← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.6 Rolnummer: C.06.0479.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 503 - laatst gezien 2026-07-03 05:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De vereiste beslissing van de Raad van het O.C.M.W. tot bekrachtiging van een voorheen, tijdig ingesteld cassatieberoep kan worden gegeven tot op het ogenblik dat de zaak in beraad wordt genomen

(1).
(1)Cass., 28 maart 1994, AR S.93.0081.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940328.18, A.C., 1994, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Onduidelijk middel Vrije woorden: O.C.M.W. - Beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn - Bekrachtiging van een voorheen tijdig ingesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1096 Wet - 08-07-1976 - Art. 115, § 2 Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Onduidelijk middel Vrije woorden: Raad voor Maatschappelijk Welzijn - Bevoegdheid - Bekrachtiging van een voorheen tijdig ingesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1096 Wet - 08-07-1976 - Art. 115, § 2 Fiche 3 Het middel dat in het ongewisse laat of naar het oordeel van de verzoeker de beslissing omtrent de pensioenberekening van de verweerder constitutief dan wel declaratief van aard was is niet nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Onduidelijk middel UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Onduidelijk middel Vrije woorden: Aard van de betwiste administratieve rechtshandeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0479.N OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KOEKELBERG, vertegenwoordigd door zijn voorzitter, met kantoor te 1081 Koekelberg, F. Delcoignestraat 39, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B.A., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 december 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 1 februari 2008 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 159 van de Grondwet; - de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ; - artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement (besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, B.S., 23-24 augustus 1948, err. 8 oktober en 21 november 1948). Bestreden beslissing Het arrest weigert, bij wijze van bevestiging van het vonnis a quo, de beslissingen van de eiser van 26 februari 1977 toe te passen en beslist dat de verweerder, de subjectieve rechten die hem bovenop zijn wettelijke pensioenenrechten, door de beslissing van de eiser van 24 juni 1994 werden toegekend, behoudt. Het arrest steunt deze beslissingen op grond van de volgende motieven : "IV. Het op 29 juni 1994 door het OCMW aan A.B. toegekende pensioen-bedrag:
  2. Op 29 juni 1994 werd A.B. op rust gesteld vanaf 1 juli 1994 en werd zijn pensioen vastgesteld op 1.453.492 BEF per jaar, spilindex 138,
  3. (...)
  4. Er wordt niet betwist dat, als de wedde die als grondslag voor de uitkering heeft gediend, de wedde werd genomen die bedoeld wordt in de beslissing van 27 januari 1956 van de Gemeenteraad te Koekelberg voor de ambtenaren die in dienst zijn getreden voor 1 januari 1956 en dat aldus, vermits A.B. bij het OCMW Koekelberg in dienst is getreden na 1 januari 1956, op grond van een hogere grondslagwedde hem ook een hoger pensioen werd toegekend dan datgene waarop hij volgens de sub III vermelde bronnen recht had.
  5. Indien het OCMW Koekelberg geen constitutieve beslissing diende te nemen omtrent het pensioen van A.B. , vermits zijn recht op een rustpensioen een subjectief recht is dat rechtstreeks voortvloeit uit de wet, nam het anderzijds toch de beslissing hem een hoger pensioen toe te kennen dan voorzien door de wet, zodat in die mate deze beslissing niet louter declaratief is maar aan A.B. een subjectief recht toekent.
  6. (...) v. De herziening van het bedrag van het oprustellingspensioen van 26 februari 1997:
  7. Op 26 februari 1997 overwoog het OCMW Koekelberg dat op 29 juni 1994 ‘een administratieve fout werd begaan op het ogenblik van de berekening van het pensioen van de Heer B.A. ' vermits deze laatste ‘geen aanspraak kon maken op de toepassing van het lokaal pensioenregime dat toepasselijk was op de personeelsleden die in dienst waren getreden voor 1 januari 1956'. Het OCMW stelde vast dat ook de indiensttreding bij de COO Vorst na 1 januari 1956 plaats had en ‘dat het dus eerlijk en rechtvaardig is over te gaan tot de herberekening van het pensioen van de heer B.A. ...'. Het bedrag van het pensioen werd vastgesteld op 1.356.269 BEF per jaar aan een spilindex van 138,
  8. In een tweede beraadslaging van dezelfde dag besliste het OCMW het teveel betaalde te doen terugbetalen, niet vanaf 1 juli 1994, maar wel vanaf 1 september
  9. II. De sub 10 vermelde herziening van het bedrag van het opruststellingspensioen houdt een intrekking in van het op 29 juni 1994 door het OCMW aan A.B. verleende subjectieve recht op een hoger pensioen dan datgene waarop hij wettelijk recht had. Een administratieve rechtshandeling die, zoals de beslissing van 29 juni 1994, een subjectief recht toekent, kan maar worden ingetrokken wanneer zij onwettig is - b.v. wanneer zij genomen werd met schending van de gebonden bevoegdheid van de administratie - maar enkel binnen de termijn om ertegen een annulatieberoep in te stellen of wanneer een uitdrukkelijke wetsbepaling de intrekking toestaat, behoudens wanneer ze zou zijn aangetast door een zodanig grove en manifeste onregelmatigheid dat zij voor onbestaande moet worden gehouden of wanneer ze door bedrog zou zijn uitgelokt.
  10. De termijn om een annulatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 29 juni 1994 was verstreken op 26 februari 1997 zonder dat er ooit een dergelijk beroep werd ingesteld. Er wordt niet beweerd dat een uitdrukkelijke wetsbepaling de intrekking toestaat. De beslissing van 29 juni 1994 bevat geen zodanig grove en manifeste onregelmatigheid dat zij voor onbestaande moet worden gehouden. Deze van 26 februari 1997 is niet gesteund op het feit dat de beslissing van 29 juni 1994 door bedrog zou zijn uitgelokt. Integendeel, zij omschrijft deze laatste beslissing als een administratieve fout en zij resulteerde in het doen terugbetalen, niet van alle onterecht geïnde bedragen, maar slechts van het teveel betaalde vanaf 1 september
  11. De beslissingen van het OCMW Koekelberg van 26 februari 1997, op 4 juli 1997 aangenomen door het Administratief Arrondissement Brussel-Hoofdstad, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, stemmen bijgevolg niet overeen met de wettelijke regels en kunnen niet worden toegepast (artikel 159 van de Grondwet). A.B. behoudt de subjectieve rechten die hem op 29 juni 1994, bovenop zijn wettelijke pensioenrechten, door het OCMW Koekelberg werden toegekend". Grieven
  12. Eerste onderdeel Artikel 159 van de Grondwet, luidens hetwelk de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen voor zover zij met de wetten overeenstemmen, is in algemene bewoordingen gesteld en maakt geen onderscheid naargelang van de administratieve handelingen die daarin worden bedoeld. Dit artikel is van toepassing op de zelfs niet-reglementaire beslissingen van het bestuur en op de administratieve handelingen, ook al zijn ze van individuele aard en subjectieve rechten verlenen. Onwettige bestuurhandelingen kunnen niet toegepast worden. Hieruit volgt dat, krachtens artikel 159 van de Grondwet, geen verworven rechten kunnen worden gepuurd uit onwettige bestuurshandelingen. Het hof van beroep stelt terzake vast dat de beslissing van de eiseres van 29 juni 1994 door onwettigheid is aangetast. Het overweegt immers dat door de beslissing van de eiseres van 29 juni 1994, aan verweerder "een hoger pensioen werd toegekend dan datgene waarop hij volgens de sub III vermelde bronnen recht had" (nr. 7 van het bestreden arrest) of nog dat (beslist werd) "hem een hoger pensioen toe te kennen dan voorzien door de wet" (nr. 8 van het bestreden arrest). Het hof oordeelt evenzeer dat de beslissing van 26 februari 1997 tot herziening van het bedrag van het opruststellingspensioen "een intrekking inhoudt van het op 29 juni 1994 door het OCMW aan A.B. verleende subjectieve recht op een hoger pensioen dan datgene waarop hij wettelijk recht had" (nr. 11 van het bestreden arrest). Het hof van beroep beslist niettemin dat verweerder de subjectieve rechten die hem op 29 juni 1994 bovenop zijn wettelijke pensioenrechten door de eiseres werden toegekend, behoudt. Door te beslissen aan de verweerder het voordeel toe te kennen van subjectieve rechten die voortvloeien uit de beslissing van de eiseres van 29 juni 1994 waarvan het de onwettigheid nochtans zelf vaststelt, schendt het bestreden arrest artikel 159 van de Grondwet. Het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord.
  13. Tweede onderdeel Omwille van artikel 159 van de Grondwet dient ieder met rechtspraak belast orgaan na te gaan of de besluiten, reglementen en verordeningen van het bestuur, waarvan de toepassing betwist is, met de wetten overeenstemmen. Deze verplichting van de rechter zijn wettigheidscontrole uit te oefenen geldt altijd ook wanneer een bestuurshandeling een definitief karakter heeft verkregen ingevolge het verstrijken van de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State. Bij wijze van exceptie blijft het mogelijk voor de burgerlijke rechter de onwettigheid van bestuurshandelingen in te roepen buiten welke termijn dan ook. De hoven en de rechtbanken zijn ertoe verplicht zich altijd van de toepassing van een onregelmatig besluit te onthouden, op welk ogenblik ook de vraag omtrent die toepassing voor de rechter opduikt. De wettigheidscontrole van de rechter van bestuurshandelingen kan dan ook niet gekoppeld worden aan het al dan niet definitieve karakter van een onwettige bestuurshandeling. Het bestreden arrest oordeelt dat de voorwaarden onder de welke een administratieve overheid tot de intrekking van een door haar gestelde administratieve rechtshandeling kan overgaan, in casu, niet vervuld zouden zijn en dat de beslissing van de eiseres van 24 juni 1994 niet meer kon worden ingetrokken of met andere woorden definitief is geworden ( p. 5 en 6, nr. 11 en 12, van het bestreden arrest). Dit is weliswaar de (impliciete) toepassing van de termijn van 60 dagen waarover men beschikt om een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State, ingevolge de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement (besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, B.S., 23-24 augustus 1948, err. 8 oktober en 21 november 1948), maar deze termijn geldt niet voor de wettigheidsexceptie die wordt opgeroepen voor de gewone rechter. Door de wettigheidscontrole van de rechter over de in casu van toepassing zijnde bestuurshandelingen afhankelijk te maken van het al dan niet definitieve karakter van de bestuurshandeling van 29 juni 1994, schendt het bestreden arrest artikel 159 van de Grondwet en de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement (besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, B.S., 23-24 augustus 1948, err. 8 oktober en 21 november 1948). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoerdeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  14. De verweerder werpt op dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is, nu niet blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Koekelberg beslist heeft om cassatieberoep in te stellen binnen de wettelijk gestelde termijn.
  15. Anders dan het middel van niet-ontvankelijkheid voorhoudt, kan de vereiste beslissing van de Raad van het OCMW tot bekrachtiging van een voorheen, tijdig ingesteld cassatieberoep worden gegeven tot op het ogenblik dat de zaak in beraad wordt genomen. Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Middel Eerste en tweede onderdeel
  16. De beide onderdelen laten in het ongewisse of naar het oordeel van de verzoeker de beslissing omtrent de pensioenberekening van de verweerder constitutief dan wel declaratief was.
  17. De onderdelen zijn niet nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 899,92 euro jegens de eisende partij en op de som van 147,41 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns en in openbare terechtzitting van 10 maart 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940328.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.