id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.18 Rolnummer: P.07.1782.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-04-16 Raadplegingen: 769 - laatst gezien 2026-07-03 15:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De feitenrechter heeft geen rechtsmacht zich uit te spreken over de rechtsgeldigheid van de beslissingen van de onderzoeksgerechten die oordelen over de verwijzing en de regelmatigheid van de rechtspleging; de feitenrechter naar wie een beklaagde verwezen is, kan enkel het bestaan van de verwijzingsbeschikking vaststellen. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BEROEPSUITOEFENINGSVERBOD Vrije woorden: Beslissing van het onderzoeksgerecht - Feitenrechter - Rechtsmacht ten aanzien van de beslissingen van de onderzoeksgerechten Fiche 2 De rechtsmacht van het Hof van cassatie is in de regel beperkt tot het onderzoek van de wettigheid van de hem voorgelegde rechtspleging, dit is het bestreden arrest; wanneer het cassatieberoep enkel tegen het eindarrest is ingesteld, heeft het Hof bijgevolg geen rechtsmacht te oordelen over de regelmatigheid van de verwijzingsbeschikking en, in hoger beroep daartegen, van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BEROEPSUITOEFENINGSVERBOD Vrije woorden: Cassatieberoep beperkt tot het eindarrest - Bevoegdheid van het Hof ten aanzien van de beslissingen van de onderzoeksgerechten Fiches 3 - 4 Wanneer de akte van betekening van een strafrechtelijke beslissing aan de laatst gekende woonplaats van een beklaagde in het buitenland terugkomt met de melding dat de geadresseerde op dat adres onbekend is, geschiedt de betekening overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek rechtsgeldig aan de procureur des Konings; in dat geval is het openbaar ministerie niet verplicht een onderzoek te doen naar het nieuwe adres in het buitenland van de beklaagde. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BEROEPSUITOEFENINGSVERBOD Vrije woorden: Betekening aan de laatst gekende woonplaats - Melding dat geadresseerde onbekend is op het adres - Betekening aan de procureur des Konings - Verplichting van het openbaar ministerie Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BEROEPSUITOEFENINGSVERBOD Vrije woorden: Strafzaken - Verstekbeslissing - Betekening aan de laatst gekende woonplaats in het buitenland - Melding dat geadresseerde onbekend is op het adres - Betekening aan de procureur des Konings - Verplichting van het openbaar ministerie Fiches 5 - 6 Het verbod om bepaalde functies, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, bepaald bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, was vroeger een ontzetting bij wijze van veiligheidsmaatregel, maar is thans, sinds de wijziging bij wet van 2 juni 1998, een ontzetting bij wijze van bijkomende straf en kan derhalve enkel worden opgelegd voor feiten gepleegd na de inwerkingtreding van voornoemde wet
(1).
(1)Cass., 17 mei 2005, AR P.04.1571.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2, A.C., 2005, nr 282 met concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BEROEPSUITOEFENINGSVERBOD Vrije woorden: Werking in de tijd - Strafzaken - Artikel 1, K.B. nr 22 van 24 okt. 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Algemeen rechtsbeginsel Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BEROEPSUITOEFENINGSVERBOD Vrije woorden: Artikel 1, K.B. nr 22 van 24 okt. 1934 - Beroepsverbod - Wetswijziging - Omzetting van het verbod van rechtswege in een facultatief verbod waarvan de strafrechter de duur bepaalt - Aard van het gewijzigde verbod - Nieuwe bijkomende straf - Veroordeling - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Algemeen rechtsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. P.07.1782.N D G T D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Fernand Moeykens, advocaat bij de balie te Brugge, ter rechtszitting bijgestaan door mr Nele Byvoet, advocaat bij de balie te Brugge, voor mr Moeykens, tegen
- CLAEYS-VERHELST nv, met zetel te 8460 Oudenburg, Stationstraat 56, burgerlijke partij,
- D C, burgerlijke partij,
- INFOCO nv, met zetel te 1500 Halle, Steenweg op Edingen 196, burgerlijke partij,
- Viviane MISSOULT, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van Visitronics nv, met zetel te 3000 Leuven, Diestsevest 43, burgerlijke partij,
- ERES nv, met zetel te 8500 Kortrijk, Brugsesteenweg 255, B1, burgerlijke partij,
- RUTTEN nv, met zetel te 8500 Kortrijk, Brugsesteenweg 255, B1, burgerlijke partij,
- ISOREX nv, met zetel te 9890 Gavere, Stationstraat 3, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier grieven aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste grief
- De grief voert de nietigheid van de strafvordering en miskenning van eisers recht van verdediging aan: - de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek was van toepassing op het ogenblik van eisers verwijzing naar de correctionele rechtbank door de raadkamer maar werd door de raadkamer en, in hoger beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling, niet toegepast; - zowel de feitenrechter als het Hof hebben de opdracht de regelmatigheid van de rechtspleging na te gaan, ook deze voor de onderzoeksgerechten; - het arrest oordeelt ten onrechte dat het hof van beroep niet gerechtigd is de wettigheid van de beslissing van het onderzoeksgerecht te beoordelen; - de niet-toepassing van de voormelde wet heeft de nietigheid van de strafvordering voor gevolg en levert een miskenning van eisers recht van verdediging op.
- Anders dan waarvan de grief uitgaat, heeft de feitenrechter geen rechtsmacht zich uit te spreken over de rechtsgeldigheid van de beslissingen van de onderzoeksgerechten die oordelen over de verwijzing en de regelmatigheid van de rechtspleging. De feitenrechter naar wie een beklaagde verwezen is, kan enkel het bestaan van de verwijzingsbeschikking vaststellen. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De rechtsmacht van het Hof is in de regel beperkt tot het onderzoek van de wettigheid van de hem voorgelegde rechtspleging, dit is hier het bestreden arrest. Wanneer het cassatieberoep enkel tegen het eindarrest is ingesteld, heeft het Hof bijgevolg geen rechtsmacht te oordelen over de regelmatigheid van de verwijzingsbeschikking en, in hoger beroep daartegen, van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling. In zoverre faalt het middel evenzeer naar recht.
- De omstandigheid dat het arrest de rechtspleging niet nietig verklaart, levert geen miskenning van eisers recht van verdediging op. Die beslissing heeft de eiser immers de mogelijkheid niet ontnomen zowel voor de eerste rechter als voor de appelrechter bijkomende onderzoeksplichten te vorderen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede grief
- De grief voert schending aan van de artikelen 6.3.b EVRM en 14.3 IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser heeft beschikt over de nodige tijd om zijn verdediging voor te bereiden.
- In antwoord op een daartoe strekkende conclusie van de beklaagde oordeelt de rechter onaantastbaar of de beklaagde, rekening houdende met de hele duur van de rechtspleging, voldoende tijd heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden.
- De grief die opkomt tegen dit oordeel of het Hof verplicht tot een onderzoek van feitelijke gegevens waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk. Derde grief
- De grief voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de bewezen verklaarde feiten niet verjaard zijn: het verstekarrest van 16 februari 2004 werd op een onjuist adres te Londen betekend en later ten onrechte aan de procureur des Konings te Gent, zodat de buitengewone termijn van verzet tegen dit arrest niet kon starten en de verjaring tijdens die termijn niet rechtsgeldig kon geschorst zijn tot 2 april 2007, datum waarop tegen dit arrest verzet werd gedaan.
- In zoverre hij aanvoert dat eisers adres gekend was bij de ambassade te Londen, verplicht de grief het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is de grief niet ontvankelijk.
- Wanneer de akte van betekening van een strafrechtelijke beslissing aan de laatste gekende woonplaats van een beklaagde in het buitenland terugkomt met de melding dat de geadresseerde op dat adres onbekend is, geschiedt de betekening overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek rechtsgeldig aan de procureur des Konings. In dat geval is het openbaar ministerie niet verplicht een onderzoek te doen naar een nieuw adres in het buitenland van de beklaagde. In zoverre de grief uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt hij naar recht. Vierde grief
- De grief voert aan dat het arrest de eiser ten onrechte schuldig verklaart aan de telastleggingen G1 tot en met G6 van de zaak kaft VI en VII, zijnde het misdrijf bepaald in de artikelen 1 en 4 van het koninklijk besluit nummer 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen en werkzaamheden uit te oefenen (hierna Wet Beroepsuitoefeningsverbod): ingevolge de wijziging van dit koninklijk besluit bij de wet van 2 juni 1998, is dat feit niet meer strafbaar.
- Het arrest veroordeelt de eiser wegens de bewezen verklaarde telastleggingen A1 tot en met A100, D, E1, E2 en G1 tot en met G6 van de zaak kaft VI en VII tot een gevangenisstraf van drie jaar en een geldboete van 2.500 euro, verhoogd met de opdeciemen gebracht op 12.394,68 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Het ontzet de eiser wegens die telastleggingen eveneens uit de rechten bepaald in artikel 31 Strafwetboek gedurende tien jaar. Die straffen zijn naar recht verantwoord voor de telastleggingen A1 tot en met A100, D, E1 en E
- Het middel, al was het gegrond, kan niet leiden tot cassatie en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 2,eerste lid, Strafwetboek; - artikel 7.1 EVRM; - artikel 15.1 IVBPR; - artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod.
- Overeenkomstig artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van strafwetten, kan geen misdrijf worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd.
- Artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, in zijn versie van vóór de wet van 2 juni 1998, bepaalt dat de persoon die de strafrechter wegens bepaalde feiten tot een bepaalde straf had veroordeeld, van rechtswege de ontzetting van het recht om bepaalde functies, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, oploopt. Afgezien van het feit dat deze ontzetting voor de betrokkenen de uitwerking van een straf had en ook zo werd aangevoeld, was zij wettelijk een veiligheidsmaatregel. Artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, in zijn huidige versie zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 2 juni 1998, heeft het beroepsverbod van rechtswege vervangen door een facultatief verbod bij wijze van bijkomende straf, die de strafrechter kan opleggen aan de persoon die hij wegens bepaalde feiten veroordeelt en waarvan hij de duur vaststelt zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen.
- Daar de vroegere ontzetting bij wijze van veiligheidsmaatregel niet meer bestaat, kan de nieuwe ontzetting bij wijze van bijkomende straf bijgevolg maar opgelegd worden voor feiten gepleegd na de inwerkingtreding van de nieuwe wet .
- Het arrest legt de eiser wegens de bewezen verklaarde telastleggingen die gepleegd werden ten laatste tot 19 juni 1996, het verbod op om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198, § 6, eerste lid, Vennootschappenwet of het beroep van effectenmaker of correspondent-effectenmakelaar, gedurende tien jaar uit te oefenen. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser een beroepsverbod oplegt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser in negen tiende van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Begroot de kosten op 285,98 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 4 maart 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.18 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2016:ARR.20160310.1 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090420.4 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130130.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210303.2F.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251217.2F.30 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050517.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090303.11 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150624.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div