← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.6 Rolnummer: P.07.0747.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2008-03-17 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-07-03 05:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Tekst van de beslissing Nr. P.07.0747.N G C D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Karel Wille, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met zetel te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Het bestreden arrest betreft een zaak waarin oorspronkelijk het openbaar ministerie de strafvordering heeft ingesteld en een zaak waarin de verweerder de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering in betaling van ontdoken invoerrechten en -heffingen heeft ingesteld. Het bestreden arrest beschrijft de feiten als volgt: "Deze feiten situeren zich in het kader van een grootschalige vleesfraude [in de jaren 1994 tot 1995]. Het, onder meer, op [de eiser] betrekking hebbende deelluik van de fraude (...) betreft, summier geschetst, een fraudesysteem waarbij, voornamelijk in de USA, vleeswaren werden aangekocht, voornamelijk runderzwezeriken en rundertongen, die ingevolge de regelgeving van de Europese Unie, niet op de markt van de Europese Unie waren toegelaten en enkel in transit binnen het douanegebied van de Europese Unie mochten vertoeven met het oog op de uitvoer ervan naar derde¬landen (niet-Europese Unie). Deze producten werden, althans op papier, doorverkocht aan firma's gevestigd in derde-landen. Na tijdelijke opslag ervan in koelhuizen (onder meer te Rotterdam) werden de goederen geladen bij de opslagbedrijven ter zogezegde export onder dekking van T1-documenten (extern communautair douanevervoer), die vervolgens aan de grenzen van de Europese Unie zouden vervangen worden door carnets-Tir. In realiteit werden de vleeswaren afgeleid naar opslagplaatsen in België, alwaar ze werden herverpakt en voorzien van valse etikettering en stempels teneinde te laten uitschijnen dat het om Europese Unie¬goederen ging. Vervolgens werden, na valse aanzuivering van de T1-documenten middels de welwillende medewerking van een douanebeambte (...), de goederen op de Europese (zwarte) markt gebracht, voornamelijk in Frankrijk. Het [hof van beroep] verwijst desbetreffend verder naar de redengeving in het arrest van dit hof en deze kamer van 25 oktober 2006 onder de rubriek ‘het onderzoek, de feiten, vaststellingen en verklaringen' (pagina's 81 tot en met 85). [De eiser] was ten tijde van de feiten gedelegeerd¬ bestuurder van DHS cv te Moeskroen, transportfirma die instond voor het communautair douanevervoer van de goederen vermeld onder de voormelde nummers ‘BEK'. Hij voerde, middels zijn transportbedrijf, de transporten uit voor, onder meer, Phoenix Food nv en Meat Trading nv. Hij kreeg opdracht de goederen te laden bij de Eurofrigo bv te Rotterdam en koppelde, luidens zijn verklaring, de opleggers met de containers af aan de grensovergang te Rekkem (parking L.A.R.), alhoewel op de door het expeditiekantoor te Rotterdam desbetreffend opgestelde documenten extern communautair douanevervoer, een Oost-Europese bestemming was vermeld (cfr. de processen-verbaal nummer 105087/96 en nummer 105090/96 van de Rijkswacht/BOB Antwerpen). Het moet voor [de eiser] als professionele actor, dan ook duidelijk zijn geweest dat het vervoer niet op regelmatige wijze geschiedde. [De eiser] verklaarde trouwens op 26 september 1996, onder meer: - dat hij van J.P. Guyon opdrachten kreeg om goederen te laden bij Europfrigo bv te Rotterdam en ze over te brengen naar Rekkem (L.A.R.) of naar Moeskroen. - dat hij ervan op de hoogte was dat de goederen vervolgens zouden herverpakt worden en een andere dan de officiële bestemming zouden krijgen (cfr. processen-verbaal van de Rijkswacht/BOB Antwerpen, nummers 105087/96 en 105090/96). Bij huiszoeking in de kantoren van DHS cv werden desbetreffende CMR vrachtbrieven aangetroffen, die voor ontvangst van de goederen waren afgetekend bij Phoenix food nv (cf. de zendingsmappen nummers BEK 001,006,007 en 010)". In de zaak I met notitienummer AN.21.F9.1975/95 werd de eiser vervolgd wegens mededaderschap aan gemeenrechtelijke misdrijven, namelijk: - A.I. valsheid als openbaar officier of ambtenaar in de uitoefening van zijn bediening (aanzuivering T1, CMR, TIR en IM7-documenten); - B. geen openbaar officier of ambtenaar zijnde, valsheid in authentieke of openbare geschriften (IVK-attesten en attesten niet-radioactiviteit); - C.I.a. valsheid in private geschriften en gebruik daarvan (labels CEE 32/1). In de zaak II met notitienummer AN.79.97.726.-04 werd de eiser vervolgd wegens mededaderschap aan een douanemisdrijf, namelijk: - Feit 1: onttrekking van goederen aan het douanetoezicht. Bij op verstek gewezen vonnis van 23 juni 2005 van de correctionele rechtbank werd de eiser voor de vermengde feiten van de zaken I en II veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, een geldboete en een vervangende gevangenisstraf en een tijdelijk beroepsverbod. Hij werd in de zaak II tevens solidair met anderen veroordeeld tot betaling van de tegenwaarde van de goederen die niet in beslag konden worden genomen. Op civielrechtelijk gebied werd in de zaken I en II de eiser solidair met anderen veroordeeld tot betaling van de ontdoken invoerrechten en -heffingen en nalatigheidsinterest. De verweerder kwam van dit vonnis in hoger beroep. Bij op verstek gewezen arrest van 25 oktober 2006 besliste het Hof van Beroep te Antwerpen met eenparigheid van stemmen dat: - de strafvordering in de zaak II sub 1 is vervallen door verjaring; - de civielrechtelijke vordering van de verweerder tegen de eiser is gegrond. Voorts werd de eiser solidair met anderen veroordeeld tot het betalen van de ontdoken invoerrechten en -heffingen en nalatigheidsinterest. Het thans bestreden arrest neemt kennis van het door de eiser tegen het verstek¬arrest ingestelde verzet. Het beslist met eenparigheid van stemmen zoals het arrest bij verstek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het bestreden arrest verklaart de strafvordering tegen de eiser vervallen door verjaring. In zoverre eisers cassatieberoep tegen deze beschikking is gericht, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel dat twee onderdelen bevat, voert schending aan van: - de artikelen 217, 218 en 221.1, 221.2 en 221.3 CDW, het laatste artikel in de versie ervan vóór de wijziging met ingang van 19 december 2000 bij Verordening (EEG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000; - artikel 2 CDW; - artikel 221.3 en 221.4 CDW, zoals respectievelijk gewijzigd en toegevoegd door voormelde Verordening (EEG) nr. 2700/2000 van 16 november 2000; - artikel 234 ( ex art. 177 ) van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap (geconsolideerde versie), goedgekeurd bij wet van 7 juli
  4. Het eerste onderdeel van het middel stelt dat artikel 217.1 CDW, in de regel een boeking vereist van de douaneschuld vooraleer die aan de schuldenaar wordt medegedeeld overeenkomstig artikel 221, en dat een proces-verbaal en/of vaststelling van rechten niet gelijk staat met de boeking van die rechten, zeker wanneer de mededeling van die rechten gebeurt door het proces-verbaal waardoor verbalisering, vaststelling, boeking en mededeling van rechten samenvallen. Het onderdeel vervolgt dat de appelrechters niet vaststellen dat de douaneschuld voorafgaandelijk aan de mededeling ervan geboekt werd en uit geen enkel stuk, waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat enige boeking gedaan werd. Het onderdeel concludeert daarop dat eisers veroordeling onwettig is.
  5. Het tweede onderdeel van het middel stelt dat artikel 221.1 CDW vereist dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar moet worden medegedeeld, dat nooit een boeking heeft plaatsgevonden en dat een vaststelling van beweerdelijk verschuldigde rechten in een proces-verbaal niet gelijk te stellen is met een boeking van rechten, zodat het bestreden arrest de eiser onwettig veroordeelt tot het betalen van invoerrechten, invoerheffingen en nalatigheidsinterest.
  6. Het middel stelt ook voor volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen: "Moet de mededeling van het bedrag van de rechten van een in de periode 24 maart tot en met 25 mei 1995 ontstane douaneschuld bij invoer, voorzien in artikel 221.1 van het Communautair Douanewetboek, steeds voorafgegaan worden door de boeking, geviseerd in artikel 217 van hetzelfde wetboek, van dat bedrag, wanneer de boeking verplicht is opgelegd?"
  7. Het bestreden arrest overweegt: "Door de kwestieuze regelgeving wordt aan alle lidstaten en hun douaneautoriteiten een eenvormige begrotingsdiscipline opgelegd, teneinde, middels tijdige boeking van de douaneschuld, dit wil zeggen in de regel voorafgaand aan de mededeling ervan, de eigen middelen tijdig ter beschikking te stellen van de Europese Unie en aldus te vermijden dat, door het desbetreffend nalatig handelen van een lidstaat, het financieel evenwicht van de Europese Unie wordt verstoord, ook al zij het slechts ten voorlopige titel, verstoring die uiteraard ook een negatieve impact kan hebben ter zake de belangen van de belastingplichtigen. De voorafgaande boeking van de douaneschuld maakt evenwel geen absolute voorwaarde uit om tot een geldige mededeling van een douaneschuld te kunnen overgaan. De communautaire regelgever voorziet trouwens zelf in de mogelijkheid tot een ‘boeking achteraf', overeenkomstig artikel 220.1 CDW, voorheen artikel 5 van de Verordening nr. 1854/
  8. Verder stelt het [hof van beroep] vast dat uit het door [de eiser] ingeroepen arrest van het Hof van Justitie van 23 februari 2006 (cf. supra het arrest ‘Molenbergnatie') hoe dan ook niet kan afgeleid worden dat een mededeling van een douaneschuld zonder voorafgaande boeking ervan, als een ongeldige of niet-bestaande mededeling zou moeten beschouwd worden." Er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing van het bestreden arrest dat de strafvordering tegen de eiser vervallen is door verjaring. En alvorens verder uitspraak te doen over de beslissing betreffende de vordering van de verweerder tegen de eiser tot betaling van ontdoken invoerrechten, invoerheffingen en nalatigheidinterest, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie bij prejudiciële beslissing over volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: "Dient artikel 221, lid 1, CDW, alzo begrepen te worden dat de voorgeschreven mededeling van een douaneschuld aan de belastingplichtige slechts rechtsgeldig kan geschieden na de boeking ervan, of, met andere woorden, dat de in artikel 221.1 CDW voorgeschreven mededeling van een douaneschuld aan de belastingplichtige steeds door de boeking ervan dient te zijn voorafgegaan teneinde rechtsgeldig c.q. in overeenstemming met artikel 221.1 CDW." Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.