id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1370Wet - 12-04-1965 - Art.
10 Thesaurus CAS: ENERGIE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Bezit BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfdienstbaarheid - Door de wet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Gas Vrije woorden: Vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen - Verklaring van openbaar nut Wettelijke bepalingen:
Art. 1370Wet - 12-04-1965 - Art.
10 Thesaurus CAS: ERFDIENSTBAARHEID UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Bezit BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfdienstbaarheid - Door de wet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Gas Vrije woorden: Wettelijke erfdienstbaarheid - Energie - Vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen - Verklaring van openbaar nut Wettelijke bepalingen:
Art. 1370Wet - 12-04-1965 - Art.
10 Fiche 4 De wetgever verwijst met het gebruik van het begrip "privaat domein" in artikel 11 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen niet enkel naar het privaat domein van de overheid maar had ook de private erven van burgers op het oog. Thesaurus CAS: ENERGIE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Bezit BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfdienstbaarheid - Door de wet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Gas Vrije woorden: Vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen - Verklaring van openbaar nut - Privaat domein Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art. 11 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0216.N
- S.L.,
- S.B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen AQUAFIN, naamloze vennootschap, met zetel te 2630 Aartselaar, Dijkstraat 8, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 11 oktober 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN De feiten worden in het verzoekschrift als volgt omschreven: De eisers zijn eigenaars van een aantal percelen weiland, gelegen te Kuringen-Hasselt aan de Albertkanaalstraat. Bij ministerieel besluit nr. 20182 van 1 maart 2002 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw werd, in toepassing van artikel 10 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, de bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur te Hasselt, "onder, op of boven private onbebouwde gronden die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining", van openbaar nut verklaard ten gunste van de verweerster, en werd aan de verweerster toelating verleend tot het oprichten van de installaties op de private onbebouwde gronden opgesomd in het besluit, waaronder de percelen toebehorende aan de eisers. In de loop van augustus 2000 startte de NV Kumpen, in opdracht van verweerster, de werken op de percelen van de eisers, ondanks hun uitdrukkelijk verzet. De rioolwaterzuiveringscollector werd aangelegd dwars over het perceel van de eisers. Bij dagvaarding van 21 augustus 2002 stelden de eisers de bezitsvordering reïntegranda in tegen de verweerster en de NV Kumpen. Zoals nadien gewijzigd in conclusies, vorderden de eisers dat aan de verweerster en de NV Kumpen verbod zou worden opgelegd om, onder welke vorm dan ook, in uitvoering van de geplande werken, bezit te nemen van de eigendommen van de eisers, dat de verweerster en de NV Kumpen zouden worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van 5000,00 euro per dag dat één van hen of beiden in strijd met het tussen te komen vonnis bezit zouden nemen van de eigendommen van eisers, dat voor zover op het ogenblik van de uitspraak van het tussen te komen vonnis reeds werken zouden zijn uitgevoerd, de verweerster en de NV Kumpen zouden veroordeeld worden tot beëindiging van de illegale bezitsstoornis door wegname van de wederrechtelijk op hun terrein neergelegde collector, en dit op straffe van een dwangsom van 5000,00 euro per dag dat deze wegname niet is geschied met herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand binnen twintig dagen na betekening van het tussen te komen vonnis. Na bij tussenvonnis van 6 november 2002 een plaatsopneming te hebben bevolen, oordeelde de Vrederechter van het tweede kanton te Hasselt, bij eindvonnis van 10 september 2003, dat de verweerster en de NV Kumpen zich schuldig hadden gemaakt aan eigenrichting doordat zij, op grond van een verklaring van openbaar nut, doch zonder akkoord maar met verzet van de eisers en zonder gerechtelijke tussenkomst, overgingen tot uitvoering van de werken. De bezitsvordering werd gegrond verklaard, en verweerster en de NV Kumpen werden veroordeeld "tot beëindiging van de bezitsstoornis door wegname van de op het terrein van (de eisers) neergelegde leidingen of collector, en dit op straffe van een dwangsom van duizend euro per dag als deze wegname niet is geschied met herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen 2 maanden na betekening van het tussen te komen vonnis, tenzij (de verweerster en de NV Kumpen) met (de eisers) een minnelijke regeling tot stand brengen over een latere datum van herstel in de oorspronkelijke toestand". Ingevolge de hogere beroepen van de verweerster en de NV Kumpen, hervormde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, na bij tussenvonnis van 8 maart 2004 het debat te hebben heropend, bij eindvonnis van 11 oktober 2004 de beslissing a quo, en verklaarde de reïntegranda ongegrond. III. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 105, 108 en 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; - de artikelen 1370 en 1371 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 32septies, §2, en 32octies, §3, van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; - de artikelen 10 en 11 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen; - artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 hou¬dende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de NV Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; - de algemene rechtsbeginselen inzake de dwingende kracht van de admini¬stratieve rechtshandeling en het voorrecht van ambtshalve uitvoerbaarheid, die zijn afgeleid uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende de continuïteit van de openbare dienst, en het laatstgenoemd algemeen rechtsbeginsel. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de verweerster, ertoe strekkende de oorspronkelijke vordering van eisers ongegrond te verkla¬ren, gegrond, hervormt het bestreden vonnis, en opnieuw recht doende, verklaart de door de eisers ingestelde reïntegranda ongegrond, en verleent de verweerster voorbehoud tot het instellen van een vordering tot schadevergoeding lastens de eisers, op volgende gronden: "II. TEN GRONDE
- De oorspronkelijke vordering van (de eisers) De initiële vordering van (de eisers) is gesteund op artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek en strekt ertoe (de verweerster en de NV Kumpen) solidair te veroordelen tot beëindiging van de illegale bezitsstoornis door wegname van de wederrechtelijk op hun eigendommen geplaatste collector, op straffe van een dwangsom die initieel door hen begroot werd op een bedrag van 5.000,00 euro per dag vertraging. De eerste rechter heeft in zijn bestreden vonnis geoordeeld dat: - het verbod om zichzelf recht te verschaffen tevens geldt voor openbare besturen en voor hen die in hun opdracht handelen; - inzake riolering de wetgever de eigenhandige uitvoering tegen de wil van de betrokkenen in niet heeft voorzien; - (de verweerster en de NV Kumpen) niet aantonen dat zij over een machtiging beschikten om zelf op te treden tegen een onwillige burger en zij zich in voorkomend geval tot de rechter hadden moeten wenden om een uitvoerbare titel te bekomen; - er enkel wanneer de overheid zich in een uitzonderlijke situatie bevindt, die hoogdringend is, tot een gedwongen uitvoering kan worden overgegaan, waarbij een dergelijke eenzijdige uitvoering dan nog niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is om het doel te bereiken; - dergelijke buitengewone omstandigheden in casu niet voorhanden waren en de plaatsing van de leiding dwars over de eigendommen van (de eisers) daar¬enboven verder ging dan strikt noodzakelijk; - (de verweerster en de NV Kumpen) door hun optreden een onherstelbare devaluatie hebben aangebracht aan het goed van (de eisers); - (de verweerster en de NV Kumpen) zich hebben schuldig gemaakt aan eigenrichting, doordat zij op grond van een verklaring van openbaar nut, zonder akkoord en ondanks het verzet van de eigenaars, alsook zonder een gerechtelijke tussenkomst toch zijn overgegaan tot de uitvoering der werken; - een dergelijk optreden een feitelijkheid betreft in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek; - de vordering van (de eisers) derhalve (deels) gegrond was en hun eigendom bijgevolg door (de verweerster en de NV Kumpen) op kosten van laatstge¬noemden moest hersteld worden in zijn oorspronkelijke toestand binnen een termijn van twee maanden na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging; - de NV Kumpen slechts als uitvoerster had gehandeld conform de opdracht die zij van (de verweerster) had ontvangen, zodat de (de verweerster) gehouden was tot vrijwaring van de NV Kumpen voor alle veroordelingen, zo in hoofdsom, intresten als kosten. (De verweerster), kan zich geenszins akkoord verklaren met deze beslissing en benadrukt dat: - de door haar uitgevoerde werken niet als een daad van geweld of een feite¬lijkheid in de zin van artikel 1370 Gerechtelijk Wetboek kunnen worden aanzien, doch wel gebeurden ter uitvoering van een MB van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002, waarbij het project Hasselt - collector vak 6 Stokrooie van openbaar nut werd verklaard ten gunste van (de verweerster) en waardoor haar het recht werd verleend deze werken op de eigendommen van (de eisers) uit te voeren; - de van openbaar nutverklaring uitdrukkelijk wordt geregeld door de artikelen 9 en volgende van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gas¬achtige producten en andere door middel van leidingen; zij wettelijk werd opgericht voor de uitvoering van rioolwaterzuiveringsinfrastructuren; - artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 de artike¬len 9 en volgende van de wet van 12 april 1965 van toepassing maakt op (de verweerster) en zij het recht heeft de van openbaar nutverklaring te vragen met het oog op de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur; - de enige voorwaarde voor het aanvatten van werken binnen het kader van de van openbaar nutverklaring bestaat in een notificatie van de eigenaars, minstens twee maanden voor het aanvatten van de werkzaamheden; - deze notificatie aan (de eisers) gebeurd is bij aangetekend schrijven van 6 maart 2002, terwijl de werken pas werden aangevat in augustus 2002; - artikel 11 van de gaswet stelt dat de bezetting van een privaat domein geen bezitsberoving meebrengt, doch wel een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt; - zij een wettelijke opdracht uitvoerde en de door haar gevolgde werkwijze in overeenstemming was met de wettelijke reglementeringen terzake; - zij bijgevolg geen bijkomende uitvoerbare titel in rechte diende aan te vragen alvorens over te gaan tot de uitvoering der werken op de eigendommen van (de eisers); - (de eisers) daarenboven perfect op de hoogte waren van de voorgenomen wer¬ken en zij in het kader van het voorafgaandelijk openbaar onderzoek op geen enkel ogenblik gereageerd hebben, terwijl zij ook het MB van 1 maart 2002 niet hebben aangevochten voor de Raad van State. In de gegeven omstandigheden vordert zij in hoofdorde dan ook dat de oor¬spronkelijke vordering van (de eisers) als ongegrond zou worden afgewezen. Ook de NV Kumpen kan zich niet verzoenen met de bestreden beslissing en zij beklemtoont dat: - zij de werken heeft uitgevoerd conform het lastenboek en de contractuele bepalingen van de opdracht; - zij vreemd is aan de discussie tussen (de eisers) en (de verweerster) betreffende het tracé der werken, het concept ervan, het voorhanden zijn van de vereiste machtigingen en/of vergunningen, (...) er haar geen enkele fout wordt verweten; - zij niet de eigenaar is van de kwestieuze ondergrondse leiding en zij derhalve evenmin gerechtigd is deze weg te nemen; - er in casu geen sprake is van enige wederrechtelijke bezitsstoornis; het hoe dan ook niet de taak van de aannemer is te controleren of de op¬drachtgever handelt conform de vigerende wetgeving en na te gaan of diens bouwvergunning en/of andere rechten al dan niet met een gebrek behept zouden kunnen zijn; - indien er al een fout zou zijn begaan, de aansprakelijkheid hiervoor dient gedragen te worden door de bouwheer, zijnde (de verweerster). Ook zij besluit derhalve in hoofdorde tot de ongegrondheid van de initiële eis van (de eisers). In ondergeschikte orde herneemt zij haar vordering tot vrijwaring opzichtens (de verweerster). (De eisers) concluderen tot de bevestiging van het bestreden vonnis en zij ac¬centueren dat: - (de verweerster) niet betwist dat de wijze, waarop zij de eigendommen van (de eisers) in bezit heeft genomen, gepaard is gegaan met feitelijkheden, zij het dat deze feitelijkheden "licite" zouden zijn geweest; - het bestaan van feitelijkheden, ongeacht of deze "licite" dan wel "illicite" zijn, volstaat voor het instellen van een bezitsvordering in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek; - het uitvoeren van werken op hun eigendommen, ondanks hun formeel verzet hiertegen én zonder verdere gerechtelijke tussenkomst, dient gekwalificeerd te worden als een feitelijkheid in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 10 van de Gaswet niet het recht tot een parate uitvoering der werken verleent, hetgeen door (de verweerster) daarenboven impliciet zou zijn erkend door het feit dat zij - ondanks het voorhanden zijn van een ministeriële be¬slissing tot van openbaar nutverklaring - toch nog een bouwvergunning hebben aangevraagd; - het (de verweerster) dan ook verboden was om zonder hun voorafgaande toestemming én zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst over te gaan tot onmiddellijke inbezitneming van hun eigendommen; - de werken zijn uitgevoerd op basis van een onwettige bouwvergunning, waarvan zij de nietigverklaring hebben gevorderd voor de Raad van State; - de NV Kumpen de werken heeft uitgevoerd met kennis van zaken en derhalve solidair gehouden is met (de verweerster). Partijen betwisten niet dat de oorspronkelijke vordering van (de eisers) een bezitsvordering, meer bepaald een reïntegranda betreft, gesteund op artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek. In het tussenvonnis van 8 maart 2004 werd er reeds beslist dat deze vordering ontvankelijk is. Ten gronde dient er thans onderzocht te worden of de eiseressen in hoger beroep door het plaatsen van een collector op de terreinen van (de eisers) geweld of fei¬telijkheden hebben begaan, waardoor de laatstgenoemden in hun bezit ge¬stoord werden en zij gerechtigd zijn het herstel te vorderen van hun terrein in zijn toestand van voor het geweld of de feitelijkheid. Het begrip ‘geweld' vereist geen wapengekletter; wel moet het geweld van die aard zijn dat het op een redelijk mens indruk maakt en hem kan doen vrezen dat hijzelf of zijn vermogen aan een aanzienlijk en dadelijk kwaad wordt blootgesteld. Het begrip ‘feitelijkheid' veronderstelt een agressieve daad gericht op eigenrichting. Het betreft een positieve en materiële handeling die een buitenbezitstelling of een geheel of gedeeltelijk verlies van genot van een goed tot gevolg heeft. De begrippen feitelijkheid en bezitsstoornis staan volkomen los van goede of kwade trouw. Men kan zelfs volkomen te goeder trouw een bezitsstoornis of een feitelijkheid begaan. Tevens hebben deze begrippen geen enkele relatie met de vraag of een bepaalde handeling al dan niet regelmatig gebeurd is. Blijkens hun conclusies verwijten (de eisers) aan (de verweerster en de NV Kumpen) dat zij een feitelijkheid hebben begaan doordat zij - zonder recht noch titel én ondanks het formeel verzet van (de eisers) tegen de inbezitname van hun terrei¬nen - een gedeelte van de eigendommen van (de eisers) in hun bezit hebben ge-nomen voor het aanleggen van een collector. Er wordt niet betwist dat de collector inmiddels dwars over de terreinen van (de eisers) werd gelegd. De NV Kumpen benadrukt evenwel dat zij voor de uitvoering der werken slechts gehandeld heeft in opdracht van (de verweerster). (De verweerster) stelt op haar beurt dat de feitelijkheden die door (de eisers) worden ingeroepen niet kunnen worden beschouwd als een feitelijkheid in de zin van artikel 1370 Gerechtelijk Wetboek en zij beroept zich terzake uitdrukkelijk op het M.B. van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002, waarbij het project Hasselt - collector vak 6 Stokrooie van openbaar nut werd verklaard en waardoor haar het recht werd verleend om de geplande werken uit te voeren op een gedeelte van de terrei¬nen van (de eisers). - Bij M.B. nr. 20182 van de Vlaamse regering van 1 maart 2002 werd de oprich¬ting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Hasselt van openbaar nut verklaard ten gunste van (de verweerster). Art. 2 van dit M.B. bepaalt dat de verklaring van openbaar nut voor de vetwer¬ving en de onmiddellijke inbezitneming van de terreinen betrekking heeft op diverse in het M.B. nader opgesomde onbebouwde percelen waaronder de percelen van (de eisers) -, waarop de installaties zullen worden aangebracht. Dit artikel bepaalt verder nog dat na de oprichting van de rioolwaterzuiverings¬infrastructuur er een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut zal rusten op die stroken grond nodig voor de werking, de bewaking en het onderhouden reparatiewerk van de installaties. De werkzaamheden zouden krachtens artikel 2, 6°, bovendien pas een aanvang mogen nemen na het verloop van een termijn van twee maanden na kennis¬geving per aangetekend schrijven aan de betrokken eigenaars en huurders. Tegen dit M.B. werd er door (de eisers) geen annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Evenmin hebben zij tijdens het openbaar onderzoek, dat in de periode augus¬tus-september 2001 door de stad Hasselt werd georganiseerd, enig bezwaarschrift ingediend. - De van openbaar nutverklaring wordt wettelijk gereglementeerd door de Gaswet van 12 april 1965 (zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1987), die tevens de rechten en verplichtingen van de houder van een gasvervoervergunning of -toelating nader omschrijft in haar artikelen 9 en volgende. Bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 wordt (de verweerster) gelijkgesteld met de in artikel 9 van de Gaswet bedoelde houder van een gasvervoervergunning of -toelating. De artikelen 3 en volgende van het voormeld besluit regelen specifiek inzake de oprichting en de exploitatie van rioolwaterzuiveringsinfrastructuren de voor een van openbaar nutverklaring te volgen procedure. Zoals ook reeds hoger werd aangehaald, hebben (de eisers) het M.B. van 1 maart 2002 niet aangevochten voor de Raad van State. Ook thans worden er dienaangaande geen opmerkingen geformuleerd, zodat er dan ook dient aanvaard te worden dat de procedure inzake de van openbaar nutverklaring van het project Hasselt - Collector 6 Stokrooie in casu cor¬rect is verlopen. Noch in de Gaswet, noch in het voormeld besluit worden de na een van openbaar nutverklaring uit te voeren werken afhankelijk gesteld van de voorafgaande instemming van de betrokken eigenaars of huurders. Evenmin wordt - ingeval van verzet tegen de inbezitneming van de gronden door de betrokken eigenaars of huurders - voorgeschreven dat er een bijko¬mende gerechtelijke machtiging vereist is, alvorens de werkzaamheden mo¬gen worden aangevat. Artikel 10 van de Gaswet bepaalt als enige voorwaarde voor het uitvoeren van de werken dat hiermee slechts een aanvang mag worden genomen minstens twee maanden na de notificatie aan de betrokken eigenaars of huurders. Deze verplichting tot notificatie wordt in casu tevens uitdrukkelijk voorgeschre¬ven door artikel 2, 6°, van het M.B. van 1 maart
- Er wordt niet betwist dat de werken in casu een aanvang hebben genomen in de loop van de maand augustus 2002, daar waar de voorafgaande notificatie aan (de eisers) reeds gebeurd was bij een afzonderlijk ter post aangetekend schrijven van 6 maart 2002, hetzij dus meer dan twee maanden voor de start der werkzaamheden. Aan de voorwaarden van artikel 10 van de Gaswet en artikel 2, 6°, van het M.B. van 1 maart 2002 werd derhalve voldaan. - De rechtbank stelt daarenboven vast dat de door (de eisers) bijgebrachte arresten van de Raad van State - voor zover zij kan nagaan - in hoofdzaak betrekking hebben op discussies inzake verklaringen van openbaar nut voor de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuren, waarbij de voorwaarden waaronder de installaties mochten worden opgericht, niet voorzagen in de verwerving en de onmiddellijke inbezitneming van de terreinen, daar waar zulks in casu uitdrukkelijk werd voorzien door artikel 2 van het M.B. van 1 maart 2002, zodat de door (de eisers) bijgebrachte rechtsspraak in casu niet rele¬vant is. - Artikel 2 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 bepaalt dat onverminderd de wettelijke reglementaire bepalingen van toepassing op de uit te voeren werken en de op te richten en te exploiteren rioolwaterzuive¬ringsinfrastructuur - tevens de algemene voorschriften en veiligheidsmaatre¬gelen door (de verweerster) in acht moeten worden genomen. Een en ander verklaart tevens waarom (de verweerster) voorafgaandelijk aan de door haar uit te voeren werken een bouwvergunning diende aan te vragen. (De eisers) leiden uit deze bouwaanvraag bijgevolg ten onrechte een impliciete erkenning door (de verweerster) af inzake het niet beschikken over een titel om tot parate uitvoering der werken over te gaan. - De kwestieuze bouwvergunning werd aan (de verweerster) afgeleverd ingevolge een beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 31 mei
- Terzake houden (de eisers) thans staande dat deze bouwvergunning onwettig zou zijn, reden waarom zij bij verzoekschrift van 9 september 2002 tevens een vorde¬ring tot nietigverklaring van deze bouwvergunning bij de Raad van State hebben ingesteld. Deze procedure is op heden nog steeds hangende bij de Raad van State en zal aldaar zijn beslag moeten kennen. Het komt niet aan deze rechtbank toe om zich de bevoegdheden van de Raad van State toe te eigenen en thans reeds een oordeel te vellen over de in het kader van de voornoemde procedure door (de eisers) aangehaalde grieven. Bovendien heeft het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State geen schorsende werking. Op dit ogenblik moet er derhalve - mede gelet op het principe van de scheiding der machten - nog steeds vanuit gegaan worden dat (de verweerster) over een geldige, voorafgaande bouwvergunning beschikte om over te gaan tot de uitvoering van de haar toevertrouwde werken. - Artikel 11 van de Gaswet bepaalt ten slotte uitdrukkelijk dat het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein bezet wordt, moet worden geëerbiedigd en dat deze bezetting generlei bezitsberoving meebrengt, maar een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut vormt. Vermits uit hetgeen voorafgaat, derhalve blijkt dat: - (de verweerster) - toen zij (gedeeltelijk) bezit nam van de terreinen van (de eisers) - een wettelijke opdracht uitvoerde; - er geen objectiveerbare aanwijzingen voorhanden zijn dat de door (de verweerster) gevolgde werkwijze niet in overeenstemming zou zijn geweest met de wettelijke reglementeringen terzake; - er geen wettelijke bepalingen voorliggen die ingeval van verzet door de betrokken eigenaars tegen de van openbaar nut verklaarde werken, voorschrij¬ven dat er een bijkomende gerechtelijke machtiging moet worden aange¬vraagd, alvorens een aanvang te nemen met de uitvoering der werkzaamhe¬den, - het M.B. van 1 maart 2002 in casu daarenboven expliciet een onmiddellijke inbezitneming van de betrokken gronden voorziet; is de rechtbank - in tegenstelling tot de eerste rechter - van oordeel dat (de verweerster) geen bijkomende uitvoerbare titel in rechte diende aan te vragen, alvorens over te gaan tot de uitvoering der werken op de eigendommen van (de eisers). Daarenboven bepaalt artikel 11 van de Gaswet (dat zoals hoger uiteengezet tevens van toepassing is op (de verweerster)) uitdrukkelijk dat de bezetting van private gronden tengevolge van werken, uitgevoerd na een van openbaar nutverklaring, geen bezitsberoving inhoudt. In de gegeven omstandigheden kan er in casu dan ook geen sprake zijn van enige feitelijkheden door (de verweerster) in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek. De door (de eisers) ingestelde reïntegranda, in zoverre gericht tegen (de verweerster), is derhalve ongegrond. Het hoger beroep van (de verweerster) ertoe strekkende de oorspronkelijke vor¬dering van (de eisers) ongegrond te verklaren, is bijgevolg gegrond. - De NV Kumpen werd na een openbare aanbesteding door (de verweerster) als aannemer gelast met de uitvoering der werkzaamheden. Het gegeven dat de NV Kumpen op de hoogte was van het feit dat (de eisers) ijverden voor een wijziging van het tracé der werken en zij niet akkoord waren met de feitelijke inbezitneming van hun terreinen, volstaat op zich geenszins opdat er in haren hoofde sprake zou kunnen zijn van een feitelijkheid in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek, temeer daar er niet betwist wordt dat de NV Kumpen heeft gehandeld in opdracht van (de verweerster) én zij de werken bovendien heeft uitgevoerd conform het lastenboek en de contractuele bepalingen van haar opdracht. De door (de eisers) ingestelde reïntegranda, in zoverre gericht tegen de NV Kumpen, is derhalve eveneens ongegrond. Het hoger beroep van de NV Kumpen ertoe strekkende de oorspronkelijke vordering van (de eisers) ongegrond te verklaren, is bijgevolg eveneens gegrond. (...)
- Het door (de verweerster) gevorderde voorbehoud Blijkens haar besluiten van 12 december 2003 vordert (de verweerster) thans voor het eerst in hoger beroep dat haar voorbehoud zou worden verleend tot het instellen van een vordering tot schadevergoeding lastens (de eisers)op grond van het feit dat: - het bestreden vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad was, voorzag in een herstel van de terreinen van (de eisers) in hun oorspronkelijke toestand binnen een termijn van twee maanden na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging; - (de eisers) het bestreden vonnis op 10 oktober 2003 aan beide de eiseressen in hoger beroep lieten betekenen; - de officiële brieven van haar raadsman aan de raadsman van (de eisers) inzake het tot stand brengen van een akkoord inzake de niet-uitvoering van de dwangsom indien de herstelwerkzaamheden niet binnen de door de eerste rechter bepaalde termijn zouden zijn uitgevoerd, zonder enige reactie zijn gebleven; - zij zich derhalve genoodzaakt zag om hangende de procedure in hoger beroep reeds alle voorbereidende werkzaamheden tot uitvoering van het bestre¬den vonnis op te starten. De oorspronkelijke vordering tot het verlenen van voorbehoud voor het instel¬len van een tegenvordering strekkende tot de veroordeling van (de eisers) tot betaling van alle kosten en boeten, door haar verschuldigd ingevolge de ver¬traging en/of stopzetting van de werkzaamheden te wijten aan het toedoen van (de eisers), ingesteld door (de verweerster) bij besluiten, neergelegd voor de eerste rechter op 11 september 2002, wordt in graad van beroep niet langer gehand¬haafd en is op dit ogenblik - na de sluiting der debatten - hoe dan ook zonder voorwerp. (De eisers) hebben niet geconcludeerd omtrent de (nieuwe) vordering tot het verlenen van voorbehoud, ingesteld door (de verweerster) bij beroepsbesluiten van 12 december
- De rechtbank bemerkt terzake geen ambtshalve op te werpen excepties van onbevoegdheid of onontvankelijkheid. Bij gebreke aan enige betwisting door (de eisers) wordt het door (de verweerster) gevorderde voorbehoud dan ook toegekend. De rechtbank wijst alle verdere en tegenstrijdige conclusies van partijen van de hand als zijnde ongegrond of niet ter zake dienend" (vonnis van 11 oktober 2004, pp. 3-12). In zijn tussenvonnis van 8 maart 2004 stelde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt ook vast, wat betreft de aan het geschil ten grondslag liggende fei¬ten: "1.
- Bij M.B. van 1 maart 2002 werd de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Hasselt, conform de bijgevoegde plannen, van openbaar nut verklaard. Bij een afzonderlijk aangetekend schrijven van 6 maart 2002 werd dit M.B. ge¬notificeerd aan (de eisers). 1.
- Bij schrijven van 7 maart 2002 liet (de verweerster) aan (de tweede eiser) weten dat de inplanting van de collector bepaald was volgens het advies van de afdeling Natuur, Bos en Groen. Bij schrijven van 14 maart 2002 lieten (de eisers) andermaal hun opmerkingen aan (de verweerster) kennen betreffende het geplande tracé der werken. 1.
- In de loop van augustus 2002 startte NV Kumpen -na een openbare aanbesteding- met de uitvoering van het project 20.182, in opdracht én voor rekening van (de verweerster). Bij faxbericht van 5 augustus 2002 gericht aan NV Kumpen verzetten (de eisers) zich andermaal tegen het tracé der werken en deelden zij mede dat zij terzake inmiddels een strafklacht bij de politie te Hasselt hadden neergelegd" (tussenvonnis van 8 maart 2004, p. 4). Grieven Eerste onderdeel De bezitsvordering reïntegranda, die wordt beheerst door de arti¬kelen 1370 en 1371 van het Gerechtelijk Wetboek, beoogt de handhaving van de openbare rust en beschermt de houder van een onroerend goed tegen stoornis of ontzetting in zijn bezit door geweld of feitelijkheden. Geweld of feitelijkheden zijn agressieve handelingen van eigenrichting, zodat de uitvoering van een vonnis of een andere uitvoerbare titel, geen onwettige feitelijkheid of bezitsstoornis oplevert die de toewijzing van de reïntegranda kan rechtvaardigen. De uitvoering van een recht, tegen de wil in van de schuldenaar, gepaard gaande met agressieve handelingen, zonder dat de schuldeiser beschikt over een uitvoerbare titel, vormt wel een "onwettige" feitelijkheid. Ingevolge het algemeen rechtsbeginsel inzake de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling (het vermoeden van wettigheid of het voorrecht van voorafgaande uitvoering), dat is afgeleid uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende de continuïteit van de openbare dienst, worden de¬finitieve administratieve beslissingen geacht in overeenstemming te zijn met het recht en verplichten zij de betrokken personen tot naleving. Dit vermoeden geldt zonder dat de overheid vooraf een beroep moet doen op de rechter om een bevestiging te bekomen van de wettigheid van de handeling. De dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling betekent niet dat de overheid, wanneer een particulier weigert een hem opgelegde verplichting na te komen, zelf tot materiële gedwongen uitvoering kan overgaan, of laten overgaan door de begunstigde van de administratieve rechtshandeling, zonder voorafgaand beroep op de rechter om een uitvoerbare titel te bekomen. De administratieve rechtshandelingen genieten slechts onder bepaalde voorwaarden van het voorrecht van ambtshalve uitvoerbaarheid, ook het voorrecht van parate tenuitvoerlegging genoemd, dat de gedwongen materiële uitvoering, zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst en tegen het verzet in van de betrokken burger, toelaat, en dat, zoals het voorrecht van voorafgaande uitvoering, wordt gerechtvaardigd door het algemeen belang, en inzonderheid de continuïteit van de openbare dienst. Het voorrecht van ambtshalve uitvoerbaarheid bestaat slechts in zoverre de wetgever dit uitdrukkelijk heeft voorzien. Deze regel vindt mede steun in artikel 105 van de Grondwet, naar luid waarvan de Koning geen andere macht heeft dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen, in artikel 108 van de Grondwet, naar luid waarvan de Koning de verordeningen maakt en de besluiten neemt die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen, in artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, naar luid waarvan de (Vlaamse) Regering geen an¬dere macht heeft dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen, en in arti¬kel 20 van voornoemde bijzondere wet van 8 augustus 1980, naar luid waarvan de (Vlaamse) Regering de verordeningen maakt en de besluiten neemt die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, zonder ooit de decreten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. Buiten een uitdrukkelijke wettelijke machtiging tot ambtshalve tenuitvoerlegging, kan de overheid slechts overgaan tot ambtshalve uitvoering bij weigering van de betrokken burger, wanneer dit de enige mogelijkheid is gelet op de noodzaak en hoogdringendheid van de maatregel. De verweerster, de NV Aquafin, heeft, luidens artikel 32septies, §2, van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, als wettelijke opdracht ondermeer de uitvoering van nieuwe rioolwaterzuiverings-infrastructuur, inzonderheid rioolwaterzuiveringsin¬stallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen, conform het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma, en de exploitatie van deze installaties. Om de vervulling van haar opdracht toe te laten zijn op de verweerster, luidens artikel 32octies, §3, van de Wet van 26 maart 1971 op de be¬scherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 houdende vaststel¬ling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de NV Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen veront¬reiniging, de rechten en verplichtingen van toepassing zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. In toepassing van artikel 10 van de Gaswet kunnen derhalve aan de verweerster bijzondere rechten toegekend worden voor het gebruik van pri¬vate gronden "die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen", voor de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastruc¬tuur. Hiertoe dient de verweerster, overeenkomstig artikel 3, §1, van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991, een aanvraag te rich¬ten tot de Gemeenschapsminister bevoegd voor leefmilieu. De door de minister verleende verklaring van openbaar nut geeft de begunstigde van de verklaring, krachtens het uitdrukkelijk voorschrift van artikel 10, tweede lid, van de Gaswet, "het recht gasvervoerinstallaties op te richten onder, op of boven deze private gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in die verklaring zijn genoemd". Luidens artikel 10, derde lid, van de Gaswet, mag met de uitvoe¬ring van de werken "eerst een aanvang worden gemaakt twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij ter post aangetekend schrijven" (artikel 10, derde lid, Gaswet). Uit voormelde voorschriften vloeit derhalve voort dat de verweerster rechten kan bekomen op private gronden, en dat deze rechten, ingevolge de dwingende kracht van de verklaring van openbaar nut, zich aan de eigenaars en andere titularissen van rechten op de getroffen gronden opdringen zonder een voorafgaande rechterlijke tussenkomst. Noch de hiervoor vermelde voorschriften van de Gaswet, noch de Oppervlaktewaterenwet die de Gaswet van toepassing verklaart op de verweerster, noch enige andere wettelijke bepaling, verlenen evenwel machtiging tot ambtshalve uitvoering, zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst, wanneer de bezitters van de getroffen gronden, zoals te dezen de eisers, zich verzetten tegen de uitvoering van de werken op hun gronden. Het bestreden vonnis oordeelt dat, anders dan door de eerste rechter beslist en door de eisers aangevoerd, "(de verweerster) geen bijkomende uitvoerbare titel in rechte diende aan te vragen alvorens over te gaan tot de uitvoering der werken op de eigendommen van (de eisers)", en besluit "(dat) in de gegeven omstandigheden er in casu dan ook geen sprake (kan) zijn van enige feitelijkheden". Hierbij steunt het bestreden vonnis op de overweging "(dat) er geen wettelijke bepalingen voorliggen die ingeval van verzet door de betrokken eigenaars tegen de van openbaar nut verklaarde werken, voorschrijven dat er een bijkomende gerechtelijke machtiging moet worden aangevraagd, alvorens een aanvang te nemen met de uitvoering der werkzaamheden". Aangezien een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift vereist is opdat, ondanks het verzet van de bezitter van de gronden, de werken zouden kunnen uitgevoerd worden op deze gronden door de begunstigde van de verklaring van openbaar nut in de zin van artikel 10 van de Gaswet, de verklaring van openbaar nut bij ministerieel besluit geen uitvoerbare titel vormt die gedwongen uitvoering toelaat, en het bestreden vonnis ook niet aanneemt dat te dezen uitzonderlijke omstandigheden voorhanden waren die wegens hoogdringendheid de ambtshalve uitvoering van de werken, tegen de wil in van de eisers, konden verantwoorden, kon het bestreden vonnis niet wettig, op grond van voornoemde overweging, oordelen dat de verweerster geen bijkomende uit¬voerbare titel diende te bekomen alvorens de werken uit te voeren, en dat de verweerster, door ondanks het formeel verzet van eisers tegen de inbezitname van hun terrein en de aanleg van de collector dwars over hun terreinen, de werken uit te voeren, zich niet schuldig maakte aan een feitelijkheid in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek (schending van de artikelen 105 en 108 van de gecoördineerde Grondwet, de artikelen 20 en 78 van de bijzon¬dere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 32septies, §2 en 32octies, §3, van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, artikel 10 van de van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de NV Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de algemene rechtsbeginselen inzake de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling en het voorrecht van ambtshalve uitvoer¬baarheid, die zijn afgeleid uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende de con¬tinuïteit van de openbare dienst evenals laatstgenoemd algemeen rechtsbe¬ginsel). De overige omstandigheden, aangenomen door het bestreden vonnis, dat de verweerster, toen zij gedeeltelijk bezit nam van de terreinen van de eisers, een wettelijke opdracht uitvoerde, dat er geen objectiveerbare aanwij¬zingen voorhanden zijn dat de door de verweerster gevolgde werkwijze niet in overeenstemming zou zijn geweest met de wettelijke reglementeringen terzake, dat het ministerieel besluit van 1 maart 2002 daarenboven expliciet een onmiddellijke inbezitneming van de betrokken gronden voorziet, en dat de eisers geen annulatieberoep instelden tegen dit ministerieel besluit, doen om de hiervoren aangehaalde redenen aan voormelde onwettigheid geen afbreuk (schending van dezelfde bepalingen en dezelfde algemene rechtsbeginselen). Om de in dit onderdeel aangevoerde redenen kon het bestreden vonnis evenmin wettig "alle verdere en tegenstrijdige conclusies" van de eisers "van de hand wijzen als zijnde ongegrond of niet ter zake dienend", in zoverre hierin werd aangevoerd dat de verweerster niet kon genieten van een parate uit¬voerbaarheid (zie o.m. eerste beroepsbesluiten van de eisers p. 6) (schending van dezelfde bepalingen en dezelfde algemene rechtsbeginselen). Minstens komt de rechtbank aldus tekort aan haar motiveringsverplichting door na te laten de redenen op te geven, waarop zij haar beslissing stoelt (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en stelt zij het Hof in de onmogelijkheid haar wettigheidscontrole terzake uit te oefenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel Voor zover, naar het oordeel van het Hof, het bestreden vonnis niet aldus kan uitgelegd worden dat het de verklaring van openbaar nut als een afdoende uitvoerbare titel beschouwt die het bestaan van een feitelijkheid, en dus eigenrichting, belet, quod non, is het om hiernavolgende redenen, evenmin naar recht verantwoord. De houder van een onroerend goed die de bezitsvordering reïnte¬granda, die de handhaving van de openbare rust beoogt, instelt, moet, over¬eenkomstig artikel 1370, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, enkel bewijzen dat hij met geweld of feitelijkheden in zijn bezit werd gestoord of uit zijn bezit werd ontzet, en dat minder dan één jaar verlopen is sinds het geweld of de feitelijkheden. Bij toepassing van artikel 1371, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek mogen bezitsvordering en eigendomsvordering niet worden ver¬mengd, zodat het de rechter die over de bezitsvordering uitspraak moet doen, verboden is zijn beslissing te laten steunen op motieven die hij uit de grond van het recht haalt. Uit het bestreden vonnis blijkt dat de vordering van de eisers ertoe strekte een einde te maken aan een feitelijkheid, te weten de inbezitname van de terreinen van de eisers voor de aanleg van een rioolcollector dwars over hun percelen ondanks hun formeel verzet en zonder gerechtelijke tussenkomst, en de verweerster te horen veroordelen tot wegname van de collector op straffe van een dwangsom. Zoals vastgesteld door het bestreden vonnis werd tussen partijen niet betwist dat de vordering van de eisers een bezitsvordering is, inzonderheid een reïntegranda, gesteund op artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek. Zoals ook vastgesteld in het bestreden vonnis voerden de eisers voor de appelrechters aan dat "het bestaan van feitelijkheden, ongeacht of deze ‘licite' (vrij vertaald: wettig) dan wel ‘illicite' (vrij vertaald: onwettig) zijn, volstaat voor het instellen van een bezitsvordering in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek" (vonnis p. 6, tweede alinea; eerste beroepsbesluiten de eisers, p. 4, onderaan en p. 5, bovenaan). Het bestreden vonnis neemt aan, of sluit minstens niet uit, dat, zoals ook door de eisers in conclusie aangevoerd, in opdracht van de verweerster werken werden uitgevoerd op de percelen van de eisers ondanks hun "formeel verzet" en dat de eisers "niet akkoord waren met de feitelijke inbezitneming van hun terreinen" (vonnis p. 7, vierde alinea, p. 8, voorlaatste alinea, p. 10, voorlaatste alinea, p. 11, vijfde alinea). Het bestreden vonnis besluit dat, in de gegeven omstandigheden, de verweerster "geen bijkomende uitvoerbare titel in rechte diende aan te vra¬gen", en dat te dezen "geen sprake (kan) zijn van enige feitelijkheden door (de verweerster) in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek", om re¬denen die verband houden met de grond van het recht, inzonderheid; - de verklaring van openbaar nut bij ministerieel besluit nr. 20182 van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 - genomen in uitvoering van artikel 10 van de Gaswet, en artikel 3 en volgende van het besluit van 20 maart 1991 van de Vlaamse Executieve houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de NV Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de be¬scherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging- waarin "de verwerving en de onmiddellijke inbezitneming van de terreinen", waaronder de percelen van de eisers, waarop de installaties zullen opgericht worden, ten gunste van de verweerster is voorzien; - de eerbiediging van de voorwaarden gesteld door artikel 10 van de Gaswet en artikel 2, 6°, van het ministerieel besluit nr. 20182 van de Vlaamse Rege¬ring van 1 maart 2002; - de voorafgaande bouwvergunning waarover de verweerster beschikt voor de uitvoering van de werken; - het voorschrift van artikel 11 van de Gaswet. Door aldus de reïntegranda ongegrond te verklaren om redenen die betrekking hebben op het recht van verweerster tot "verwerving en de onmiddellijke inbezitneming van de terreinen", vermengt het bestreden vonnis de bezits- en de eigendomsvordering, en kon het derhalve niet wettig besluiten tot afwezigheid van "enige feitelijkheid', en tot de ongegrondheid van de reïn¬tegranda (schending van de artikelen 1370 en 1371 van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel De reïntegranda beoogt, luidens artikel 1370, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, de bescherming van het bezit tegen stoornis of ontzetting door geweld of feitelijkheden. Feitelijkheden, in de zin van artikel 1370, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn agressieve handelingen die een bezitsstoornis vor¬men. De uitvoering van werken op andermans erf tegen het formeel verzet in van de bezitter van het erf en de afwezigheid van zijn akkoord met de feitelijke inbezitneming van het erf, vormt een feitelijkheid in de zin van artikel 1370, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het volstaat dat de handeling die de bezitstoornis vormt, zodanig is dat de dader weet of moet weten dat de tegenpartij, houder van het getrof¬fen erf, er nooit vrijwillig mee zou instemmen. Het bestreden vonnis neemt aan, of sluit minstens niet uit, dat, zoals ook door de eisers in conclusie aangevoerd (o.m. eerste beroepsbesluiten p. 5, derde en laatste alinea), in opdracht van de verweerster werken werden uitgevoerd op de percelen van de eisers -aanleg van een rioolcollector dwars over hun perceel- ondanks hun "formeel verzet" en dat de eisers "niet akkoord waren met de feitelijke inbezitneming van hun terreinen" (vonnis p. 7, vierde alinea, p. 8, voorlaatste alinea, p. 10, voorlaatste alinea, p. 11, vijfde alinea). De omstandigheid, zoals door het bestreden vonnis benadrukt, dat noch in de Gaswet, noch in het ministerieel besluit nr. 20182 van 1 maart 2002, de na een van openbaar nut verklaring uit te voeren werken afhankelijk worden gesteld van de voorafgaande instemming van de betrokken eigenaars of huurders, sluit evenwel het bestaan van een bezitsstoornis en een feitelijk¬heid, in de zin van artikel 1370, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, niet uit, wanneer, zoals te dezen, de uitvoering van de werken op het erf van de getroffen bezitters, de eisers, tegen hun uitdrukkelijke en formele wil in, gebeurt. Door derhalve, ondanks het vastgestelde- of minstens door het bestreden vonnis niet uitgesloten formeel verzet van de eisers, het bestaan van een feitelijkheid te verwerpen, miskent het bestreden vonnis artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek. Om dezelfde redenen kon het vonnis niet wettig "alle verdere en tegenstrijdige conclusies" van de eisers "van de hand wijzen als zijnde ongegrond of niet ter zake dienend", in zoverre deze eisers uitdrukkelijk verzet tegen de werken aanvoerden (schending van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek). Minstens komt de rechtbank aldus tekort aan haar motiveringsver¬plichting door na te laten de redenen op te geven, waarop zij haar beslissing stoelt (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en stelt zij het Hof in de onmogelijkheid haar wettigheidscontrole terzake uit te oefenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Vierde onderdeel De reïntegranda beoogt, overeenkomstig artikel 1370, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, de bescherming van het bezit tegen stoornis of ontzetting door geweld of feitelijkheden. Feitelijkheden, in de zin van artikel 1370, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn agressieve handelingen die een bezitsstoornis vor¬men. Artikel 11, eerste lid, van Gaswet bepaalt: "Het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein dat gedeeltelijk wordt bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd. Deze bezetting brengt generlei bezitsberoving mee, maar vormt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de gasvervoerinstallatie of de exploitatie ervan kan schaden". Artikel 11, tweede lid, van dezelfde wet bepaalt: "De eigenaar van het private erf dat met deze erfdienstbaarheid is bezwaard, kan binnen de termijn door de Koning bepaald, aan de minister tot wiens bevoegdheid de energie behoort, laten weten dat hij aan de gerechtigde op de erfdienstbaar¬heid vraagt het bezette terrein aan te kopen". Het eerste lid van genoemd artikel 11 betreft, volgens de uit¬drukkelijke bewoordingen ervan, enkel "het openbaar of privaat domein", zijnde de eigendom van de overheid, of die nu, in toepassing van de artikelen 537 en 538 van het Burgerlijk Wetboek, al dan niet bij een uitdrukkelijke of im¬pliciete beslissing van de bevoegde overheid bestemd is voor het gebruik van allen, zonder onderscheid van personen, terwijl het tweede lid "de private erven" betreft, zijnde de eigendommen van private personen. Het onderscheid dat aldus wordt gemaakt tussen openbaar do¬mein en privaat domein, enerzijds, en private erven, anderzijds, wordt ook be¬vestigd door andere voorschriften van de Gaswet, inzonderheid artikel 16, in fine, naar luid waarvan "de Koning ook de schaal (bepaalt) van de maximum-retributies die de Staat, de provincie of de gemeente, overeenkomstig artikel 13, als vergoeding voor de bezetting van zijn openbaar of privaat domein mag heffen, alsmede de schaal van de minimumuitkeringen die krachtens hetzelfde artikel aan private personen verschuldigd zijn". Het artikel 13 van de Gaswet waarnaar wordt verwezen, betreft de verplichting van de gerechtigde op de erfdienstbaarheid om een vergoeding te betalen "aan de eigenaar van het erf dat met deze erfdienstbaarheid bezwaard is of aan hen die de werkelijke rechten bezitten welke aan dit erf verbonden zijn". Het bestreden vonnis besluit te dezen tot afwezigheid van "enige feitelijkheid door (de verweerster) in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek", mede rekening houdende met de omstandigheid "(dat) artikel 11 van de Gaswet (...) uitdrukkelijk (bepaalt) dat de bezetting van private gronden tengevolge van werken, uitge¬voerd ná een van openbaar nutverklaring, geen bezitsberoving inhoudt' (vonnis p. 10, laatste alinea; onderlijning door ondergetekende). Aldus miskent het bestreden vonnis het voorschrift van artikel 11 van de Gaswet, dat inzake de afwezigheid van "bezitsberoving", alleen mel¬ding maakt van het openbaar en privaat domein, doch niet van private erven, zoals te dezen de erven van de eisers (schending van artikel 11 van de Gaswet), en kon dienvolgens, mede op grond van dit voorschrift, ook niet wettig besluiten tot de afwezigheid van enige feitelijkheid in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek (schending van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek). Om dezelfde redenen kon het vonnis niet wettig "alle verdere en tegenstrijdige conclusies" de van de eisers "van de hand wijzen als zijnde ongegrond of niet ter zake dienend", in zoverre deze het beperkte toepassingsgebied van artikel 11 van de Gaswet aanvoerden (zie eerste beroepsbesluiten de eisers, p. 10, onderaan) (schending van dezelfde wetsbepaling). Minstens komt de rechtbank aldus tekort aan haar motiveringsverplichting door na te laten de redenen op te geven, waarop zij haar beslissing stoelt (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en stelt zij het Hof in de onmogelijkheid haar wettigheidscontrole terzake uit te oefenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Vijfde onderdeel Zelfs indien, naar het oordeel van het Hof, het bestreden vonnis in de gegeven omstandigheden, toch wettig kon oordelen dat artikel 11 (eerste lid) van de Gaswet te dezen van toepassing is, quod non, dan nog kon het niet wettig, mede op grond van deze wetsbepaling, het bestaan van een feitelijk¬heid, in de zin van artikel 1370, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwerpen. De "feitelijkheden", in de zin van artikel 1370, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn agressieve handelingen die een bezitsstoornis vor¬men, en moeten in feite beoordeeld worden door de rechter. De omstandigheid dat artikel 11, eerste lid, van de Gaswet in rechte bepaalt dat "(de) bezetting generlei bezitsberoving (meebrengt)", wat betekent dat de bezetting geen aanleiding kan geven tot eigendomsaanspra¬ken, sluit geenszins uit dat in feite de uitvoering van de werken op de erven van eisers en de plaatsing van een rioolcollector over hun erf, een feitelijk¬heid vormt doordat zij gepaard ging met agressieve handelingen die eisers' bezit stoorden. Door derhalve zijn beslissing te gronden op een beoordeling in rechte van de uitgevoerde werken op grond van artikel 11 van de Gaswet, in plaats van een beoordeling in feite van de werken uitgevoerd op de erven van de eisers, miskent het bestreden vonnis artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien blijkt uit het duidelijk voorschrift van artikel 1370, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, dat het voor de toepassing van de bezits¬vordering reïntegranda volstaat te bewijzen dat "(een) stoornis of ontzetting van bezit veroorzaakt is door geweld of feitelijkheden". De enkele omstandigheid dat er geen "ontzetting" of "bezitsbero¬ving" is, zonder ook het bestaan van een "bezitsstoornis" uit te sluiten, laat niet toe om de reïntegranda wettig te verwerpen. Uit het bestreden vonnis blijkt dat eisers zich, ter staving van hun reïntegranda, beriepen op een "bezitsstoornis" (vonnis p. 3, voorlaatste ali¬nea). De omstandigheid, door het bestreden vonnis aangenomen, dat luidens artikel 11 van de Gaswet de bezetting "van private gronden" na een van openbaar nut verklaring, "geen bezitsberoving inhoudt', volstaat dan ook geenszins om de reïntegranda op wettige wijze als ongegrond te verwer¬pen, nu hierdoor niet wordt vastgesteld en ook niet wordt uitgesloten, dat de uitvoering van de litigieuze werken op de erven van eisers een "bezitsstoor¬nis" vormt in de zin van artikel 1370, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (schending van artikel 1370 Gerechtelijk Wetboek). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de reïntegranda als bezitsvordering die de handhaving van de openbare rust beoogt, worden ingesteld door elke houder van een onroerend goed of door elke titularis van een zakelijk onroerend recht, wiens genot door geweld of door een feitelijkheid wordt gestoord. De bezitsstoornis bedoeld in die wetsbepaling kan een ontzetting van het bezit tot gevolg hebben op voorwaarde dat ze gepaard gaat met de gehele of gedeeltelijke inbezitneming van andermans eigendom.
- Krachtens artikel 32octies, §3, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, zijn op de vennootschap die wordt belast met de aanleg van onder meer nieuwe rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, inzonderheid rioolwaterzuiveringsinstallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen, bij de vervulling van de haar in toepassing van die wet toevertrouwde taken, de rechten en verplichtingen van toepassing zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.
- Krachtens het besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de nv Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, dient voor de toepassing van de bepalingen van artikel 32octies, §3, van de voornoemde wet, onder de in artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen bedoelde houder van een toelating en toelatingsakte verstaan, de op 25 april 1990 opgerichte nv Aquafin respectievelijk de op 11 januari 1991 door de partijen ondertekende overeenkomst tussen het Vlaams Gewest en de nv Aquafin alsmede de in uitvoering van deze overeenkomst aan deze vennootschap opgedragen investeringsprogramma's.
- Krachtens artikel 10, eerste lid, van de voornoemde wet van 12 april 1965 juncto artikel 32octies, §3, van de voornoemde wet van 26 maart 1971, kan de Vlaamse Regering, na onderzoek, het oprichten van een rioolwaterzuiverings-infrastructuur onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedebouwverordeningen, van openbaar nut verklaren.
- Krachtens artikel 10, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 juncto artikel 32octies, §3, van de wet van 26 maart 1971, verleent deze verklaring van openbaar nut aan de nv Aquafin het recht rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op te richten onder, op of boven deze private gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in de verklaring zijn genoemd.
- Krachtens artikel 10, derde lid, van de wet van 12 april 1965 juncto artikel 32octies, §3, van de wet van 26 maart 1971, mag met de uitvoering van de werken eerst een aanvang worden gemaakt twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij een ter post aangetekende brief.
- Krachtens artikel 11 van de wet van 12 april 1965 juncto artikel 32octies, §3, van de wet van 26 maart 1971, moet het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein is bestemd, worden geëerbiedigd. Deze bezetting brengt generlei bezitsberoving mee, maar vormt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur of de exploitatie ervan kan schaden.
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 blijkt dat de verklaring van openbaar nut tot gevolg heeft dat de begunstigde gemachtigd wordt om privé-gronden te gebruiken voor de aanleg van leidingen. De wetgever heeft in dit juridische procédé voorzien omdat hij zich realiseerde dat het niet steeds mogelijk is om een akkoord in der minne te bereiken indien het tracé door private eigendommen loopt en hij aan deze mogelijke belemmering voor de aanleg van leidingen wou verhelpen.
- Het artikel 10 van de wet van 12 april 1965 verleent aldus aan de begunstigde van een verklaring van openbaar nut machtiging om na het verkrijgen van die verklaring en van de eventueel noodzakelijke vergunningen en mits het respecteren van de termijn van de kennisgeving aan de betrokken eigenaar, de rechten uit te oefenen die verbonden zijn aan de wettelijke erfdienstbaarheid. Aan deze wetsbepaling ontleent de begunstigde van een verklaring van openbaar nut het recht, om zelfs bij verzet van de betrokken eigenaar, de werken uit te voeren die verband houden met de uitoefening van de wettelijke erfdienstbaarheid. Het onder die voorwaarden uitvoeren van werken door de begunstigde van een verklaring van openbaar nut heeft niet tot gevolg dat de eigenaar, die de erfdienstbaarheid moet dulden, door geweld of door een feitelijkheid wordt ontzet uit zijn bezit.
- Het onderdeel berust op de veronderstelling dat de werken die op grond van een verklaring van openbaar nut door verweerster worden uitgevoerd, leiden tot een ontzetting van het bezit in hoofde van de eigenaars van de gronden waarop de werken worden uitgevoerd, zodat zij met een bezitsvordering kunnen worden aangevochten. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- De appelrechters oordelen dat: - noch in de Gaswet, noch in het besluit (van de Vlaamse executieve) de na een van openbaar nutverklaring uit te voeren werken afhankelijk gesteld worden van de voorafgaande instemming van de betrokken eigenaars en huurders; - evenmin - ingeval van verzet tegen de inbezitneming van de gronden door de betrokken eigenaars of huurders- wordt voorgeschreven dat er een bijkomende gerechtelijke machtiging vereist is, alvorens de werkzaamheden mogen worden aangevat; - de verweerster geen bijkomende uitvoerbare titel in rechte diende aan te vragen, alvorens over te gaan tot de uitvoering der werken op de eigendommen van de eisers.
- Zij verwerpen en beantwoorden aldus, zonder enige onduidelijkheid, het in het onderdeel bedoelde verweer dat de verweerster niet kan genieten van een parate uitvoerbaarheid. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- De appelrechters wijzen de door de eisers ingestelde bezitsvordering af op grond van artikel 11 van de wet van 12 april
- Die zelfstandige in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde reden draagt de beslissing. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat ook het derde onderdeel vertrekt van de verkeerde veronderstelling dat de handelingen die gesteld worden in uitvoering van een verklaring van openbaar nut een "feitelijkheid" uitmaken in de zin van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- De appelrechters verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoelde verweer met de in het middel weergegeven motivering en laten aldus toe de wettigheid van hun beslissing te onderzoeken. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Krachtens artikel 10, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 juncto artikel 32octies, §3, van de wet van 26 maart 1971, verleent deze verklaring van openbaar nut aan de nv Aquafin het recht rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op te richten onder, op of boven deze private gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in de verklaring zijn genoemd.
- Krachtens artikel 10, derde lid, van de wet van 12 april 1965 juncto artikel 32octies, §3, van de wet van 26 maart 1971, mag met de uitvoering van de werken eerst een aanvang worden gemaakt twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij een ter post aangetekende brief.
- Krachtens artikel 11, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 juncto artikel 32octies, §3, van de wet van 26 maart 1971, moet het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein is bestemd, worden geëerbiedigd. Deze bezetting brengt generlei bezitsberoving mee, maar vormt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur of de exploitatie ervan kan schaden. Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling, kan de eigenaar van het private erf dat met deze erfdienstbaarheid is bezwaard, binnen de termijn door de Vlaamse Regering bepaald, aan de Minister tot wiens bevoegdheid de aanleg van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur behoort, laten weten dat hij aan de gerechtigde op de erfdienstbaarheid vraagt het bezette terrein aan te kopen.
- Uit de samenhang van deze wetsbepalingen blijkt dat de wetgever met het gebruik van het begrip "privaat domein" in artikel 11 van de wet van 12 april 1965, niet enkel verwijst naar het privaat domein van de overheid maar ook de private erven van burgers op het oog had. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- De appelrechters verwerpen en beantwoorden, zonder enige onduidelijkheid, het in het onderdeel bedoelde verweer met de overweging dat "artikel 11 van de Gaswet uitdrukkelijk bepaalt dat de bezetting van private gronden tengevolge van werken, uitgevoerd na een van openbaar nutverklaring, geen bezitsberoving inhoudt". In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
- De eisers hebben voor de feitenrechter niet aangevoerd dat de verweerster bij de uitvoering van de werken buiten de perken is getreden van de verklaring van openbaar nut of van de wettelijke erfdienstbaarheid.
- Het onderdeel is nieuw in zoverre het aan het bestreden vonnis verwijt dat het heeft nagelaten om het al dan niet bestaan van een feitelijkheid in feite te beoordelen.
- De eisers hebben voor de feitenrechter niet het bestaan aangevoerd van een bezitsstoornis die niet gepaard ging met een ontzetting van bezit.
- Het onderdeel is nieuw in zoverre het aan het bestreden vonnis verwijt dat het niet wettig de door de eisers ingestelde reïntegranda kon verwerpen op grond van de afwezigheid van een bezitsberoving zonder tevens ook het bestaan van een bezitsstoornis uit te sluiten.
- Het onderdeel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 515,81 euro jegens de eisende partijen en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 28 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div