id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.19 Rolnummer: P.08.0332.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2008-04-16 Raadplegingen: 654 - laatst gezien 2026-07-03 13:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 6.3.a, E.V.R.M., dat bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingestelde beschuldiging, bedoelt met de "reden" van de ingestelde beschuldiginstelling de strafbare feiten die ten laste worden gelegd en met de "aard" van die beschuldiging de juridische kwalificatie van die feiten; deze bepaling heeft evenwel geen betrekking heeft op de mededeling van alle gegevens van het gerechtelijk dossier
(1).
(1)VELU J. en ERGEC R., "Convention européenne des droits de l'homme", R.P.D.B., Complément VII, nr 583, p.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht van de vervolgde persoon onverwijld op de hoote te worden gesteld van de aard en de redenen van de beschuldiging - Draagwijdte Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Onvolledig dossier - Artikel 6.3.a, E.V.R.M. - Recht van de vervolgde persoon onverwijld op de hoote te worden gesteld van de aard en de redenen van de beschuldiging - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.08.0332.N A A, verdachte, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie te Tongeren, en mr. Felix Berndsen, advocaat bij de balie te Breda (Nederland). I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 21 februari 2008 van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: ten onrechte oordeelt het arrest niet dat er schending is van het geheim karakter van het onderzoek, van het vermoeden van onschuld en van de onpartijdigheid van de rechter.
- Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Voor het overige verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.3.a EVRM en 56, § 1, Wetboek van Strafvordering alsmede van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de omstandigheid dat bepaalde stukken nog niet aan het dossier gevoegd zijn, eiser niet belet zich te verdedigen.
- Artikel 6.3, a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingestelde beschuldiging. Deze bepaling bedoelt met de "redenen" van de ingestelde beschuldiging de strafbare feiten die ten laste worden gelegd en met de "aard" van die beschuldiging de juridische kwalificatie van die feiten. In zoverre het middel ervan uitgaat dat deze bepaling ook betrekking heeft op de mededeling van alle gegevens van het gerechtelijk dossier, faalt het naar recht.
- Voor het overige preciseert het middel niet hoe en waardoor het arrest artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending van artikel 56, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de onderzoeksrechter voert het gerechtelijk onderzoek niet à charge en à décharge en miskent zijn plicht te waken over de loyaliteit waarmee de bewijsmiddelen worden verzameld. Het middel is niet gericht tegen het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 16, § 1, Wet Voorlopige Hechtenis: het arrest oordeelt in strijd met deze wetsbepaling dat het collusiegevaar van de eiser onder meer volgt uit zijn weigering de toegangscode voor de computerinformatica vrij te geven.
- Het arrest oordeelt met verwijzing naar de redenen van het aanhoudingsbevel en met eigen redenen dat de handhaving van het aanhoudingsbevel verantwoord is op grond dat er volstrekte noodzaak bestaat voor de openbare veiligheid en er bij de eiser gevaar voor herval is. Die redenen dragen de beslissing. Het middel dat die redenen niet aanvecht, komt op tegen een overtollige reden van het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: geen enkel gegeven laat toe te besluiten tot collusiegevaar en recidivegevaar en het arrest laat na die gegevens te preciseren en het verweer van de eiser te beantwoorden.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerd heeft dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarend en in strijd met het proportionaliteitsbeginsel handelt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Het arrest verwijst naar de redenen van het aanhoudingsbevel om te oordelen dat de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de eiser de handhaving van het aanhoudingsbevel volstrekt noodzakelijk maken. Dit aanhoudingsbevel vermeldt de feitelijke gegevens die toelaten te besluiten tot recidivegevaar en het gevaar bewijzen te doen verdwijnen. Hierdoor gebruikt het arrest geen standaardmotivering, maar verwijst het naar de concrete gegevens op grond waarvan het de beslissing laat steunen en is het regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling in feite door het arrest dat er volstrekte noodzakelijkheid is voor de handhaving van de voorlopige hechtenis en dat er collusiegevaar en recidivegevaar is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 4 maart 2008 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080304.19 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121017.3 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110601.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140930.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150310.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div