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties het recht heeft de arbeidsovereenkomst opnieuw uit te voeren met de arbeidsprestaties van vóór de vermindering, volgt dat de arbeidsovereenkomst gedurende de vermindering van de arbeidsprestaties wordt geschorst. De opzeggingsvergoeding die aan de werknemer verschuldigd is ingeval van beëindiging zonder dringende reden en zonder inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn in de periode van vermindering van arbeidsprestaties, moet dus worden berekend op het loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst waarop de werknemer recht heeft op grond van de geschorste arbeidsovereenkomst, dit is het loon en de voordelen waarop hij aanspraak zou hebben kunnen maken zonder de vermindering van de arbeidsprestaties. 1.2.
  17. Het arbeidshof stelt vast dat: - niet ter betwisting staat dat de eiseres in dienst is getreden van de verweerster met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als voltijds bediende; - aan de eiseres deeltijds ouderschapsverlof werd verleend vanaf 18 november 2002 tot 17 mei 2003; - de eiseres sedert 18 november 2002 haar prestaties met de helft heeft verminderd en dit in het kader van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof, dat verwijst naar de reglementering inzake de loopbaanonderbreking, met name de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985; - aan de arbeidsovereenkomst op 8 mei 2003 een onmiddellijke einde werd gemaakt door de verweerster met betaling van een opzeggingsvergoeding becijferd op het loon dat de eiseres op dat ogenblik verdiende in het kader van haar halftijdse tewerkstelling. Het arbeidshof overweegt dat: - de eerste rechters terecht verwezen naar de bepalingen van artikel 103 van de voornoemde Herstelwet, volgens welke de termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 en 102bis heeft verminderd, ingeval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zal worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd; - met de duur van die opzeggingstermijn eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomsten-wet; - de bijzondere regeling derhalve beperkt blijft tot de vaststelling van de duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn en daarbij aansluitend, de duur van de opzeggingstermijn die de basis vormt voor de becijfering van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding; - de eerste rechters terecht beslisten dat dit artikel (bedoeld wordt: artikel 103 van de voornoemde Herstelwet) geen bepalingen bevat die de omvang en de samenstelling van het basisjaarloon regelen voor de vaststelling van het bedrag van de corresponderende opzeggingsvergoeding, zodat voor dit aspect toepassing moet worden gemaakt van het "gemene" arbeidsovereenkomstenrecht, met name artikel 39 van de Arbeidsovereen-komstenwet; - voor het bepalen van de omvang van de verschuldigde opzeggingsvergoeding derhalve moet rekening worden gehouden met het lopend loon waarop de eiseres op het tijdstip van het ontslag gerechtigd was; - de omstandigheid dat de eiseres haar arbeidsprestaties slechts voor een bepaalde tijd met de helft verminderde, niet van aard is afbreuk te doen aan bovenstaande overwegingen en besluitvorming. Het arbeidshof overweegt voorts: - dat de eiseres op het ogenblik van het ontslag met de verweerster verbonden was door een arbeidsovereenkomst op grond waarvan zij op dat ogenblik slechts aanspraak kon maken op de betaling van een loon in verhouding tot de verminderde prestaties; - door de overeenkomst van ouderschapsverlof van 18 mei 2002 de oorspronkelijk tussen partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden, met name de arbeidsduur en het daarmee overeenstemmende loon, gewijzigd werden voor de duur van de loopbaanonderbreking. Aangezien de eiseres volgens de vaststellingen van het arbeidshof met de verweerster was verbonden door een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, haar arbeidsprestaties verminderde met toepassing van artikel 102 van de Herstelwet en door de verweerster werd ontslagen in de periode van vermindering, moet de opzeggingsvergoeding waarop de eiseres als gevolg van die beëindiging recht heeft, worden bepaald met inachtneming van het loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst waarop zij, op het ogenblik van het ontslag, aanspraak kon maken op grond van haar geschorste arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De beslissing van het arbeidshof dat de opzeggingsvergoeding terecht werd berekend op basis van het loon op de betaling waarvan de eiseres op het ogenblik van haar ontslag aanspraak kon maken in verhouding tot haar verminderde arbeidsprestaties, is dan ook niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet en 101, 102, 103 en 107bis, §1, van de Herstelwet). 1.2.
  18. Indien, anders dan hierboven wordt aangevoerd, wordt aangenomen dat als gevolg van het feit dat voor het vaststellen van het bedrag van de vergoeding bepaald in artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet niet is voorzien in een afwijking, die vergoeding ten gunste van een werknemer tewerkgesteld onder het stelsel van verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever dient berekend te worden met inachtneming van het loon waarop die werknemer op grond van de verminderde arbeidsprestaties effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, wordt de groep van werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen en tijdens die vermindering van arbeidsprestaties zonder inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn en zonder dringende reden worden ontslagen, ongunstiger behandeld dan de werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen en tijdens die vermindering van arbeidsprestaties met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn worden ontslagen, zonder dat de verschillende wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor dat verschil in behandeling een redelijk motief vormt en zonder dat daarvoor een ander redelijk motief bestaat. Artikel 26, §1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat het Arbitragehof, bij wege van arrest, uitspraak doet over prejudiciële vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van onder meer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De eiseres vraagt het Hof dan ook de hieronder geformuleerde vraag te stellen aan het Arbitragehof en de uitspraak aan te houden tot dat hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over die vraag. Conclusie
  19. Het arbeidshof beslist niet wettig dat voor de berekening van de opzeggingsvergoeding van de eiseres rekening moet worden gehouden met het loon waarop zij gerechtigd was op het ogenblik van haar ontslag. Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiseres op dit punt dan ook niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet, 2, in de versie die in deze zaak van toepassing is, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, en 101, 102, 103 en 107bis, §1, van de Herstelwet).
  20. Voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat uit de artikelen 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet en 101, 102, 103 en 107bis, §1, van de Herstelwet volgt dat de opzeggingsvergoeding van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd en die wordt ontslagen zonder inachtneming van een voldoende opzeggingstermijn moet berekend worden aan de hand van het loon dat die werknemer op het ogenblik van zijn ontslag effectief verdiend voor de verminderde prestaties, verzoekt de eiseres het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt de gezamenlijke toepassing van de artikelen 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet en 103 van de Herstelwet de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, indien zij zo geïnterpreteerd worden dat krachtens die bepalingen een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd en tijdens die vermindering ontslagen wordt met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn (en dus zonder dringende reden), recht heeft op een opzeggingstermijn die wordt berekend alsof hij zijn arbeidsprestaties niet heeft verminderd (en tijdens die opzeggingstermijn loon ontvangt voor zijn arbeidsprestaties en de in artikel 102 van de Herstelwet bedoelde onderbrekingsuitkering voor de overeengekomen periode van vermindering), terwijl diezelfde werknemer die op hetzelfde tijdstip wordt ontslagen zonder inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn (en zonder dringende reden) enkel recht heeft op een opzeggingsvergoeding die weliswaar wordt berekend met inachtneming van een opzeggingstermijn die wordt berekend alsof hij zijn arbeidsprestaties niet had verminderd, maar op basis van het loon waarop hij effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dus op basis van het loon waarop die werknemer recht heeft ingevolge zijn verminderde arbeidsprestaties?"
  21. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 101, 102, §1, en 107bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de eiseres tot het verkrijgen van een forfaitaire ontslagbeschermingsvergoeding, het incidenteel beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 22 november 2004 in zoverre het die vordering van de eiseres gegrond verklaarde en de verweerster veroordeelde tot betaling van 6.886,62 euro en tot de kosten van de procedure. Opnieuw recht sprekend, verklaart het arbeidshof de vordering van de eiseres tot het verkrijgen van een forfaitaire ontslagbeschermingsvergoeding ongegrond. Het arbeidshof beslist dat op grond van de volgende motieven: "
  22. Geen beschermingsvergoeding ouderschapsverlof Overeenkomstig het bepaalde in artikel 101 Herstelwet mag de werkgever geen handeling stelen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft geschorst of verminderd met toepassing van de artikelen 100, eerste lid, 100 bis, 102, §1 of 102 bis, behalve om een dringende reden of om een voldoende reden. Daarbij geldt als voldoende reden een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de bedoelde schorsing of vermindering. Miskenning van dit ontslagverbod wordt gesanctioneerd door de verplichting tot betaling van een forfaitaire vergoeding gelijk aan het loon van 6 maanden. De redenen die aan de grondslag liggen van het ontslag moeten door de werkgever worden bewezen. Dit bewijs kan geleverd worden door alle middelen van recht. De werkgever moet aantonen dat hij de werknemer niet heeft ontslagen om een reden die verband houdt met de vermindering van de arbeidsprestaties, wat uiteraard slechts mogelijk is indien het bestaan van een andere reden wordt aangetoond. Als voldoende reden kan gelden elke reden die niets te maken heeft met de situatie die tot bescherming leidt. Dit kunnen redenen van economische of technische aard zijn of kunnen betrekking hebben op de persoon van de werknemer. In casu voert (de verweerster) aan dat (de eiseres) werd ontslagen omwille van het feit dat (de verweerster) getroffen is door een ernstige economische crisis in de grafische sector, waardoor zij genoodzaakt was haar personeelsbestand drastisch te verminderen. Omdat er te weinig werk was voor een voltijdse tewerkstelling en (de eiseres) niet vrijwillig wilde instemmen met een overschakeling naar een deeltijdse betrekking, diende (de verweerster) de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het (arbeidshof) stelt vast dat uit de door (de verweerster) voorgebrachte jaarrekeningen, die werden goedgekeurd door de commissarissen - revisor van de vennootschap, blijkt dat in de periode van maart 2003 tot maart 2004 een belangrijke vermindering van bedrijfsopbrengsten en bedrijfswinsten werden genoteerd waarbij de omzet van (de verweerster) aanzienlijk was gedaald tegenover het jaar
  23. Hieruit kan afgeleid worden dat (de verweerster) wel degelijk in ernstige economische moeilijkheden was. De door (de eiseres) gegeven opsomming van cijfermateriaal met betrekking tot een aantal rubrieken van deze jaarrekeningen, doet evident geen afbreuk aan de vaststelling dat de omzet van (de verweerster) op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van (de eiseres) een significante daling kende, daling die zich ook heeft verder gezet in
  24. Ook uit de jaarlijkse informatie ten behoeve van de ondernemingsraad, die eveneens aan de controle van de commissarissen-revisor wordt onderworpen conform de wettelijke bepalingen ter zake, blijkt duidelijk en ondubbelzinnig dat het ‘aantal verzonden boeken' een sterke neerwaartse daling onderging en bijgevolg overeenstemt met de door (de verweerster) in de jaarrekeningen weergegeven evolutie van bedrijfsopbrengsten en bedrijfswinsten, wat evident een weerslag had op tewerkstelling in de afdeling verzending waarin (de eiseres) werkzaam was. Dat er zich ook een effectief dalende tewerkstelling manifesteerde over de jaren 2003 en 2004 binnen de onderneming wordt door (de verweerster) aangetoond aan de hand van de jaarrekeningen (sociale balans) die een daling met 63,5 voltijdse equivalenten weergeven. Anders dan (de eiseres) doet uitschijnen, blijkt ook uit de vergelijking van stuk 4 (evolutie personeelsbestand weergegeven in ‘koppen'; waarbij ook een deeltijdse werknemer als eenheid wordt meegerekend) en stuk 8 (evolutie personeelsbestand in ‘voltijdse equivalenten', waarbij een halftijdse werknemer als 0,5 wordt geteld) dat (de verweerster) met een drastische vermindering van het totale personeelsbestand werd geconfronteerd. Dat er een belangrijke crisis in de grafische sector heerste kan bovendien worden afgeleid uit de aanvraag van (de verweerster) van 4 april 2003 tot het bekomen van de vrijstelling van de verplichting tot het aanwerven van startbaners, ingediend voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van (de eiseres); vrijstelling die (de verweerster) ook effectief bekomen heeft voor de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 juni
  25. Als motivering voor de aanvraag tot vrijstelling wordt bovendien uitdrukkelijk de internationale crisis in de grafische sector, met als gevolg een noodzakelijke daling van het personeelsbestand vermeld. Met betrekking tot deze aanvraag werd ook nog een verklaring van de ondernemings-raad, ondertekend door zowel de werkgevers als de werknemersvertegenwoordigers, gevoegd waarin sprake is van ‘de quasi zekerheid dat de economische crisis in de grafische sector op wereldvlak, versterkt door het negatieve economische klimaat, zeker de volgende maanden niet zal opgelost zijn'. Dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van (de eiseres) was ingegeven door het feit dat zij in loopbaanonderbreking was, wordt afdoende weerlegd door (de verweerster). Overigens dient er in deze op gewezen te worden dat (de eiseres) vanaf 18 november 1996 tot aan de datum van het ontslag op 8 mei 2003 gedurende meer dan 6 jaar en een half zonder enig probleem heeft genoten van diverse vormen van (deeltijdse) loopbaanonderbreking, wat er op wijst dat zij in die periode alleszins niet werd geviseerd omwille van haar deeltijdse loopbaanonderbreking. Ook het onmiddellijk ontslag is naar het oordeel van (het arbeidshof) gegeven om redenen die vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties ingevolge de loopbaanonderbreking van (de eiseres). Het is immers duidelijk aangetoond dat (de verweerster) in ernstige moeilijkheden was gekomen ingevolge in de grafische sector heersende economische crisis, wat zich uitte in een dalende verkoop, een dalende productie, een dalende omzet en uiteindelijk ook in een dalende tewerkstelling. Dat de keuze op (de eiseres) is gevallen is te verklaren door het feit dat zij na het einde van het ouderschapsverlof opnieuw voltijds diende tewerkgesteld te worden, gelet op de volledige uitputting van haar rechten op loopbaanonderbreking - wat als zodanig niet wordt tegengesproken door (de eiseres) -, en een voltijdse tewerkstelling omwille van de ernstige economische crisis bij (de verweerster) en het daaruit voortvloeiende gebrek aan werk onmogelijk was. Besluitend aanvaardt (het arbeidshof) dat (de verweerster) op afdoende wijze aantoont dat het ontslag van (de eiseres) werd gegeven om een reden die vreemd is aan de vermindering van haar arbeidsprestaties ingevolge de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof. Uit het voorgaande is (het arbeidshof) van oordeel niet te moeten ingaan op het door (de verweerster) in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod. Het incidenteel beroep van (de verweerster) is wat betreft dit onderdeel gegrond, zodat (de eiseres) geen aanspraak kan maken op de door haar gevorderde bijzondere beschermingsvergoeding. De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk". Grieven 2.
  26. Luidens artikel 101, eerste lid, van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, hieronder afgekort als Herstelwet, mag de werkgever, wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst met toepassing van de artikelen 100, eerste lid, en 100bis of wanneer de arbeidsprestaties worden verminderd met toepassing van artikel 102, §1, en 102bis, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereen-komsten, of om een voldoende reden. Krachtens artikel 101, derde lid, van de Herstelwet geldt als voldoende reden een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de in de artikelen 100 en 100bis bedoelde schorsing of de in de artikelen 102 en 102bis bedoelde vermindering. Het ontslagverbod gaat op grond van het tweede lid van artikel 101 van de Herstelwet in de dag van het akkoord of de dag van de aanvraag in geval van toepassing van de artikelen 100bis en 105, §1, evenals in alle gevallen waarbij de werknemer een recht op loopbaanonderbreking kan inroepen, en eindigt volgens het vijfde lid van hetzelfde artikel drie maanden na het einde van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties. De werkgever die, ondanks de bepalingen van het eerste lid, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende reden of een voldoende reden, is op grond van artikel 101, zesde lid, van de Herstelwet gehouden om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer moeten worden betaald. De werknemer die de in artikel 102 van de Herstelwet bepaalde mogelijkheden om zijn arbeidsprestaties te verminderen heeft uitgeput, heeft krachtens artikel 107bis, §1, van de Herstelwet het recht om, aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties, over te gaan naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst die voorziet in hetzelfde arbeidsregime als op de werknemer toepasselijk was tijdens de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties met toepassing van artikel
  27. Daaruit volgt dat de werknemer aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties het recht heeft de arbeidsovereenkomst opnieuw uit te voeren met de arbeidsprestaties van vóór de vermindering. 2.
  28. Het arbeidshof stelt vast dat: - niet ter betwisting staat dat de eiseres in dienst is getreden van de verweerster met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als voltijds bediende; - aan de eiseres deeltijds ouderschapsverlof werd verleend vanaf 18 november 2002 tot 17 mei 2003; - de eiseres sedert 18 november 2002 haar prestaties met de helft heeft verminderd en dit in het kader van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof, dat verwijst naar de reglementering inzake de loopbaanonderbreking, met name de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari
  29. Het arbeidshof stelt voorts vast dat de verweerster de arbeidsovereenkomst met de eiseres beëindigde met een brief van 8 mei 2003 en overging tot betaling van een opzeggingsvergoeding. Uit de vaststellingen van het arbeidshof blijkt dus dat de eiseres werd ontslagen in de periode waarin zij met toepassing van artikel 102, §1, van de Herstelwet haar (voltijdse) arbeidsprestaties met de helft had verminderd wegens ouderschapsverlof, en dus in een periode waarin zij krachtens artikel 101 van de Herstelwet beschermd was tegen iedere handeling van de werkgever die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden of om een voldoende reden. 2.
  30. Het arbeidshof overweegt dat de verweerster aantoont dat zij, op het ogenblik dat zij tot ontslag van de eiseres overging, in ernstige financiële economische moeilijkheden verkeerde. Daarbij stelt het arbeidshof vast dat: - de omzet van de verweerster een significante daling kende, - het "aantal verzonden boeken" een sterke neerwaartse daling onderging en dus overeenstemt met de door de verweerster in haar jaarrekeningen weergegeven evolutie van bedrijfsopbrengsten en bedrijfswinsten, wat evident een weerslag had op de tewerkstelling in de afdeling verzending waarin de eiseres werkzaam was, - zich effectief een dalende tewerkstelling manifesteerde over de jaren 2003 en 2004, - er een belangrijke crisis in de grafische sector heerste, wat ook kan worden afgeleid uit het feit dat de verweerster, vóór het ontslag van de eiseres, op die grond een aanvraag deed om vrijstelling te bekomen van de verplichting tot het aanwerven van startbaners en daarbij een verklaring van de ondernemingsraad voegde waarin sprake is van een quasi zekerheid dat de economische crisis in de grafische sector op wereldvlak, versterkt door het negatieve economische klimaat, zeker de volgende maanden nog niet zal opgelost zijn. Op grond van de voornoemde overwegingen en vaststellingen oordeelt het arbeidshof dat het feit dat de arbeidsovereenkomst van de eiseres zou zijn beëindigd omwille van het feit dat zij in loopbaanonderbreking was, afdoende wordt weerlegd door de verweerster. Ook de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de eiseres acht het arbeidshof ingegeven door de ernstige moeilijkheden waarin de verweerster zich bevond ingevolge de economische crisis in de grafische sector, wat zich uitte in een dalende verkoop, een dalende productie, een dalende omzet en een dalende tewerkstelling. Evenwel overweegt het arbeidshof verder in het arrest dat de omstandigheid dat de keuze op de eiseres is gevallen, te verklaren is door het feit dat zij na het einde van het (deeltijds) ouderschapsverlof opnieuw voltijds diende tewerkgesteld te worden, gelet op de volledige uitputting van haar rechten op loopbaanonderbreking, en een voltijdse tewerkstelling onmogelijk was omwille van de ernstige economische crisis bij de verweerster en het daaruit voortvloeiende gebrek aan werk. Aldus stelt het arbeidshof vast dat het ontslag van de eiseres, naast de economisch-financiële redenen, ook verband houdt met en derhalve niet vreemd is, minstens niet volledig vreemd is, aan de vermindering van haar arbeidsprestaties, maar verband houdt met het recht dat artikel 107bis van de Herstelwet aan de werknemer geeft om, aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties, het recht de arbeidsovereenkomst opnieuw uit te voeren met de arbeidsprestaties van vóór de vermindering. Aangezien het de verweerster op datum van het ontslag van de eiseres verboden was een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst met de eiseres om redenen die verband houden met de vermindering van haar arbeidsprestaties, oordeelt het arbeidshof niet wettig dat de eiseres geen aanspraak maakt op een forfaitaire ontslagvergoeding bedoeld in artikel 101, zesde lid, van de Herstelwet (schending van de artikelen 101, 102, §1, en 107bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen). Conclusie Het arbeidshof beslist niet wettig dat de verweerster op afdoende wijze aantoont dat het ontslag van de eiseres werd gegeven om redenen die vreemd zijn aan de vermindering van haar arbeidsprestaties ingevolge de uitoefening van haar recht op ouderschapsverlof en verklaart het incidenteel beroep van de verweerster dan ook niet wettig gegrond (schending van de artikelen 101 en 102, §1, van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid
  31. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het de artikelen 1 en 2, §1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van het recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan en de artikelen 1 en 2 van de bij koninklijk besluit van 29 oktober 1997 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van 29 april 1997, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot instelling van een recht op ouderschapsverlof, niet als geschonden aanwijst overeenkomstig artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek.
  32. Het verzoekschrift tot cassatie wijst artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 als geschonden aan. In zoverre mist de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel feitelijke grondslag.
  33. De als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen en verdrags-bepalingen kunnen volstaan om tot cassatie te leiden. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Middel Eerste onderdeel
  34. Krachtens de clausule 2.
  35. van de in bijlage bij de Richtlijn 96/34/EG van 3 juni 1996 opgenomen raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, dienen de Lid-Staten of de sociale partners de nodige maatregelen te nemen om de werknemers tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen. Clausule 2.5 van dezelfde raamovereenkomst, bepaalt dat de werknemer na het ouderschapsverlof het recht heeft terug te keren in zijn vroegere functie of, indien dat niet mogelijk is, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie. Krachtens clausule 2.6 van dezelfde raamovereenkomst, blijven de op datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof en zijn deze rechten na afloop van het ouderschapsverlof van toepassing. Overeenkomstig clausule 2.7 van dezelfde raamovereenkomst, stellen de Lid-staten of de sociale partners de regeling vast die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding van toepassing is.
  36. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de in bijlage bij de Richtlijn 96/34/EG opgenomen raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof wil waarborgen dat de werknemer niet zou worden ontslagen om reden van het ouderschapsverlof en dat hij tijdens het ouderschapsverlof zijn vroegere rechten behoudt.
  37. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, heeft de werknemer om voor zijn kind te zorgen het recht om hetzij gedurende een periode van drie maanden de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te schorsen zoals bedoeld bij artikel 100 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, hetzij, wanneer hij voltijds is tewerkgesteld, zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten gedurende een periode van zes maanden in de vorm van een halftijdse vermindering zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde Herstelwet, ofwel gedurende een periode van vijftien maanden in de vorm van een vermindering met één vijfde.
  38. Wanneer de werknemer gebruik maakt van zijn recht om de arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties om voor zijn kind te zorgen, is de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de periode van vermindering niet volledig geschorst en heeft de werknemer recht op een overeenkomstig loon van zijn werkgever.
  39. Artikel 39, §1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, bepaalt dat wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Krachtens het tweede lid van diezelfde bepaling, behelst die opzeggingsvergoeding niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.
  40. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 102, §1, eerste lid, van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, wordt een uitkering toegekend aan de werknemer die met de werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met een breukdeel van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet. Overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 101, eerste lid, van dezelfde wet, mag de werkgever, wanneer de arbeidsprestaties werden verminderd met toepassing van voormeld artikel 102, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet of om een voldoende reden. Artikel 103 van dezelfde wet bepaalt dat de termijn van de opzegging ter kennis gebracht van de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig voormeld artikel 102 heeft verminderd, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zal berekend worden alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Die wetsbepaling bepaalt tevens dat met de duur van deze opzeggingstermijnen eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
  41. Uit het geheel van die wettelijke bepalingen volgt dat een werknemer die tewerkgesteld is onder een stelsel van verminderde arbeidsprestaties, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aanspraak kan maken op een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Voor het vaststellen van het bedrag van de vergoeding bepaald in artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, is daarentegen geen afwijking bepaald, zodat die opzeggingsvergoeding ten gunste van een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever zou dienen berekend te worden met inachtneming van het loon waarop die werknemer effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
  42. Het onderdeel gaat ervan uit dat de hierboven genoemde bepalingen van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, de Herstelwet van 22 januari 1985 en de Arbeidsovereenkomstenwet, in het licht van de bewoordingen of het doel van de Richtlijn 96/34/EG, in het bijzonder de in de bijlage van die richtlijn opgenomen raamovereenkomst, aldus moeten worden uitgelegd dat de werknemer die ouderschapsverlof neemt in de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties, bij eenzijdige beëindiging door de werkgever tijdens die periode van ouderschapsverlof, recht heeft op een opzeggingsvergoeding berekend op basis van het loon waarop hij recht had voor voltijdse prestaties.
  43. Het middel werpt aldus een vraag op over de uitlegging van de clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7 van de hierna genoemde raamovereenkomst, die ingevolge de artikelen 1, 2 en 3 van de hierna genoemde richtlijn de Lid-Staten verbinden wat het te bereiken resultaat betreft. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is ingevolge artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen alleen bevoegd om daarover bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen. Dictum Het Hof, Houdt iedere verdere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de onderstaande vraag: "Moeten de bepalingen van de clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7, van de op 14 december 1995 door de algemene branche-overkoepelende organisaties UNICE, CEEP en EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, opgenomen in de bijlage van de Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, aldus worden uitgelegd dat in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, de aan de werknemer verschuldigde opzeggingsvergoeding dient te worden bepaald op grond van het basisloon berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd als vorm van ouderschapsverlof in de zin van punt 3.a van clausule 1 van de raamovereenkomst?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 25 februari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080225.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100215.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061211.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.