← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008

Art. 6, § 10 Koninklijk Besluit - 20-06-1983 - Artt.

1, 6, 12, 20, 21, § 1, 22, § 2, en 23 Fiche 5 De uitbater van een algemeen ziekenhuis, aan wie een schadeloosstelling toekomt voor de kosten die gepaard gaan met het sluiten van het ziekenhuis of een gedeelte ervan, beschikt ten aanzien van de Gemeenschap over een vordering tot uitbetaling van de, met het oog op de uitbetaling van schadeloosstelling, door de Belgische Staat aan de Gemeenschap ter beschikking gestelde bedragen. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Wijze van betekening GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn van betekening en/of neerlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Samenwerking Vrije woorden: Ziekenhuiswet - Bevoegdheidsverdeling tussen Belgische Staat en Gemeenschap - Schadeloosstelling bij sluiting van een ziekenhuis(afdeling) - Gehoudenheid tot uitbetaling van het vastgesteld bedrag Wettelijke bepalingen:

Art. 6, § 10 Koninklijk Besluit - 20-06-1983 - Artt.

1, 6, 12, 20, 21, § 1, 22, § 2, en 23 Fiches 6 - 7 De samenwerking onder vorm van een overleg, dat tussen de Minister die de verpleegdagprijs van de ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft en de Executieve wordt georganiseerd indien de Minister niet kan instemmen met het door de Executieve vastgesteld bedrag van de schadeloosstelling, strekt ertoe in onderling akkoord het bedrag vast te stellen dat ter beschikking van de Gemeenschap zal gesteld worden en wijst op een verdeling van de beslissingsmacht wat de vaststelling betreft van het bedrag van de schadeloosstelling, maar verleent aan de betrokken uitbater van het ziekenhuis geen subjectief recht in betaling van de schadeloosstelling ten aanzien van de Gemeenschap. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Wijze van betekening GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn van betekening en/of neerlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Samenwerking Vrije woorden: Samenwerking van Belgische Staat en Gemeenschap - Ziekenhuiswet - Vordering tot schadeloosstelling bij sluiting van een ziekenhuis(afdeling) - Vaststelling van het bedrag van de schadeloosstelling - Beslissingsmacht Wettelijke bepalingen:

Art. 6, § 10 Koninklijk Besluit - 20-06-1983 - Artt.

1, 6, 12, 20, 21, § 1, 22, § 2, en 23 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Wijze van betekening GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn van betekening en/of neerlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Samenwerking Vrije woorden: Ziekenhuiswet - Bevoegdheidsverdeling tussen Belgische Staat en Gemeenschap - Gehoudenheid tot schadeloosstelling - Gehoudenheid tot uitbetaling van het vastgesteld bedrag - Subjectief recht in hoofde van de ziekenhuisuitbater Wettelijke bepalingen:

Art. 6, § 10 Koninklijk Besluit - 20-06-1983 - Artt.

1, 6, 12, 20, 21, § 1, 22, § 2, en 23 Fiche 8 Wanneer de betrokken instelling onder de Gemeenschap ressorteert, heeft de Executieve mede beslissingsmacht voor wat betreft het bepalen van het bedrag van de schadeloosstelling, maar komt de uiteindelijke beslissing nopens het al dan niet toekennen van een schadeloosstelling, afhankelijk van het antwoord op de vraag of aan alle voorwaarden van het Koninklijk besluit van 20 juni 1983 is voldaan, toe aan de Minister die de verpleegdagprijs voor ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Wijze van betekening GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm en termijn van betekening en/of neerlegging PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Samenwerking Vrije woorden: Samenwerking van Belgische Staat en Gemeenschap - Bevoegdheidsverdeling - Ziekenhuiswet - Beslissing tot het toekennen van schadeloosstelling bij sluiting van een ziekenhuis(afdeling) - Beslissing tot het bepalen van het bedrag van de schadeloosstelling Wettelijke bepalingen:

Art. 6, § 10 Koninklijk Besluit - 20-06-1983 - Artt.

1, 6, 12, 20, 21, § 1, 22, § 2, en 23 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0610.N ORTHOPEDISCHE KLINIEK PROF. L. VAN HOUTEGHEM, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 9831 Sint-Martens-Latem, Lorkendreef 5 eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, met kantoren te 1000 Brussel, Koolstraat 35, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 31 januari 2008 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

  1. De verweerster voert aan dat het cassatieberoep laattijdig en dienvolgens niet ontvankelijk is, doordat het werd ingesteld meer dan drie maanden na de betekening op 1 maart 2006 van het bestreden arrest aan de eiseres en derhalve buiten de door het artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven termijn.
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - in alle procedurestukken zowel in de procedure in eerste aanleg, als in de proce¬dure voor het hof van beroep steeds werd vermeld dat de maatschappelijke zetel van de eiseres was gevestigd te 9000 Gent, Koning Albertlaan nr. 121; - dit het geval was zowel in de stukken uitgaande van de eiseres, de verweerster en de overige procespartijen, als in deze uitgaande van de rechtbank van eerste aanleg en later van het hof van beroep; - geen enkel processtuk ooit vermeldde dat de maatschappelijke zetel van de eiseres gevestigd was te 9000 Gent, Koning Albertlaan nr. 109; - de verweerster steeds aangenomen heeft dat de maatschappelijke zetel van de eiseres gevestigd was te 9000 Gent, Koning Albertlaan nr. 121; - de eiseres noch door de achterlating van een afschrift van het exploot op het adres te 9000 Gent, Koning Albertlaan nr. 109, noch door de toezending van een aangetekend schrijven op dit adres, kennis kon krijgen van de betekening.
  3. Op grond hiervan dient te worden aangenomen dat de betekening van het bestreden arrest op de in de statuten vermelde maatschappelijke zetel rechtsmisbruik inhoudt. Waar dergelijke betekening niet kan dienen als aanvang van de bij artikel 1073 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn, is de bij verzoekschrift van 10 november 2006 ingestelde voorziening, ontvankelijk. Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 6, §10, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, kan ten laste van de Staatsbegroting een schadeloosstelling worden toegekend voor de kosten die gepaard gaan met de sluiting of het niet in gebruik nemen van een ziekenhuis of ziekenhuisdienst. Dit artikel bepaalt voorts dat de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden voor de toekenning van deze schadeloosstelling bepaalt, evenals de wijze waarop ze wordt berekend.
  5. Krachtens de artikelen 1 en 6 van het koninklijk besluit van 20 juni 1983 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de schadeloosstelling voor de niet-uitvoering van projecten van ziekenhuisbouw en voor de sluiting en de niet-ingebruikname van ziekenhuizen of ziekenhuis-diensten, evenals van de wijze waarop de schadeloosstelling wordt berekend, zoals van toepassing, kan binnen de perken van de kredieten voorzien in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid en overeenkomstig de regelen van dit besluit, aan de uitbater van een algemeen ziekenhuis een schadeloosstelling worden toegekend voor de kosten die gepaard gaan met de sluiting van het ziekenhuis of een gedeelte ervan.
  6. Artikel 12 van dit koninklijk besluit, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de aanvraag tot het verkrijgen van de schadeloosstelling naargelang van het geval wordt gericht tot de Gemeenschapsminister bevoegd voor het Gezondheidsbeleid van de Gemeenschap waartoe de betrokken instelling behoort, of aan de nationale minister die, voor wat de instellingen betreft die onder de nationale overheid ressorteren, bevoegd is inzake de toepassing van de ziekenhuisprogrammatie. Krachtens artikel 20 van het koninklijk besluit, behandelt de Gemeenschaps-minister bevoegd voor het gezondheidsbeleid de aanvraag en stelt de Executieve het bedrag van de schadeloosstelling vast. Artikel 21 van het koninklijk besluit bepaalt dat de beslissing waarbij het bedrag van de schadeloosstelling werd vastgesteld samen met de aanvraag en de in artikel 15 bedoelde verantwoordings-stukken, door de Executieve wordt overgezonden naar de Minister die de verpleegdagprijs voor de ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft. Krachtens artikel 22, §1, van het koninklijk besluit, wordt, voor zover aan alle voorwaarden van dit besluit is voldaan, het bedrag van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 20 van dit besluit met het oog op de uitbetaling ervan aan de betrokken instelling door de Minister die de verpleegdagprijs voor de ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft, ter beschikking gesteld van de Gemeenschap, op een wijze die in gemeenschappelijk overleg met de betrokken Executieve wordt vastgesteld. Artikel 22, §2, van het koninklijk besluit bepaalt dat indien de Minister die de verpleegdagprijs van de ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft niet kan instemmen met het door de Executieve vastgestelde bedrag van de schadeloosstelling, een overleg wordt georganiseerd tussen de Executieve en de voormelde Minister ten einde in onderling akkoord het bedrag vast te stellen dat ter beschikking van de Gemeenschap zal worden gesteld. Krachtens artikel 23 van het koninklijk besluit, kan de Minister die de verpleegdagprijs van de ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft, ambtshalve het bedrag van de schadeloosstelling dat ter beschikking van de Gemeenschap wordt gesteld met het oog op de uitbetaling ervan aan de aanvrager verminderen met de voorschotten die door hem kunnen worden teruggevorderd in verhouding tot het aantal bedden dat gedesaffecteerd wordt.
  7. Uit deze bepalingen volgt dat, niettegenstaande de, overeenkomstig de wettelijke bevoegdheidsverdeling, door deze bepalingen opgelegde samenwerking van Belgische Staat en Gemeenschap, de gehoudenheid de uitbater van een algemeen ziekenhuis schadeloos te stellen voor de kosten die gepaard gaan met het sluiten van het ziekenhuis of een gedeelte ervan, enkel rust op de Belgische Staat.
  8. De appelrechters oordelen dat uit de "beschreven feiten en in het bijzonder uit de staatshervorming anno 1980 en het koninklijk besluit nr. 60 van 22 juli 1982 (...) zeer duidelijk (blijkt) dat het de Belgische Staat is die bij de sluiting van een ziekenhuis, zoals in casu, een schadeloosstelling kan toekennen" en dat de "Belgische Staat (...) zeer uitdrukkelijk zijn bevoegdheden inzake het gezondheidsbeleid (heeft) behouden wat betreft de organieke wetgeving". Ze geven aldus te kennen dat de gehoudenheid de uitbater van een algemeen ziekenhuis schadeloos te stellen voor de kosten die gepaard gaan met het sluiten van het ziekenhuis of een gedeelte ervan, enkel rust op de Belgische Staat, die ingevolge zijn normerende bevoegdheid aan de basis ligt van de beperking van het aantal ziekenhuisbedden. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit oordeel van de appelrechters, kan het niet worden aangenomen.
  9. Uit de onder r.o. 1 aangehaalde bepalingen volgt dat de uitbater van een algemeen ziekenhuis, aan wie een schadeloosstelling toekomt voor de kosten die gepaard gaan met het sluiten van het ziekenhuis of een gedeelte ervan, ten aanzien van de Gemeenschap wel beschikt over een vordering tot uitbetaling van de, met het oog op de uitbetaling van de schadeloosstelling, door de Belgische Staat aan de Gemeenschap ter beschikking gestelde bedragen.
  10. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de uitbater van een algemeen ziekenhuis, aan wie dergelijke schadeloosstelling toekomt, ten aanzien van de Gemeenschap beschikt over een subjectief recht in betaling van bedoelde schadeloosstelling, ongeacht of het bedrag ervan door de Belgische Staat ter beschikking werd gesteld van de Gemeenschap met het oog op de uitbetaling van de schadeloosstelling, faalt het naar recht.
  11. Uit de onder r.o. 1 vermelde bepalingen volgt dat, wanneer de Minister die de verpleegdagprijs van de ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft, niet kan instemmen met het door de Executieve vastgestelde bedrag van de schadeloosstelling, een overleg wordt georganiseerd tussen de Executieve en de voormelde Minister ten einde in onderling akkoord het bedrag vast te stellen dat ter beschikking van de Gemeenschap zal worden gesteld.
  12. Dergelijke samenwerkingsvorm wijst op een verdeling van de beslissingsmacht wat de vaststelling betreft van het bedrag van de schadeloosstelling, maar verleent aan de betrokken uitbater geen subjectief recht in betaling van de schadeloosstelling ten aanzien van de Gemeenschap. In zoverre het onderdeel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  13. De appelrechters oordelen dat op 25 mei 1984 kennis werd gegeven van de instemming van de Minister van Sociale Zaken en het starten van de procedure voor het in betaling stellen en dat dit laatste, op grond van artikel 14 van de organieke wet van 29 oktober 1846, impliceert dat de betalingsopdracht niet kan worden uitgevoerd dan voorzien van het visum van het Rekenhof.
  14. Door te oordelen dat de betalingsopdracht van de Belgische Staat aan de Vlaamse Gemeenschap niet kan worden uitgevoerd dan voorzien van het visum van het Rekenhof, kennen de appelrechters aan deze verplichting geen gevolgen toe ten aanzien van de subjectieve rechten van de op betaling gerechtigde. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  15. De appelrechters, die aan het ontbreken van visum van het Rekenhof geen gevolgen toekennen ten aanzien van de subjectieve rechten van de eiseres, dienden niet te antwoorden op het in het onderdeel vermeld verweer, dat geen belang meer vertoonde. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  16. Het onderdeel verwijt het arrest niet te beslissen dat de brieven een vermelding bevatten die er niet in staat of dat zij geen vermelding bevatten die er wel in staat.
  17. Het onderdeel verwijt aan het arrest enkel dat het aan die akten een uitlegging geeft die het in strijd acht met de uitlegging die het voorstelt. Die grief levert geen miskenning van de bewijskracht van akten op. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  18. De appelrechters oordelen, bij het bespreken van de door de eiseres voorgehouden fout van de verweerster, dat "uit het geheel van de hierboven vermelde feiten (...) vooreerst (moet) worden afgeleid dat de Belgische Staat de schadeloosstelling toekent, zij het in samenwerking en in overleg met de Vlaamse Gemeenschap".
  19. In zoverre het middel ervan uitgaat gaat dat de appelrechters de door de eiseres ingeroepen fout van de verweerster beoordelen vanuit het standpunt dat het de verweerster niet mede toekwam een beslissing te nemen inzake het vaststellen van het bedrag van de schadeloosstelling, berust het op een verkeerde lezing van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  20. Uit de onder r.o. 1 vermelde bepalingen volgt dat, wanneer de betrokken instelling onder de Gemeenschap ressorteert, de Executieve mede beslissings-macht heeft wat betreft het bepalen van het bedrag van de schadeloosstelling, maar dat de uiteindelijke beslissing nopens het al dan niet toekennen van een schadeloosstelling, afhankelijk van het antwoord op de vraag of aan alle voorwaarden van het koninklijk besluit van 20 juni 1983 is voldaan, toekomt aan de Minister die de verpleegdagprijs voor ziekenhuizen onder zijn bevoegdheid heeft.
  21. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de Gemeenschap ook mede beslissingsmacht heeft wat betreft de uiteindelijke beslissing nopens het al dan niet toekennen van een schadeloosstelling, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 508,68 euro jegens de eisende partij en op de som van 434,00 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 10 maart 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.