← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artikel 221

.

Douaneschuld - Boeking - Wijze - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Proces-verbaal - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Huishoudelijk Reglement - Artt. 217.1 en 221.1 Wet - 18-07-1977 - Artt. 267 tot 272 Fiches 2 - 3 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of de artikelen 217.1 en 221.1 van het Communautair Douanewetboek alzo dienen te worden begrepen dat de voorgeschreven boeking van een douaneschuld ook rechtsgeldig kan geschieden door het bedrag op te nemen in een proces-verbaal, overeenkomstig de Algemene Wet Douane en Accijnzen opgesteld door verbalisanten en niet door personen die bevoegd zijn dergelijk bedrag op te nemen in de boekhouding, en of dergelijk proces-verbaal beschouwd kan worden als een boekhouding of iedere andere drager die als zodanig dienst doet in de zin van artikel 217.1 van het Communautair Douanewetboek, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

(1).
(1)Zie: Cass., 5 juni 2007, AR P.06.1404.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9, A.C., 2077, nr.... Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Communautair Douanewetboek - Artikel 217.

Artikel 221

.

Douaneschuld - Boeking - Wijze - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Proces-verbaal - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Huishoudelijk Reglement - Artt. 217.1 en 221.1 Wet - 18-07-1977 - Artt. 267 tot 272 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Europese Unie - Douane en accijnzen - Communautair Douanewetboek - Artikel 217.

Artikel 221

.

Douaneschuld - Boeking - Wijze - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Proces-verbaal - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - Art. 35 Huishoudelijk Reglement - Artt. 217.1 en 221.1 Wet - 18-07-1977 - Artt. 267 tot 272 Fiches 4 - 6 Op de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen is de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen van het burgerlijk recht toepasselijk, dit is de verjaringstermijn ingesteld door artikel 2262bis, §1, Burgerlijk Wetboek

(1).
(1)R.P.D.B., dl. IV, Bruylant-Librairie générale de droit, Bruxelles-Paris, 1950, trefwoord 'Douanes et accises', nr.
  1. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Algemene Wet Douane en Accijnzen - Navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262bis, § 1 Wet - 18-07-1977 - Artt. 279 tot 285 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Verjaring - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262bis, § 1 Wet - 18-07-1977 - Artt. 279 tot 285 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Burgerlijke vordering voor de strafrechter UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Europees procesrecht en rechtsbescherming - Prejudiciële geschillen Vrije woorden: Algemene Wet Douane en Accijnzen - Navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262bis, § 1 Wet - 18-07-1977 - Artt. 279 tot 285 Tekst van de beslissing Nr. P.07.1543.N I. DISTILLERIE SMEETS HASSELT nv, met zetel te 3500 Hasselt, Sasstraat 3, beklaagde en burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Hasselt, met zetel te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-43-45, vervolgende partij, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  3. L S C D V, beklaagde,
  4. BOLLEN, MATHAY & C° bvba, met zetel te 1030 Brussel (Schaarbeek), Lambermontlaan 430/3, vereffenaar van TRANSTERMINAL LOGISTICS nv, met zetel te 1030 Brussel (Schaarbeek), Lambermontlaan 430, civielrechtelijk aansprakelijke partij,
  5. D V D L, beklaagde,
  6. FIRMA DE VOS nv, met zetel te 2620 Hemiksem, Lindelei 29, civielrechtelijk aansprakelijke partij, verweerders. II. BELGISCHE STAAT, (Douane Hasselt), reeds vermeld, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BOLLEN, MATHAY & C° bvba, vereffenaar van TRANSTERMINAL LOGISTICS nv, reeds vermeld, civielrechtelijk aansprakelijke partij, verweerster. III. L D V, beklaagde, eiser, tegen BELGISCHE STAAT, (Douane Hasselt), reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 september
  7. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert geen middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De zaak heeft betrekking op frauduleuze aanzuivering van diverse partijen ethylalcohol die zich onder het stelsel van actieve veredeling met schorsingsysteem bevonden (zie onder meer artikel 114, eerste lid, a, Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) en artikel 4, § 3, wet betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop) (feit II) waarbij deze goederen aan die douaneregeling werden onttrokken door onderschuiving met andere goederen, met name door de vervanging van de alcohol door water (feit I). Het bestreden arrest veroordeelt alleen L D V, gedelegeerd bestuurder van Transterminal Logistics voor het feit I, onttrekking aan de douaneregeling, en spreekt de overige verweerders I daarvan vrij. Anderzijds verklaart het de vordering van de Belgische Staat tegen de Transterminal Logistics als burgerlijk aansprakelijke voor L D V ongegrond, omdat niet vast staat dat de betrokkene de tegen hem bewezen feiten heeft begaan in zijn hoedanigheid van gemachtigde van Transterminal Logistics, handelend binnen het raam van zijn bediening, of als orgaan ervan, hetzij rechtstreeks dan wel als orgaan van Inducare cv, zijnde een orgaan van Transterminal Logistics. Het bestreden arrest veroordeelt Distillerie Smeets-Hasselt (hierna: Smeets) voor het feit II, niet-regelmatige aanzuivering, dit is een inbreuk op artikel 257, § 1, van het koninklijk besluit van 18 juli 1997 tot coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (hierna: AWDA), en veroordeelt Smeets en L D V solidair tot betaling van de ontdoken invoerrechten, accijns op alcohol en bijzondere accijns op alcohol, en verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van de Belgische Staat als burgerlijke partij kennis te nemen, behoudens de vordering tegen L D V, die het niet ontvankelijk verklaart. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  8. Het eerste middel van Smeets is gericht tegen haar strafrechtelijke veroordeling wegens inbreuk op artikel 257, § 1, AWDA en haar tweede middel is gericht tegen haar veroordeling op civielrechtelijk gebied. Bij haar tweede middel werpt ze twee aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te stellen prejudiciële vragen op. Het middel van de Belgische Staat is gericht tegen de afwijzing van zijn op burgerlijke aansprakelijkheid gestoelde burgerlijke rechtsvordering tegen Transterminal Logistics.
  9. Overeenkomstig artikel 281, § 1, en 283 AWDA zijn de correctionele rechtbanken, en, in geval van hoger beroep, de hoven van beroep, bevoegd om tezelfdertijd kennis te nemen van de strafvordering in douane- en accijnszaken als van de vorderingen tot betaling van rechten en accijnzen. Anders dan in het gewone strafprocesrecht hangt de bevoegdheid van de strafrechter om kennis te nemen van die burgerlijke rechtsvordering niet af van de strafrechtelijke veroordeling van de gedaagde. De bevoegdheid van de strafrechter om te oordelen over een burgerlijke rechtsvordering in betaling van rechten en accijnzen veronderstelt enkel dat, enerzijds, hij regelmatig geadieerd is van overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden bedoeld in de artikelen 281 en 282 AWDA, anderzijds, dat de belastingschuldige regelmatig bij het proces is betrokken. Om te vermijden dat de uitspraak van het Hof de goede rechtsbedeling in de zaak zou schaden, is het gepast eerst recht te doen over het tweede middel van Smeets. Tweede middel van Smeets Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 217.1 CDW, artikel 221.1 en 221.3, CDW zoals van kracht voor de wijziging door artikel 1 van de Verordening nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, artikel 221.4 CDW en artikel 4.1 en 4.2 van de Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide: de artikelen 217.1 en 221.1 CDW vereisen een boeking van de douaneschuld, die noodzakelijk moet zijn voorafgegaan aan de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer, zodat de appelrechters niet vermochten het overeenkomstig de AWDA door de douaneambtenaren opgestelde proces-verbaal van vaststelling als boekhouding en evenmin als een drager die als zodanig dienst doet, in de zin van artikel 217.1 CDW, te beschouwen. Het onderdeel verzoekt bovendien, mocht het Hof de artikelen 217 en 221 CDW anders uitleggen, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen.
  11. De AWDA bepaalt: - Artikel 267: "Wanneer de misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet worden geconstateerd bij processen-verbaal, zullen deze akten dadelijk, of zo spoedig mogelijk worden opgemaakt, door ten minste twee daartoe bevoegde personen, waarvan de ene moet zijn aangesteld of van commissie voorzien vanwege de administratie der douane en accijnzen." - Artikel 268: "Het proces-verbaal zal moeten behelzen een beknopt en nauwkeurig verhaal der bevinding en van de oorzaak der bekeuring, met aanduiding van personen, beroep, dag en plaats, en met inachtneming van het voorgeschrevene bij artikel 176, in de bijzondere gevallen aldaar vermeld." - Artikel 269: "De processen-verbaal zullen worden opgemaakt, en de bekeuringen gedaan op alle dagen des jaars, en mitsdien ook op zondagen en wettelijke feestdagen." - Artikel 270: "Binnen de vijf dagen na het opstellen van de in artikel 267 bedoelde processen-verbaal wordt het origineel aan de handtekening ne varietur van een hiërarchische chef der bekeurders onderworpen, en afschrift ervan aan de overtreders afgegeven. Indien de overtreders deze mededeling weigeren of onbekend zijn, wordt de kennisgeving gedaan aan de burgemeester der gemeente waar het misdrijf werd vastgesteld, of aan diens gemachtigde." - Artikel 271: "De bekeurde, tegenwoordig zijnde bij de bekeuring, zal worden uitgenodigd, om bij de opmaking van het proces-verbaal tegenwoordig te zijn, en, desverkiezende, hetzelfde te tekenen en er dadelijk een afschrift van te ontvangen; in geval van afwezigheid wordt een afschrift van het proces-verbaal bij een ter post aangetekende brief aan de bekeurde gezonden." - Artikel 272: "De processen-verbaal van de ambtenaren, wegens hun handelingen en ambtsverrichtingen, verdienen volle geloof in rechten, totdat de valsheid daarvan bewezen wordt. De onnauwkeurigheden, welke geen betrekking hebben op de feiten maar alleen op de toepassing van de wet, zullen aan het proces-verbaal deszelfs kracht niet ontnemen, doch, bij het exploot van dagvaarding moeten worden hersteld. Slechts dan, wanneer het proces-verbaal door één ambtenaar is opgemaakt, zal het op zichzelf geen bewijs opleveren."
  12. De aangehaalde artikelen 267 tot 272 AWDA bevatten aldus een nationale regeling voor de bepaling en de mededeling van verschuldigde rechten bij een douanemisdrijf.
  13. Het onderdeel betwist dat deze bepaling en mededeling zouden beantwoorden aan de Europese regelgeving. Er is grond tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 221.3 CDW (oud) en artikel 221.4 CDW: anders dan de appelrechters oordelen, vereist artikel 221.3 CDW (oud) een oorzakelijk verband tussen de strafrechtelijk vervolgbare handelingen en de onmogelijkheid om het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten binnen drie jaar aan de betrokken schuldenaren mee te delen.
  15. Het bestreden arrest oordeelt: "Te dezen staat vast dat, zoals hierboven uiteengezet wat [L D V] en [Smeets] betreft, een strafrechtelijk vervolgbaar handelen (of nalaten) aan de basis lag van het ontstaan van de douaneschuld in hunnen hoofde". Met deze overweging stelt het bestreden arrest het oorzakelijk verband vast. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 217.1 CDW, artikel 221.1 en 221.3 CDW zoals van kracht voor de wijziging door artikel 1 van de Verordening nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, artikel 221.4 CDW, artikel 4.1 en 4.2, Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide en artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek: het toepasselijke artikel 221.3 CDW (oud) voorzag slechts in bepaalde gevallen in de mogelijkheid van mededeling van de douaneschuld aan de schuldenaar na het verstrijken van een termijn van drie jaar en voor zover de geldende bepalingen daarin voorzien zodat de appelrechters niet vermochten artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek te beschouwen als dergelijke bepaling in de zin van artikel 221 CDW. Het onderdeel verzoekt bovendien, mocht het Hof van oordeel zijn dat artikel 221.3 CDW (oud) inhoudt dat de douaneautoriteiten tot een rechtsgeldige mededeling van het geboekte bedrag kunnen overgaan buiten de termijn van drie jaar vanaf het ontstaan van de douaneschuld en dit zelfs bij gebreke aan enige wettelijke bepaling die expliciet een andere termijn bepaalt, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen.
  17. De artikelen 279 tot en met 285 AWDA regelen onder meer de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen. De AWDA bepaalt daarvoor geen verjaringstermijn. Aldus is de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen van het burgerlijk recht toepasselijk, dit is de verjaring ingesteld door artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel berust op een onjuiste juridische onderstelling betreffende het interne recht en faalt derhalve naar recht.
  18. Daar de voorgestelde prejudiciële vraag berust op een onderstelling die faalt naar recht, moest het Hof geen prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie bij prejudiciële beslissing over volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: "Dienen de artikelen 217.1 en 221.1 CDW alzo te worden begrepen dat de voorgeschreven boeking van een douaneschuld ook rechtsgeldig kan geschieden door het bedrag op te nemen in een proces-verbaal overeenkomstig de AWDA, opgesteld door verbalisanten en niet door personen die bevoegd zijn dergelijk bedrag op te nemen in de boekhouding en dergelijk proces-verbaal beschouwd kan worden als een boekhouding of iedere andere drager die als zodanig dienst doet in de zin van artikel 217.1 CDW?" Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 26 februari 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080226.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.