id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.2 Rolnummer: P.07.1552.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-17 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-07-03 14:21 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Voor de strafbare instandhouding vereist art. 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 uitsluitend dat op het ogenblik van de instandhouding, de wederrechtelijke werken gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied; deze strafbepaling ontneemt aan het vóór of na de wetswijziging van 4 juni 2003 voortdurend gepleegde misdrijf van instandhouding, niet zijn strafbaar karakter, zolang deze instandhouding betrekking heeft op goederen gelegen in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.
(1)Zie: Cass., 13 dec. 2005, AR P.05.0693.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.8, A.C., 2005, nr. 666, en Cass., 13 dec. 2005, AR P.05.0891.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.9, nr. 667, telkens met concl. van procureur-generaal De Swaef. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: Misdrijven - Strafbare instandhouding - Artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 - Draagwijdte - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 146 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: Bouwen zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning - Strafbare instandhouding - Artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 - Draagwijdte - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 146, derde lid Tekst van de beslissing Nr. P.07.1552.N I PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser. II GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN WEST-VLAANDEREN, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9, eiser tot herstel, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, beide cassatieberoepen tegen M R H, beklaagde, verweerster, met als raadslieden mr. Bert Roelandts en mr. Hans Van Landeghem, advocaten bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 14 september 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, een middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
- De appelrechters spreken de verweerster vrij van de haar ten laste gelegde feiten van het instandhouden van illegaal verrichte bouwwerken in een natuurgebied in de periode van 13 februari 1984 tot 6 april 2005, op de grond dat het gebied nog niet deze bestemming had op het ogenblik dat deze werken in het jaar 1970 werden uitgevoerd.
- Beide eisers betwisten de door de appelrechters aan artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 gegeven interpretatie. De eiser I voert aan dat de aan de verweerster verweten gedragingen van instandhouding overeenkomstig de stedenbouwwet van 29 maart 1962 en de stedenbouwdecreten van 22 oktober 1996 en 18 mei 1999 steeds strafbaar zijn gebleven, het laatst door het vermelde artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 zoals aangevuld door artikel 7 van het decreet van 4 juni
- Ter ondersteuning van zijn vordering tot herstel voert de eiser II aan dat de instandhouding van constructies zonder of in strijd met de voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, aangevat vóór 22 augustus 2003, en voortdurend sedert deze datum, strafbaar blijft onder gelding van het bij decreet van 4 juni 2003 gewijzigde artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999, ongeacht of ten tijde van de wederrechtelijke oprichting van de constructies, het goed al dan niet gelegen was in ruimtelijk kwetsbaar gebied, en in zoverre sinds de inwerkingtreding van het bij decreet van 4 juni 2003 gewijzigde artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999, en tot de uitspraak van de strafrechter, het goed gelegen is in ruimtelijk kwetsbaar gebied.
- Artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, in zijn versie na het vernietigingsarrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 van het Grondwettelijk Hof, bepaalt: "De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, [...]".
- De appelrechters overwegen dat voormeld artikel niet met zoveel woorden bepaalt op welk ogenblik er sprake moet zijn van een kwetsbaar gebied. Volgens hen telt de bestemming van het goed op het ogenblik waarop de initiële bouwovertreding werd begaan. Zij wijzen op de strekking van andere innovaties van het decreet van 4 juni 2003, zoals het vermoeden dat constructies die zijn opgericht voor de allereerste definitieve vaststelling van het betrokken gewestplan geacht worden vergund te zijn (artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999). Artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 is bijgevolg volgens de appelrechters ook toepasselijk zodra het gebied niet als ruimtelijk kwetsbaar werd beschouwd toen de werken werden uitgevoerd, ook al verkreeeg het nadien wel dit statuut. Ze oordelen dat overeenkomstig artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, deze mildere strafbepaling de vroegere strafbaarheid van de gedragingen van verweerster opheft.
- Uit de parlementaire werkzaamheden blijkt dat het de bedoeling was om het misdrijf van instandhouding van wederrechtelijk opgerichte bouwwerken op te heffen in bepaalde gevallen, onder meer voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen waren in de ruimtelijk kwetsbare gebieden. Nergens blijkt evenwel dat de decreetgever voor de strafbaarheid van het instandhouden in ruimtelijk kwetsbaar gebied vereist dat eerst ook de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik zouden zijn gepleegd in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Dit blijkt evenmin, voor constructies opgericht vóór het decreet van 4 juni 2003, uit het bij artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdeceet 1999, bepaalde vermoeden van vergunning voor constructies gebouwd na de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 maar vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, daar de overheid dit vermoeden, luidens dezelfde bepaling, kan weerleggen "door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, zoals door middel van een goedgekeurd bouwplan, een proces-verbaal of een bezwaarschrift".
- Voor de strafbare instandhouding vereist artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 uitsluitend dat op het ogenblik van de instandhouding, de wederrechtelijke werken voortaan gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Deze strafbepaling ontneemt aan het vóór of na de wetswijziging van 4 juni 2003 voortdurend gepleegde misdrijf van instandhouding, niet zijn strafbaar karakter, zolang deze instandhouding betrekking heeft op goederen gelegen in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gedaan in de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten van beide cassatieberoepen ten laste van de verweerster. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Begroot de kosten in het geheel op 747,05 euro waarvan op het cassatieberoep I 135,36 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 111,95 euro verschuldigd is en 499,74 euro betaald werd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei , Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170331.1 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.052 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051213.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131008.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div