id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.8 Rolnummer: S.07.0073.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 1497 - laatst gezien 2026-07-03 19:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, staat het de rechter de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs, te beoordelen in het licht van de artikelen 6, E.V.R.M. en 14, I.V.B.P.R., rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Algemeen (bewijs van verbintenissen) STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling door de rechter van de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs - Toetsing in het licht van de artikelen 6, E.V.R.M. en 14, I.V.B.P.R. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 Wet - 15-05-1981 - Art. 14 Fiche 2 Een onrechtmatig verkregen bewijs mag, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht. De rechter kan bij deze afweging, onder meer, rekening houden met het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm zijn beschermd, de omstandigheid dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan, de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt, het feit dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van de inbreuk betreft, het feit dat de onregelmatigheid die aan de vaststelling van de inbreuk voorafging of ermee gepaard ging, volstrekt onevenredig is met de ernst van de inbreuk. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Algemeen (bewijs van verbintenissen) STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Beoordeling door de rechter van de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs - In aanmerking te nemen criteria Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 Wet - 15-05-1981 - Art. 14 Annotaties Publicaties: Or. - I. PLETS; Noot. - 2008, 172 R.C.J.B. - KEFER Fabienne - 2009/3 - p. 325-352 NjW - VAN KILDONCK Kathleen - 2010/218 - p. 180-183 Tekst van de beslissing Nr. S.07.0073.N RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen A.N., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 april 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 28bis, §1, eerste en derde lid, 28ter, §1, 28quater, eerste en tweede lid, 28quinquies, §1, van het Wetboek van Strafvordering; - artikel 458 van het Strafwetboek; - artikel 1380, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 125, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1980 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken; - artikel 6, §1, laatste lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie; - de artikelen 44, 45, 71, eerste lid, 1° en 4°, 154, eerste lid, en 169, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis dat de door de eiser jegens de verweerder getroffen beslissing vernietigde, op grond dat de administratieve beslissing van 16 maart 2005 gesteund is op bewijs dat onrechtmatig is verkregen, omdat het is verkregen met miskenning van het geheim van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek, en steunt hiervoor op de volgende overwegingen: "(Uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt dat (de eiser) een administratief onderzoek opstartte na ontvangst van een faxbericht van de politie te Sint-Niklaas waarin melding wordt gemaakt dat (de verweerder), hoewel hij verklaarde werkloos te zijn, hulp verleende in de winkel van zijn broer te Antwerpen; tevens werd door de hoofdinspecteur van de politie Sint-Niklaas een kopie van het proces-verbaal van verhoor van 27 september 2004 (grotendeels onleesbaar gemaakt met zwarte viltstift) overgemaakt). Vanaf het ogenblik dat de politie een proces-verbaal opstelt, hetwelk onbetwistbaar een akte van onderzoek is, stelt hij een handeling die onder de toepassing valt van het opsporingsonderzoek. (Artikel 28 bis, §1, van het Wetboek van Strafvordering omschrijft het opsporings-onderzoek als het geheel van handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering.) Vanaf het ogenblik van de vaststelling van een inbreuk door middel van een proces-verbaal geldt het geheim van het strafrechtelijk onderzoek. Het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek is een essentieel en onbetwistbaar begrip in het wetboek van strafvordering. Het kan beschouwd worden als een van de pijlers waarop de strafvordering is gebaseerd en geldt dus eveneens in het sociaal strafrecht (...); Het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek wordt expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering en met name in artikel 28quinquies, §1, en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28quinquies en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat, behoudens de wettelijke uitzonderingen, het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek geheim zijn en dat eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek, tot geheimhouding verplicht is en dat hij die dit geheim schendt, gestraft wordt met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. Het geheim van het onderzoek verbiedt de politiediensten de door hen bij het strafonderzoek verzamelde gegevens aan een sociale inspectiedienst mee te delen behoudens uitdrukkelijke machtiging daartoe door het bevoegd openbaar ministerie; uitdrukking van dit beginsel wordt teruggevonden, in artikel 125, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken en artikel 6, §1, laatste lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. In de voorgelegde overtuigingsstukken waarop het (arbeids)hof vermag acht te slaan bevindt zich geenszins het bewijs dat het openbaar ministerie zijn toestemming zou gegeven hebben om de inlichtingen, verkregen naar aanleiding van een verhoor van (de verweerder) op 27 september 2004, over te maken aan het werkloosheidsbureau te Sint-Niklaas. Het is derhalve duidelijk dat de administratieve beslissing van 16 maart 2005 gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs. Het bewijs wordt onrechtmatig verkregen indien naar aanleiding van de bewijsgaring ofwel een handeling wordt gesteld in strijd met een materiële wetsbepaling, ofwel een handeling werd gesteld in strijd met een regel van formeel procesrecht, ofwel een handeling werd gesteld die ingaat tegen de algemene rechtsbeginselen (...). Het bewijs dat geleid heeft tot de beslissing van de directeur van 16 maart 2005 is onrechtmatig omdat het verkregen is ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf (artikel 458 van het Strafwetboek). (...) De rechtmatigheid van het bewijs (verzameling van gegevens) wordt aangetast vanaf het ogenblik dat de politie dit bewijs heeft overhandigd aan de controledienst van (de eiser), met schending van het geheim karakter van het opsporingsonderzoek" (arrest, pp. 6 en 8). Grief Eerste onderdeel Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de bestreden beslissing van 16 maart 2005, zoals vervat in het dossier, blijkt dat deze werd gesteund op "een onderzoek door onze controledienst" (beslissing, p. 2) en dat de verweerder werd gehoord in zijn verweermiddelen op 3 februari 2005, bijgestaan door J. L. (beslissing, p. 3). Nergens wordt in deze beslissing gewag gemaakt van een proces-verbaal van verhoor op grond waarvan de eiser zou beslist hebben om de verweerder uit te sluiten van het recht op werkloosheidsuitkeringen. Het bestreden arrest oordeelt dat de getroffen beslissing gesteund is op een proces-verbaal van de politie van 27 september 2004 en dat het "derhalve duidelijk is dat de administratieve beslissing van 16 maart 2005 gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs" (arrest, p. 7). Door te oordelen dat de kwestieuze beslissing gesteund is op dit proces-verbaal, daar waar uit de bestreden beslissing blijkt dat deze gesteund is op een onderzoek door de controlediensten van de eiser en dat het de resultaten van dit onderzoek zijn die geleid hebben tot de beslissing van de eiser, leest het arrest iets in die beslissing dat er niet in vervat ligt, en miskent het mitsdien de bewijskracht ervan (schending van de in dit onderdeel geviseerde wetsbepalingen). Tweede onderdeel Schending van de overige in het middel geviseerde wetsbepalingen. Artikel 28bis, §1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering definieert het opsporingsonderzoek als het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. Dit opsporingsonderzoek wordt krachtens artikel 28bis, §1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. De procureur heeft krachtens artikel 28ter, §1, van het Wetboek van Strafvordering, immers een algemene opsporingsplicht en een algemeen opsporingsrecht en bepaalt de materies waarin in zijn arrondissement de misdrijven prioritair worden opgespoord. Rekening houdend met de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid oordeelt de procureur des Konings krachtens artikel 28quater, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering over de opportuniteit van de vervolging. Hij oefent de strafvordering uit op de wijze die de wet bepaalt (artikel 28quater, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). Krachtens artikel 1 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering kan de rechtsvordering tot toepassing van de straffen niet worden uitgeoefend dan door de ambtenaren die de wet daarmee belast. Overeenkomstig artikel 28quinquies, §1, is het opsporingsonderzoek geheim, en is eenieder die beroepshalve zijn medewerking hieraan dient te verlenen tot geheimhouding verplicht op straffe van strafsancties zoals bepaald bij artikel 458 van het Strafwetboek. Krachtens artikel 1380, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt de Koning aan welke voorwaarden de mededeling of het afschrift van akten van onderzoek en van rechtspleging in criminele, correctionele en politiezaken en tuchtzaken, is onderworpen. In uitvoering hiervan bepaalt artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken dat in dergelijke zaken geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging mag worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het hof van beroep. Ook artikel 6, §1, derde lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie bepaalt dat "de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel (mogen) worden meegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal of de auditeur-generaal". Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat het opsporingsonderzoek, en bijgevolg het geheim karakter ervan en de daaraan verbonden verplichting tot het bekomen van een machtiging tot aflevering van stukken van een gerechtelijke procedure, pas een aanvang neemt op het ogenblik dat de procureur des Konings, nadat hij gevat werd van bepaalde feiten, een dergelijk onderzoek gelast. Een proces-verbaal is een schriftelijke akte, een verslag door een politieambtenaar opgesteld over al wat hij in verband met een bepaald misdrijf heeft vastgesteld of vernomen. Het louter opstellen van een proces-verbaal door een politiedienst maakt evenwel geen daad van onderzoek uit, indien het openbaar ministerie en meer bepaald de procureur des Konings hiervan niet gevat werd en het kwestieuze proces-verbaal niet in het kader van een wettig ingesteld opsporingsonderzoek (werd) opgesteld. Evenmin maakt een louter proces-verbaal opgesteld door een politiedienst een "akte van onderzoek en rechtspleging" in de zin van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1959 of een "akte, stuk, register, document of inlichting betreffende een gerechtelijke procedure" in de zin van artikel 6 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie uit, daar de politiediensten geen bevoegdheid hebben tot het instellen van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek. Zoals de eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep (p. 2) had laten gelden "(...) blijkt (in casu) niet dat er een voorafgaandelijke opdracht werd gegeven door een gerechtelijke instantie aan de politiediensten te Sint-Niklaas of dat er een gerechtelijke procedure werd aangevat". Door te oordelen dat het opstellen van een proces-verbaal "onbetwistbaar een akte van onderzoek is" en dat een dergelijke handeling "onder de toepassing valt van het opsporingsonderzoek", en dat "vanaf het ogenblik van de vaststelling van een inbreuk door middel van een proces-verbaal (...) het geheim van het strafrechtelijk onderzoek (geldt)", schendt het arrest alle in het middel aangeduide wetsbepalingen. Door het kwestieuze proces-verbaal te beschouwen als een akte van onderzoek of rechtspleging in de zin van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, dan wel als een stuk "betreffende een gerechtelijke procedure" in de zin van artikel 6, §1, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet, dat enkel met machtiging van het daartoe bevoegd openbaar ministerie aan een derde mocht worden overgemaakt, schendt het arrest in het bijzonder de artikelen 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 en 6, §1, derde lid, van de Arbeidsinspectiewet. Door te oordelen dat de beslissing van de eiser met miskenning van het geheim van het opsporingsonderzoek werd getroffen, schendt het arrest de artikelen 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 28bis, §1, eerste en derde lid, 28ter, §1, 28quater, eerste en tweede lid, 28quinquies, §1, van het Wetboek van Strafvordering, 458 van het Strafwetboek en artikel 1380, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Bijgevolg schenden de appelrechters, door op die onwettige grond met bevestiging van het beroepen vonnis de beslissing van eiser te vernietigen, de artikelen 44, 45, 71, eerste lid, 1° en 4°, 154, eerste lid, en 169, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 870 en 1380, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - de regels inzake het bewijs in strafzaken; - artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken; - de artikelen 7, §1, eerste, tweede en derde lid, i), van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 3 en 21, §1, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; - de artikelen 44, 45, 71, eerste lid, 1° en 4°, 154, eerste lid, en 169, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest oordeelt dat het bewijs dat tot de beslissing van de eiser geleid heeft onrechtmatig is, daar het verkregen is ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf, en dat zulks als gevolg heeft dat de rechter er op geen enkele wijze rekening mee mag houden, noch met het overige bewijsmateriaal dat hieruit voortvloeit, zoals de door de verweerder na verhoor door eiser afgelegde verklaringen, en zulks op grond van de volgende overwegingen: "Het door (de eiser) aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2005 is in huidig burgerlijk geschil niet relevant daar het gewezen is in een strafprocedure hetgeen volgens andere wetmatigheden functioneert wat betreft de bewijsvoering De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen heeft als gevolg dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat element noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen (...). Alle bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden; dienvolgens kan geen rekening gehouden worden met de inhoud van de door (de verweerder) afgelegde verklaringen op 3 december 2004 en 3 februari
- Aangezien (de eiser) geen andere bewijsstukken voortbrengt waaruit zou blijken dat (de verweerder) tijdens zijn werkloosheid arbeid heeft verricht in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit, heeft de eerste rechter terecht de bestreden administratieve beslissing vernietigd" (arrest, p. 8). Grief Krachtens artikel 3 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers omvat de sociale zekerheid der werknemers het geheel van de sociale prestaties waarop de sociaal verzekerden recht hebben en die tot doel hebben het arbeidsinkomen van de werknemer te vervangen of aan te vullen ten einde hem te vrijwaren tegen de gevolgen van bepaalde arbeidsrisico's, tegenover bepaalde gezins- en levensomstandigheden en sociale risico's volgens de in artikel 21 opgesomde regelingen. Krachtens artikel 21, §1, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bestaat de sociale zekerheid aldus onder meer uit de regeling inzake de werkloosheidsuitkeringen. Als openbare sociale zekerheidsinstelling in de zin van artikel 7, §1, eerste en tweede lid, van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft eiser onder meer tot taak aan de onvrijwillig werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren krachtens artikel 7, §1, derde lid, i), van diezelfde Besluitwet. Als instelling belast met een openbare dienst mag de eiser derhalve slechts strikt de voordelen toekennen waarin de wet voorziet, onder de voorwaarden die daarvoor gelden, zoniet worden gelden afgewend van hun wettelijke bestemming en onttrokken aan de gemeenschap van de gerechtigden wat de werking van de openbare dienst in het gedrang brengt. Het socialezekerheidsrecht in het algemeen en de werkloosheidsreglementering in het bijzonder betreft aldus voorzieningen die de overheid treft ten voordele van bepaalde groepen van burgers en is dus publiek recht, in de mate dat het een particulier persoon, de sociaal verzekerde, tegenover een openbare socialezekerheidsinstelling plaatst. Inzake de vaststelling van dit socialezekerheidsrecht op werkloosheidsuitkeringen, geldt geen wettelijke bepaling die uitdrukkelijk en volledig zou verbieden een bewijs te gebruiken dat op directe of indirecte wijze door enige onregelmatigheid of onwettigheid is verkregen. Een dergelijk bewijs mag dus, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht. De rechter dient bij zijn oordeel hierover rekening te houden met de gegevens van de zaak. Hij kan daarbij inzonderheid acht slaan op het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, op het gebrek aan weerslag van het aangeklaagde gebrek op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm zijn beschermd, op de omstandigheid dat de wederrechtelijke beoordeling die aan de politie of de aangever wordt toegeschreven niet opzettelijk is, dat het onrechtmatig verkregen bewijs slechts betrekking heeft op een materieel bestanddeel van het misdrijf of nog dat de onregelmatigheid die aan de vaststelling van het misdrijf voorafging of daarmee gepaard ging, volstrekt onevenredig is met de ernst van dat misdrijf. Uit de feitelijke vaststellingen van het arrest blijkt dat de eiser op 3 december 2004 aan de sociale inspecteurs van de eiser verklaarde: "Als ik tegen de politie van St. Niklaas op 27 september 2004 verklaard had dat ik bijna elke dag help in de zaak van mijn broer dan bedoelde ik daarmee dat ik daar elke dag in de winkel, of af en toe aanwezig was om advies te geven omdat ik ervaring had in de branche omdat ik vroeger (+- 2 jaar geleden) een gelijkaardige zaak heb gehad in de Charlottalei (BVBA FIM). (...) Ik heb nooit melding gemaakt van deze prestaties op mijn controlekaart omdat ik dit niet als werken beschouw" (arrest, p. 3) en op 3 februari 2005 ten overstaan van de sociale inspecteurs volgende verklaring aflegde: "Vermits ik ervaring had in de sector werd ik gevraagd om raad te geven. Dit vanaf augustus
- Ik werd hier niet voor bezoldigd, ook niet in natura. lk was niet alle dagen aanwezig in de zaak, slechts 1 à 2 maal per week. Ik besliste hierover zelf. (...) Omdat de hulp die ik bood onbezoldigd was en enkel bestond uit het geven van raad, heb ik geen aangifte gedaan van de hulp. Ik heb nooit klanten bediend of geld ontvangen van klanten. Ik gaf advies over de prijzen van de verkochte goederen. Mijn schoonzus maakte dan de prijskaartjes en bediende de klanten" (arrest, p. 3). Zelfs indien dit onderzoek pas werd ingesteld nadat de eiser via een proces-verbaal op de hoogte werd gebracht van mogelijke inbreuken op de werkloosheidsreglementering, dan nog doet zulks geen afbreuk aan de wettigheid van de door de eiser getroffen beslissing, inzoverre de beweerde onregelmatigheid inzake de transmissie van dit proces-verbaal niet meteen moet leiden tot het weren van het bewijs dat door de eiser werd bekomen ingevolge het ingestelde onderzoek. Immers, zoals de eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep in ondergeschikte orde, "indien men niettemin zou moeten aannemen dat het arbeidshof zou besluiten tot een onregelmatige transmissie van het PV van verhoor van de politie naar de RVA" (p. 3) had laten gelden, is er geen absolute nietigheidssanctie verbonden aan het bekomen van een proces-verbaal zonder machtiging van het bevoegde openbaar ministerie en "heeft de arbeidsrechtbank het PV van verhoor van de politie verwijderd zonder aan te geven waarom dit onregelmatig verkregen bewijs niet betrouwbaar zou zijn dan wel het recht op een eerlijk proces in gevaar zou brengen. Het al dan niet onrechtmatig verkregen bewijs is zowel betrouwbaar als overtuigend. De feiten staan materieel vast, ze worden toegegeven door betrokkene zelf en er heeft een tegensprekelijke procesgang plaatsgevonden" (ibid., pp. 3-4). Indien het PV van verhoor onrechtmatig zou zijn verkregen, hoeft zulks er bijgevolg niet toe te leiden dat de rechter geen rekening kan houden met de verklaringen die door de verweerder aan de sociale inspecteurs werden afgelegd, in zoverre op grond van die verklaringen vastgesteld kan worden dat eiser als openbare overheidsinstelling geen uitkeringen vermocht te betalen aan een werkloze die daartoe de voorwaarden niet vervulde en het feit dat het PV van verhoor onrechtmatig verkregen zou zijn, verweerders recht op een eerlijk proces inzake zijn recht op werkloosheidsuitkeringen geenszins in het gedrang bracht of de betrouwbaarheid aantastte van het door de eiser op grond van de door de verweerder afgelegde verklaringen verkregen bewijs. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat met die criteria geen rekening moet worden gehouden omdat dezen slechts gelden in strafzaken en derhalve "in huidig burgerlijk geschil niet relevant zijn" (arrest, p. 8) en stelt dat evenmin met de door de verweerder afgelegde verklaringen van 3 december 2004 en 3 februari 2005 rekening mag worden gehouden. Door op die grond te beslissen dat de aan verweerder verweten feiten niet bewezen zijn, zonder te onderzoeken of de onregelmatige verkrijging van een proces-verbaal van de politie, niet een louter formeel karakter heeft, dan wel of dit onregelmatig verkregen bewijsmiddel wel een weerslag heeft op het recht van eiser op een eerlijk proces inzake zijn recht op werkloosheidsuitkeringen, of nog de betrouwbaarheid aantast van het bewijs zoals door de eiser verkregen na verhoor van de verweerder in een tegensprekelijke procedure, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht (schending van alle in het middel aangeduide wetsbepalingen). Door te oordelen dat het recht van verweerder op werkloosheidsuitkeringen een "burgerlijk geschil" uitmaakt, daar waar het sociaal-zekerheidsrecht publiek recht uitmaakt, en vervolgens te weigeren te onderzoeken of de verweerder, spijts het onrechtmatig verkregen bewijs, niet alsnog wettig van recht op uitkeringen werd uitgesloten gelet op het resultaat van het door de eiser regelmatig ingestelde onderzoek en meer bepaald de bijkomende verklaringen die door de verweerder in dat kader werden afgelegd doch waar het arrest geen acht op slaat omdat het "voortvloeit uit het onrechtmatig verkregen bewijs", miskent het arrest tevens de specifieke aard van het sociaalzekerheidsrecht op werkloosheidsuitkeringen, dat inhoudt dat geen uitkeringen kunnen worden toegekend aan diegenen die daartoe de voorwaarden niet vervullen, en schendt het arrest in het bijzonder de artikelen 7, §1, eerste en tweede en derde lid, i), van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 3 en 21, §1, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, evenals de artikelen 44, 45, 71, eerste lid, 1° en 4°, 154, eerste lid, en 169, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. In zoverre de appelrechters beslissen dat al het door de eiser aangevoerde bewijsmateriaal niet als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking kan worden genomen, omdat het voortvloeit uit het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, en er geen rekening kan worden gehouden met de inhoud van de door de verweerder afgelegde verklaringen, schendt het bestreden arrest tevens de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, staat het de rechter de toelaatbaarheid van een onrechtmatig verkregen bewijs, te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan. Een dergelijk bewijs, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm, mag alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht. De rechter kan bij deze afweging, onder meer, rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid; de weerslag op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm zijn beschermd; de omstandigheid dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan; de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt; het feit dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van de inbreuk betreft; het feit dat de onregelmatigheid die aan de vaststelling van de inbreuk voorafging of daarmee gepaard ging, volstrekt onevenredig is met de ernst van die inbreuk.
- De appelrechters oordelen dat de omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen tot gevolg heeft dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat element noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen en dat alle bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking kan genomen worden.
- De appelrechters, die op die gronden oordelen dat de bewijsmiddelen die op onrechtmatige wijze zijn verkregen, niet ontvankelijk zijn, en weigeren dit oordeel aan bovenvermelde criteria of omstandigheden te toetsen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
- Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 10 maart 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150120.3 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150306.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180426.9 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251124.3F.1 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20121011.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div