id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.4 Rolnummer: P.07.1793.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-03-17 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-03 05:27 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 28septies, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, vóór het vervangen werd bij artikel 3 van de wet van 27 december 2005, bepaalt niet dat de onderzoeksrechter, die door de Procureur des Konings gevorderd wordt een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld, alvorens te beslissen dat hij het gehele onderzoek zelf voortzet, vooraf de onderzoeksverrichting moet uitvoeren die door de Procureur des Konings werd gevorderd
(1).
(1)In deze zaak had de Procureur des Konings op 7 nov. 2005 conform art. 28septies, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, de onderzoeksrechter gevorderd een onderzoekshandeling in de zin van art. 88bis Wetboek van Strafvordering te verrichten. Het op de zaak toepasselijke art. 28septies, tweede lid, Wetboek van Strafvordering betreft dus de versie van vóór de wijziging bij art. 3 van de wet van 27 dec. 2005 (B.S. 30 dec. 2005). Anders dan de appelrechters oordelen blijkt de nieuwe tekst inhoudelijk niets te hebben gewijzigd aan de mogelijkheid van de onderzoeksrechter om, in geval van mini-instructie, zichzelf te kunnen adiëren zonder vooraf de door de Procureur des Konings gevorderde onderzoekshandeling te hebben verricht. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Taak onderzoeksrechter STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek Vrije woorden: Opsporingsonderzoek - Procureur des Konings - Vordering van een onderzoekshandeling waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is - Onderzoeksrechter die beslist het gehele onderzoek zelf voort te zetten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28septies, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Taak onderzoeksrechter STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek Vrije woorden: Vordering van de Procureur des Konings - Vordering van een onderzoekshandeling waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is - Onderzoeksrechter die beslist het gehele onderzoek zelf voort te zetten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28septies, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: R.W. - DE SMET Bart - 2008-2009/19 - p. 791-795 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1793.N I G A L W W, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Joris A. Vercraeye en mr. Mounir Souidi, advocaten bij de balie te Antwerpen. II W F A C, beklaagde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 november
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 28septies Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing vóór de wetswijziging van 27 december 2005: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de onderzoeksrechter zichzelf mocht adiëren, ongeacht of hij voordien de door de procureur des Konings gevorderde onderzoekshandeling had laten uitvoeren.
- Artikel 28septies Wetboek van Strafvordering, vóór het vervangen werd bij artikel 3 van de wet van 27 december 2005, bepaalde: "De procureur des Konings kan de onderzoeksrechter vorderen een onderzoekshandeling te verrichten waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is, met uitzondering van het bevel tot aanhouding bedoeld in artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de volledig anonieme getuigenis zoals bedoeld in artikel 86bis, de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter en de huiszoeking, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Na de uitvoering van de door de onderzoeksrechter verrichte onderzoekshandeling zendt deze het dossier terug aan de procureur des Konings die instaat voor de voortzetting van het opsporingsonderzoek. De met de zaak belaste onderzoeksrechter beslist of hij uitsluitend de gevorderde onderzoekshandeling verricht en het dossier terugzendt zoals in het vorige lid is bepaald, dan wel of hij het gehele onderzoek zelf voortzet, in welk geval er verder wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen van het hoofdstuk VI van dit boek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Het voorgaande lid is niet van toepassing op de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter".
- Het opzet van deze bepalingen is de procureur des Konings de mogelijkheid te bieden bepaalde onderzoeksverrichtingen die tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter behoren, te vorderen zonder evenwel daartoe een gerechtelijk onderzoek te moeten vorderen. Het is evenwel niet de bedoeling dat de onderzoeksrechter enkel als tussenpersoon zou optreden, en niet verder toezicht zou uitoefenen op de te verrichten onderzoekshandelingen. Het in artikel 28septies, tweede lid, Wetboek van Strafvordering ingebouwde alternatief laat de onderzoeksrechter dan ook toe, hetzij zich te beperken tot de uitvoering van de gevraagde verrichting en het dossier terug te zenden zonder dat hij zichzelf van de feiten adieert, hetzij het dossier te behouden en het onderzoek zelf voort te zetten waarbij hijzelf beslist over de te verrichten onderzoekshandelingen. Met dit facultatief evocatierecht worden de autonomie en zeggenschap van de onderzoeksrechter beklemtoond bij onderzoeken waarbij dwangmaatregelen aan de orde zijn. Artikel 28septies, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt niet dat de onderzoeksrechter in dit laatste geval vooraf de onderzoeksverrichting moet uitvoeren die door de procureur des Konings werd gevorderd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: bij hun interpretatie van artikel 28septies Wetboek van Strafvordering, in zijn toepasselijke versie, verwijzen de appelrechters ten onrechte naar een vermeende - want inhoudelijk niet relevante - wetswijziging sinds het instellen van het onderzoek.
- Een in rechte verkeerde motivering of niet-toepasselijke motivering maakt geen schending van artikel 149 Grondwet uit. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motieven van het bestreden arrest, waarbij wordt geoordeeld dat geen enkele geloofwaardigheid kan worden gehecht aan de inhoud van de brief van een opgeroepen getuige, zijn tegenstrijdig met de motieven van het tussenarrest waarbij op grond van deze brief geoordeeld werd het debat te moeten heropenen teneinde deze getuige te aanhoren.
- Een strijdigheid tussen de redenen van twee verschillende arresten in een zelfde zaak levert geen schending op van artikel 149 Grondwet. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert de miskenning aan van het vermoeden van onschuld en van de rechten van de verdediging: na heropening van het debat in het belang van de eiser teneinde een getuige te horen, vermochten de appelrechters niet zonder meer wegens het niet-verschijnen van die getuige dit verhoor verzaken noch diens geschreven verklaring als ongeloofwaardig beoordelen.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze vrije beoordelingsbevoegdheid van de rechter, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige houdt de enkele omstandigheid dat de rechter het nuttig of raadzaam acht een aanvullende onderzoeksmaatregel te bevelen geen uitspraak in over de bewijswaarde van deze maatregel. De enkele omstandigheid dat deze maatregel niet kan worden uitgevoerd omdat de opgeroepen getuige ter rechtszitting niet verschijnt, tast de bevoegdheid van de rechter om uitspraak te doen over de strafvordering niet aan.
- De appelrechters besluiten niet "simpelweg" tot de schuld van de eiser zonder het horen van de getuige, maar beoordelen de schuld op grond van het geheel van de hen voorgelegde gegevens, daarbij ook verwijzend naar de redenen van het beroepen vonnis.
- Het recht van verdediging of het vermoeden van onschuld van de eiser wordt daardoor niet miskend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de grondwettelijke motiveringsplicht: de appelrechters hebben, na afsplitsing van de zaak van een medebeklaagde, diens verweer dat nochtans ook dienstig was voor de eiser in het bestreden arrest niet beantwoord.
- Een beklaagde kan het niet-beantwoorden van de conclusie van een medebeklaagde aanvoeren als die conclusie een punt betreft dat voor de beklaagde belang vertoont. De rechter hoeft evenwel niet het reeds gegeven antwoord op het verweer van de medebeklaagde in de afgesplitste zaak ten aanzien van de beklaagde ambtshalve te herhalen. Het onderdeel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 155,96 euro waarvan elke eiser 77,98 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei , Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090630.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div