← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 Rolnummer: D.07.0002.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-04-14 Raadplegingen: 1002 - laatst gezien 2026-07-03 08:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een tuchtprocedure die voor gevolg heeft of volgens de nationale wet, tot gevolg kan hebben dat aan de betrokkene tijdelijk of definitief een burgerlijk recht wordt ontnomen, met name het recht om nog langer een beroep uit te oefenen dat geen openbaar ambt is, wordt voor de toepassing van artikel 6.1 E.V.R.M., beschouwd als een procedure met als voorwerp het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die bepaling

(1).
(1)Cass., 14 nov. 1986, AR 5488 en 5509, A.C., 1986-1987, nr. 165; Cass., 13 maart 2008, AR D.07.0004.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11., infra, nr. ... Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Tuchtzaken - Tuchtprocedure - Beroepsuitoefeningsverbod - Aard Fiche 2 Niet de Orde van architecten maar wel de raden zijn de rechtsprekende organen
(1).
(1)Cass., 5 juni 1992, AR 7635, A.C., 1991-1992, nr. 522; Cass., 13 maart 2008, AR D.06.0016.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.9., supra, nr. ... Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Rechtsprekende organen Fiche 3 De leden van de raden van de Orde van architecten hebben zitting als rechter in persoonlijke naam en niet als vertegenwoordigers van de Orde. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Raden - Leden - Hoedanigheid Fiche 4 Tussen de raden van de Orde van architecten en de nationale raad bestaat geen organieke band
(1).
(1)Cass., 15 dec. 2000, AR C.00.0605.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001215.6, A.C., 2000, nr. 696. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Raden - Leden - Nationale raad - Band Fiche 5 Uit de enkele omstandigheid dat de raad van de Orde en de raad van beroep, organen van de Orde van architecten, uitspraak doen in tuchtzaken terwijl de nationale raad van de Orde, een ander orgaan van diezelfde Orde, kan tussenbeide komen in het debat dat voor de raad van beroep naar aanleiding van een tuchtzaak wordt gevoerd, en de veroordeling van de vervolgde partij kan vorderen, volgt niet dat de rechtsprekende raden van de Orde niet onafhankelijk of niet onpartijdig zouden zijn
(1).
(1)Zie Cass., 5 juni 1992, AR 7635, A.C., 1991-1992, nr.
  1. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Raden - Nationale raad - Tussenkomst - Vordering - Onafhankelijkheid - Onpartijdigheid Fiches 6 - 8 Uit de omstandigheid alleen dat de raad van beroep van de Orde van architecten deels is samengesteld uit beroepsgenoten van de betrokkene valt niet af te leiden dat dit rechtscollege niet onafhankelijk en onpartijdig is in de zin van artikel 6.
  2. E.V.R.M.; deze samenstelling schendt evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter
(1).
(1)Zie Cass., 5 jan. 2006, AR D.05.0005.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.7, A.C., 2005, nr. 11.(advocaten). Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Raad van beroep - Samenstelling - Beroepsgenoten - Onafhankelijkheid - Onpartijdigheid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Orde van architecten - Raad van beroep - Samenstelling - Beroepsgenoten - Onafhankelijkheid - Onpartijdigheid Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Onafhankelijkheid - Onpartijdigheid - Orde van architecten - Raad van beroep - Samenstelling - Beroepsgenoten Fiche 9 De redelijke termijn begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd
(1).
(1)Cass., 13 maart 2008, AR D.07.0004.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11., infra, nr. ...; zie Cass., 8 feb. 2005, AR P.04.1317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4, A.C., 2005, nr. 77 (strafzaak). Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Tuchtzaken - Redelijke termijn - Begin Fiche 10 Een persoon is beschuldigd wanneer hij in verdenking wordt gesteld wegens het plegen van een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit of wanneer hij wegens enige daad van onderzoek onder de dreiging van een tuchtvervolging leeft en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand
(1).
(1)Cass., 13 maart 2008, AR D.07.0004.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11, infra, nr. ...; Cass., 8 feb. 2005, AR P.04.1317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4, A.C., 2005, nr. 77 (strafzaak). Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Tuchtzaken - Beschuldiging Fiche 11 De controle door de architect op de uitvoering van de werken impliceert een regelmatig bezoek aan de werf die hem toelaat na te gaan of de werken effectief conform de plannen worden uitgevoerd en, gelet op zijn vakkennis op te treden wanneer problemen bij de uitvoering rijzen en deze desgevallend op te lossen
(1).
(1)Cass., 27 okt. 2006, AR D.06.0001.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.4, A.C., 2006, nr. 521. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Controle op de uitvoering van de werken Fiche 12 De vereiste van persoonlijke controle op de uitvoering van de werken door de architect, tenzij wanneer deze de verzekering heeft dat een andere architect hiermee wordt belast, brengt met zich mee dat deze taak in beginsel niet aan medewerkers niet-architecten mag worden gedelegeerd
(1).
(1)Cass., 27 okt. 2006, AR D.06.0001.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.4, A.C., 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Vereiste vermeldingen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Eerlijke behandeling Vrije woorden: Persoonlijke controle op de uitvoering van de werken Wettelijke bepalingen: Wet - 20-02-1939 - Art. 4 Koninklijk Besluit - 18-04-1985 - Art. 21 Tekst van de beslissing Nr. D.07.0002.N D.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, met zetel te 1000 Brussel, Livornostraat 160, bus 2, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 10 januari 2007 gewezen door de raad van beroep van de Orde van architecten, met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift vier middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna artikel 6.1 EVRM); - de artikelen 6, 19, 20, 26, 28 en 29 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten; - het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn. Aangevochten beslissingen De appelrechters vernietigen de beslissing van de provinciale raad van 6 april 2006, trekken de zaak aan zich, verklaren de tenlasteleggingen gegrond en veroordelen de eiser tot de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 6 maand. Grieven Eerste onderdeel Op grond van artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, dat eveneens geldt in tuchtzaken, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie maakt tevens een algemeen rechtsbeginsel uit. Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter houdt voor alles in dat de instantie die recht spreekt de hoedanigheid van derde heeft ten opzichte van de autoriteit die de aangevochten beslissing heeft genomen en ten aanzien van partijen. Overeenkomstig artikel 6 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van Architecten, zijn organen van de Orde: 1° De raden van de Orde; 2° De raden van beroep; 3° De nationale raad van de Orde. De raad van de Orde zorgt voor de naleving van de voorschriften van de plichtenleer. Hij houdt toezicht op de eer, de discretie en de waardigheid van de leden van de Orde in de uitoefening en naar aanleiding van de uitoefening van het beroep en doet uitspraak in tuchtzaken (de artikelen 19 en 20 van de wet tot instelling van een Orde van architecten). Artikel 26 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten bepaalt dat de nationale raad en de betrokkene binnen de termijn van dertig dagen beroep mogen instellen tegen elke beslissing van de raad die krachtens artikel 20 van deze wet is genomen. Uit voormelde bepalingen vloeit voort dat het hoger beroep tegen een beslissing van de raad van de Orde, orgaan van de Orde, wordt ingesteld bij de raad van beroep, eveneens orgaan van de Orde, en dat in deze procedure de nationale raad, eveneens orgaan van de Orde, partij is. Aldus heeft de raad van beroep geenszins de hoedanigheid van derde ten aanzien van de provinciale raad en evenmin ten aanzien van één van de partijen (de nationale raad). In deze omstandigheden kan er ten aanzien van de raad van beroep een legitieme twijfel ontstaan omtrent haar neutraliteit ten aanzien van de instantie die de beroepen beslissing heeft genomen - de provinciale raad - enerzijds en ten aanzien van één van de partijen - de nationale raad - anderzijds. De bestreden beslissing waarbij de tenlastelegging gegrond werd verklaard en de eiser werd veroordeeld tot de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 6 maanden, werd dan ook niet door een onafhankelijke en onpartijdige rechter genomen en schendt derhalve artikel 6.1 van het EVRM en het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, en voor zoveel als nodig, de artikelen 6, 19, 20 en 26 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten. Tweede onderdeel Op grond van artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, dat eveneens geldt in tuchtzaken, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie maakt tevens een algemeen rechtsbeginsel uit. Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie vereist dat er regels zijn met betrekking tot de samenstelling van deze instantie die het mogelijk maken elke legitieme twijfel omtrent de onvatbaarheid van deze instantie voor externe factoren en omtrent haar neutraliteit ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen uit de geest van de justiciabelen te bannen. Een rechterlijke instantie die geroepen is om uitspraak te doen over een tuchtzaak en aldus aan de tuchtrechtelijk vervolgde persoon een (al dan niet tijdelijk) beroepsverbod kan opleggen en deels is samengesteld uit beroepsgenoten van de vervolgde persoon, voldoet niet aan voormelde waarborg van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De tuchtrechtelijk vervolgde persoon heeft immers een legitieme reden om te vrezen dat voormelde leden van de rechterlijke instantie er belang bij kunnen hebben dat een concurrent (al dan niet tijdelijk) van de markt geweerd wordt en derhalve belang hebben bij het opleggen van de tuchtsancties van schorsing en schrapping. Terzake was de raad van beroep deels samengesteld uit architecten en dit overeenkomstig de artikelen 28 en 29 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten. De eiser had dan ook een legitieme reden om te vrezen dat de leden-architecten van de raad van beroep belang bij hebben dat een concurrent (al dan niet tijdelijk) van de markt geweerd wordt en derhalve belang hebben bij het opleggen van de tuchtsancties van schorsing en schrapping en dat de raad van beroep de zaak derhalve niet op onafhankelijke en onpartijdige wijze zou beoordelen. De raad van beroep, deels samengesteld uit beroepsgenoten van de eiser, kon dan ook niet zonder schending van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter, zoals vervat in het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn en in artikel 6.1 EVRM, en voor zoveel als nodig, van de artikelen 28 en 29 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, de tenlastelegging gegrond verklaren en de eiser veroordelen tot de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 6 maanden. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; - artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna artikel 6.1 EVRM); - de artikelen 26 en 31 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten; - de artikelen 2, 463 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters vernietigen de beslissing van de provinciale raad van 6 april 2006 en beslissen dat zij ingevolge artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek de zaak aan zich dienen te trekken, op grond van de volgende overwegingen: "I. Omtrent de opgeworpen exceptie van nietigheid van de bestreden sententie: Het feit dat de adviserende rechtskundige bijzitter, lid van de raad, het recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van dat rechtsprekend orgaan is inderdaad in strijd met artikel 6.1 EVRM. De aangevochten beslissing is nietig. Krachtens artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vonnis alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Krachtens artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek maakt het hoger beroep het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Deze Raad van Beroep dient derhalve, gelet op de hogere beroepen, de zaak aan zich te trekken". Grieven Eerste onderdeel Artikel 6.1 EVRM, ook van toepassing in tuchtzaken, waarborgt aan eenieder een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Hoewel artikel 6.1 EVRM op zich geen recht op hoger beroep waarborgt, vereist deze bepaling wel dat, indien de wetgever een recht op hoger beroep heeft voorzien, dit recht niet volledig wordt uitgehold. Overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, zorgt de raad van de Orde voor de naleving van de voorschriften van de plichtenleer. Hij houdt toezicht op de eer, de discretie en de waardigheid van de leden van de Orde in de uitoefening en naar aanleiding van de uitoefening van het beroep en doet uitspraak in tuchtzaken. Artikel 26 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten bepaalt dat de nationale raad en de betrokkene binnen de termijn van dertig dagen beroep mogen instellen tegen elke beslissing van de raad die krachtens artikel 20 van deze wet is genomen. Conform de artikelen 12 en 13, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten wordt elke raad van de Orde bijgestaan door een rechtskundig bijzitter met raadgevende stem. De raad van de Orde kan slechts geldig beraadslagen indien de voorzitter of de ondervoorzitter en twee derden van de leden aanwezig zijn en indien hij bijgestaan wordt door de in artikel 12 bedoelde rechtskundig bijzitter of plaatsvervangend rechtskundig bijzitter (artikel 16 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten). De rechtskundig bijzitter kan bovendien, net zoals de nationale raad en de betrokkene hoger beroep instellen tegen elke beslissing in tuchtzaken van de raad, ook deze beslissingen waarvan hij de beraadslaging vooraf met raadgevende stem heeft bijgewoond (artikel 26, vierde lid, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten). Deze regeling is strijdig met artikel 6.1 EVRM, daar de organieke onpartijdigheid niet bestaanbaar is met een stelsel waarin een lid van een rechtsprekend orgaan het recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van dat orgaan. Ingevolge artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, dat ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijke Wetboek ook in tuchtzaken van toepassing is, maakt het hoger beroep het geschil zelf aanhangig in hoger beroep. De rechter in hoger beroep dient dan ook uitspraak over het geschil te doen, zelfs indien hij de beslissing van de eerste rechter vernietigt. Ingevolge deze regeling verliezen architecten een aanleg. Zij worden in eerste aanleg immers niet beoordeeld door een rechter die aan alle vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid voldoet en beschikken derhalve slechts éénmaal over een volwaardige aanleg. Het recht op hoger beroep dat de wetgever aan de architect waarborgt, wordt aldus volledig uitgehold. Door, na te hebben vastgesteld dat de beslissing van de provinciale raad nietig is wegens strijdigheid met artikel 6.1 EVRM, te beslissen dat de raad van beroep de zaak aan zich dient te trekken en ingevolge artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek opnieuw dient te beoordelen, ontnemen de appelrechters de eiser het recht op een dubbele aanleg, dat hem nochtans gewaarborgd wordt door artikel 26 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, en wordt diens recht op hoger beroep bijgevolg volledig uitgehold. Aldus schenden de appelrechters de artikelen 6.1 EVRM, 26 en 31 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten en de artikelen 2 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel De artikelen 10 en 11 van de Grondwet houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet beoordeeld worden met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is dan ook geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Artikel 6.1 EVRM, ook van toepassing in tuchtzaken, waarborgt aan eenieder een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Hoewel artikel 6.1 EVRM op zich geen recht op hoger beroep waarborgt, vereist deze bepaling wel dat, indien de wetgever een recht op hoger beroep heeft voorzien, dit recht niet volledig wordt uitgehold. Overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, zorgt de raad van de Orde voor de naleving van de voorschriften van de plichtenleer. Hij houdt toezicht op de eer, de discretie en de waardigheid van de leden van de Orde in de uitoefening en naar aanleiding van de uitoefening van het beroep en doet uitspraak in tuchtzaken. Artikel 26 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten bepaalt dat de nationale raad en de betrokkene binnen de termijn van dertig dagen beroep mogen instellen tegen elke beslissing van de raad die krachtens artikel 20 van deze wet is genomen. Conform de artikelen 12 en 13, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten wordt elke raad van de Orde bijgestaan door een rechtskundig bijzitter met raadgevende stem. De raad van de Orde kan slechts geldig beraadslagen indien de voorzitter of de ondervoorzitter en twee derden van de leden aanwezig zijn en indien hij bijgestaan wordt door de in artikel 12 bedoelde rechtskundig bijzitter of plaatsvervangend rechtskundig bijzitter (artikel 16 van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten). De rechtskundig bijzitter kan bovendien, net zoals de nationale raad en de betrokkene hoger beroep instellen tegen elke beslissing in tuchtzaken van de raad, ook deze beslissingen waarvan hij de beraadslaging vooraf met raadgevende stem heeft bijgewoond (artikel 26, vierde lid, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van de Orde van architecten). Deze regeling is strijdig met artikel 6.1 EVRM, daar de organieke onpartijdigheid niet bestaanbaar is met een stelsel waarin een lid van een rechtsprekend orgaan het recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van dat orgaan. Ingevolge artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, dat ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijke Wetboek ook in tuchtzaken van toepassing is, maakt het hoger beroep het geschil zelf aanhangig in hoger beroep. De rechter in hoger beroep dient dan ook uitspraak over het geschil te doen, zelfs indien hij de beslissing van de eerste rechter vernietigt. Ingevolge deze regeling verliezen architecten een aanleg. Zij worden in eerste aanleg immers niet beoordeeld door een rechter die aan alle vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid voldoet en beschikken derhalve slechts éénmaal over een volwaardige aanleg. Het recht op hoger beroep dat de wetgever aan de architect waarborgt, wordt aldus volledig uitgehold. Bij andere vrije beroepen beschikken de partijen wel over een volwaardige dubbele aanleg en bestaat voormelde strijdigheid met artikel 6.1 EVRM niet. Zo beschikken de advocaten ingevolge artikel 463 van het Gerechtelijk Wetboek wel over een volwaardige dubbele aanleg. Tussen de architecten en de beoefenaars van andere vrije beroepen, zoals de advocaten, bestaat er derhalve een verschil in behandeling zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat (artikelen 10 en 11 van de Grondwet). Door derhalve, na de beslissing van de eerste rechter te hebben vernietigd, de zaak met toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek naar zich te trekken en hierover uitspraak te doen binnen de perken van het hoger beroep, schenden de appelrechters de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en, voor zoveel als nodig, de artikelen 6.1 EVRM, 26 en 31 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten en 2, 463 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. De door de eiser opgeworpen vraag betreft een vraag als bedoeld in artikel 26, §1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het (Grondwettelijk Hof). Overeenkomstig artikel 26, §2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het (Grondwettelijk Hof) moet het Hof het (Grondwettelijk Hof) verzoeken over deze vraag uitspraak te doen. De eiser verzoekt het Hof derhalve het (Grondwettelijk Hof) te verzoeken uitspraak te doen over de volgende vraag: "Schenden de artikelen 12, 13, 16 en 26, vierde lid, van de Wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, samen gelezen met artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek en met artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de architecten ingevolge deze bepalingen bij de beoordeling van de tegen hen ingestelde tuchtvervolging niet over een volwaardige dubbele aanleg door een onafhankelijke en onpartijdige rechter beschikken, terwijl de andere beoefenaars van vrije beroepen wel over een dergelijke volwaardige dubbele aanleg beschikken bij de beoordeling van de tegen hen ingestelde tuchtvervolging?". Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna artikel 6.1 EVRM). Aangevochten beslissingen De Raad van Beroep van de Orde van architecten verklaart de tenlastegging gegrond en veroordeelt de eiser tot de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van zes maanden. Grieven Luidens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze bepaling geeft niet aan welk gevolg dient te worden verleend aan de overschrijding van de redelijke termijn, doch de rechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan er zich niet van onthouden deze overschrijding van de redelijke termijn te bestraffen. De eiser voerde in conclusie aan dat de ten laste gelegde feiten dateerden van 1998 en dat de rechter bij de beoordeling van de tuchtrechtelijke inbreuken hiermee rekening diende te houden. De eiser voerde meer bepaald aan dat: "D. Bijkomend subsidiair: inachtneming van de situering van de feiten in de tijd en van de redelijke termijn
  2. De Tuchtraad maakt in de bestreden beslissing geen enkele verwijzing naar het feit dat de weerhouden tenlasteleggingen van 1998 dateren. De aangegeven feiten dateren aldus van jaren terug vooraleer een tuchtrechtelijke beoordeling werd bekomen.
  3. Overeenkomstig de regelen van het strafrecht zouden alle in voorliggende zaak weerhouden tuchtrechtelijke inbreuken, of minstens het grootste gedeelte ervan, als reeds verjaard moeten worden beschouwd. De omstandigheid dat de tuchtvordering niet verjaart, ontslaat de tuchtrechter in principe niet van de plicht om rekening te houden met het vereiste van de redelijke termijn (Arbitragehof, 7 december 1999, nr. 129/1999).
  4. (De eiser) is dan ook van oordeel dat Uw Raad van Beroep met het tijdsverloop tussen het begaan van de inbreuken en de tuchtrechtelijke beoordeling ervan ten gunste van (de eiser) rekening dient te houden. (...) OM DEZE REDENEN Uiterst subsidiair ten aanzien van verzoekende partij een lagere tuchtstraf uit te spreken (...)". De appelrechters laten na dit verweer te beantwoorden en schenden dan ook artikel 149 van de Grondwet. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt niet dat zij onderzoeken of de redelijke termijn al dan niet was overschreden en of zij rekening houden met deze overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op het feit dat de eiser aanvoerde dat de redelijke termijn overschreden was, dienden de appelrechters dit te onderzoeken en hieraan desgevallend een passend gevolg te verlenen. Door na te laten dit te doen, schenden de appelrechters dan ook artikel 6.1 EVRM. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 4 en 10 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect; - de artikelen 20, 21 en 24 van het reglement van beroepsplichten van architecten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april
  5. Aangevochten beslissingen De Raad van Beroep van de Orde van architecten verklaart de tenlastelegging gegrond en veroordeelt de eiser tot de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van zes maanden. De appelrechters overwegen dat: "II. Omtrent de grond: (De eiser) concludeert zelf dat hij met de NV D&V Consulting een samenwerking-overeenkomst sloot waarin werd bedongen dat het bureau o.m. met betrekking tot de bouw van vier residenties te Koksijde opdracht werd gegeven het project te begeleiden (contacten tussen bouwheer, ontwerper, diverse openbare diensten en aannemer) met daarbij een superviserende technisch-administratieve controle en coordinatie. Toegevoegd werd dat de tienjarige aansprakelijkheid onverminderd bij (de eiser) blijft. De afgevaardigde-bestuurder van dit ingenieursbureau bevestigde bij zijn verhoor op 14 april 2005 dat de controle op de uitvoering van de werken aan de vennootschap was gedelegeerd geworden en effectief werd uitgevoerd door haar. De 80 werfverslagen in het bouwdossier tonen dit ook aan. Deze verslagen zijn opgemaakt onder hoofding van D&V Consulting. De naam van (de eiser) wordt daarin niet vermeld. Zoals blijkt uit onderzoek van andere dossiers ging (de eiser) aldaar op dezelfde wijze tewerk. Hij betwist niet dat bij D&V Consulting, geen architecten tewerkgesteld waren. Hij erkent alzo, minstens impliciet, dat de controle op de uitvoering van de werken niet door hem geschiedde en tevens erkent hij expliciet dat deze controle gebeurde door "niet-architecten" en dit met zijn medeweten. Het feit dat volgens hem de 80 werfverslagen aantonen dat de werken op professionele wijze effectief en afdoende werden opgevolgd doet daaraan niets af Ook de bemerking dat hij de tienjarige aansprakelijkheid behield is irrelevant. Deze aansprakelijkheid is trouwens van openbare orde en elk tegenstrijdig beding zou nietig moeten verklaard worden. Of deze activiteiten kaderen binnen het statutair doel van het ingenieursbureau is een aangelegenheid die zonder belang is voor de beoordeling van de aan (de eiser) ten laste gelegde inbreuk. Ook de beweegredenen voor het oprichten van die vennootschap doen alhier niets terzake. In de mate dat (de eiser) daarop terug komt zal om die redenen daarop niet worden ingegaan. Dit is nuttig doch dienend. De controle op de uitvoering der werken door (de eiser) is principieel persoonlijk, tenzij wanneer hij de verzekering heeft dat een ander architect hiermede wordt belast. In beginsel mag deze taak niet aan medewerkers niet-architecten worden overgedragen. Bewezen is dat (de eiser) jarenlang aan personen die daartoe niet bevoegd waren de controle op de uitvoering der werken heeft gedelegeerd. De inbreuk op artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 en op artikel 21 van het reglement van beroepsplichten is bewezen, zo ook de hieruit voortvloeiende aantasting van de eer en de waardigheid van het beroep van architect. Een schorsing van zes maanden is de passende tuchtsanctie voor dergelijke ernstige overtreding". Grieven Eerste onderdeel Artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect bepaalt dat de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren een beroep moeten doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Artikel 10 van voormelde wet van 20 februari 1939 bepaalt dat wie zich, zonder daartoe gerechtigd te zijn, in het openbaar de titel van architect toekent, wordt gestraft. Artikel 20 van het Reglement van beroepsplichten bepaalt dat voor iedere opdracht de overeenkomst tussen bouwheer en architect schriftelijk dient te worden opgesteld, ten laatste op het ogenblik dat de opdracht bepaald werd. Deze overeenkomst moet duidelijk de wederzijdse verplichtingen der partijen bepalen, zoals zij uit het reglement van beroepsplichten voortvloeien. De overeenkomst bepaalt onder de hierna vermelde opdrachten deze waarmee de architect belast is: (...) - het uitvoeringsdossier en de opdracht voor de controle der werken; (...). Overeenkomstig artikel 21 van voormeld reglement van beroepsplichten mag de architect, in toepassing van de wet van 20 februari 1939, de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp niet aanvaarden zonder tegelijkertijd te zijn belast met de controle op de uitvoering der werken. Van dit beginsel wordt afgeweken wanneer de architect de verzekering heeft dat een ander architect, ingeschreven op een tableau of op een lijst van stagiairs, met de controle belast is. Hoewel uit deze bepalingen voortvloeit dat de architect geen architectenopdracht mag aanvaarden, zonder dat hierin de opdracht voor de controle van de werken vervat ligt, betekent dit niet dat de architect voor de effectieve controle van de werken geen beroep kan doen op technische adviseurs die desgevallend geen architecten zijn. Voormelde wettelijke bepalingen vereisen immers niet dat de architect persoonlijk de controle uitvoert. Dit blijkt nog uit artikel 24 van het reglement van beroepsplichten dat toelaat dat de architect beroep doet op technisch adviseurs. Enkel een volledige overdracht van de controleopdracht is verboden. Geen enkele wettelijke bepaling verzet er zich tegen dat de controle wordt uitgeoefend door een technisch adviseur onder toezicht van de architect en dat de architect zich door deze persoon laat vertegenwoordigen op voorwaarde dat hij de eindverantwoordelijkheid voor de controle op de werken blijft behouden. Door te beslissen dat de controle op de uitvoering der werken door de architect principieel persoonlijk is, tenzij wanneer hij de verzekering heeft dat een ander architect hiermede wordt belast en dat medewerkers niet-architecten niet met deze taak mogen worden belast en derhalve de architect niet mogen vertegenwoordigen, schenden de appelrechters de artikelen 4 en 10 van de Wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en de artikelen 20, 21 en 24 van het Reglement van Beroepsplichten van architecten, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april
  6. Tweede onderdeel Artikel 4 van de Wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect bepaalt dat de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren een beroep moeten doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Artikel 10 van voormelde wet van 20 februari 1939 bepaalt dat wie zich, zonder daartoe gerechtigd te zijn, in het openbaar de titel van architect toekent, wordt gestraft. Artikel 20 van het Reglement van beroepsplichten bepaalt dat voor iedere opdracht de overeenkomst tussen bouwheer en architect schriftelijk dient te worden opgesteld, ten laatste op het ogenblik dat de opdracht bepaald werd. Deze overeenkomst moet duidelijk de wederzijdse verplichtingen der partijen bepalen, zoals zij uit het reglement van beroepsplichtingen voortvloeien. De overeenkomst bepaalt onder de hierna vermelde opdrachten deze waarmee de architect belast is: (...) - het uitvoeringsdossier en de opdracht voor de controle der werken; (...). Overeenkomstig artikel 21 van voormeld reglement van beroepsplichten mag de architect, in toepassing van de wet van 20 februari 1939, de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp niet aanvaarden zonder tegelijkertijd te zijn belast met de controle op de uitvoering der werken. Van dit beginsel wordt afgeweken wanneer de architect de verzekering heeft dat een ander architect, ingeschreven op een tableau of op een lijst van stagiairs, met de controle belast is. Hoewel uit deze bepalingen voortvloeit dat de architect geen architectenopdracht mag aanvaarden, zonder dat hierin de opdracht voor de controle van de werken vervat ligt, betekent dit niet dat de architect voor de effectieve controle van de werken geen beroep kan doen op technische adviseurs die desgevallend geen architecten zijn. Voormelde wettelijke bepalingen vereisen niet dat de architect persoonlijk de controle uitvoert. Dit blijkt verder uit artikel 24 van het reglement van beroepsplichten dat toelaat dat de architect beroep doet op technisch adviseurs. De eiser voerde in conclusie aan dat de controleopdracht werd toevertrouwd aan een ingenieursbureau dat optrad als vertegenwoordiger van de architect. De eiser benadrukte dat de controle-opdracht niet werd afgesplitst van de opdracht tot het opmaken van de plans en dat hij hoe dan ook de eindverantwoordelijkheid bleef behouden voor de controle op de werken. De eiser voerde meer bepaald aan dat: "Deze architectuuropdracht is door (de eiser) middels zijn vennootschap BVBA E&L PROJECTS uitgevoerd geworden. De coördinatie-opdracht verbonden aan voornoemd project is toevertrouwd geworden aan de NV D&V CONSULTING middels het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst op 27/11/1998, waarbij de opdracht van D&V CONSULTING als volgt werd omschreven: Dit ingenieursbureau (= D&V CONSULTING) treedt op als vertegenwoordiger van (de eiser) en krijgt als opdracht de begeleiding van het project (contact tussen bouwheer, ontwerpers, diverse (openbare) diensten en aannemers) en een superviserende technisch-administratieve controle en coördinatie. De verantwoordelijkheid in het kader van de 10-jarige aansprakelijkheid blijft onverminderd bij (de eiser).
  7. De opdracht in hoofde van D&V CONSULTING bestond aldus in wezen in de uitvoering van de taken op het terrein, terwijl (de eiser) zicht voornamelijk heeft ingelaten met de uitwerking van het concept en de plannen. In het kader van voornoemde samenwerkingsovereenkomst heeft D&V CONSULTING de coördinatie van de werkzaamheden op het bouwperceel waargenomen. (...)
  8. Een beroep doen op technische adviseurs voor uitvoerende taken met betrekking tot opdrachten die behoren tot het takenpakket van een architect is toegelaten en mogelijk. Nergens kan uit het Reglement van beroepsplichten van 18 april 1985 worden afgeleid dat de opdrachthoudende architect ook zelf effectief dient in te staan voor de uitvoering van de controle-opdracht. De artikelen 20 en 21 van het Reglement kunnen enkel in die zin worden opgevat, dat het aan een architect deontologisch verboden is om van de bouwheer een architectenopdracht te aanvaarden zonder dat daarin een controle op de uitvoering van het ontworpen concept zou zijn vervat. De controle-opdracht mag met andere woorden niet worden afgesplitst van de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp, tenzij een andere architect zou instaan voor de controle, waardoor de bouwheer alsdan verplicht is met twee architecten te werken. In casu heeft (de eiser) geenszins ten aanzien van de bouwheer de controletaak van de opdracht tot het opmaken van een uitvoeringsconcept afgesplitst. De overeenkomst van (de eiser) met de opdrachtgever voorziet onbetwistbaar in een volledige architectenopdracht, inclusief controle van de werken, hetgeen zelfs uitdrukkelijk tot uiting komt in de bepaling van het ereloon (5 pct. van de bouwkosten voor de architectuuropdracht en 3 pct. van de bouwkosten voor de coördinatieopdracht). De enige doelstelling welke uit artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 - dat voorziet dat de bouwheer een beroep dient te doen op de medewerking van een architect voor de controle op de uitvoering van de werken - betreft de eindverantwoordelijkheid die met betrekking tot deze controle noodzakelijkerwijze bij de architect dient te berusten. Deze bepaling houdt geenszins in zich dat de opdrachthoudende architect lijfelijk deze voorziene controle dient uit te voeren. De delegatie van het dagelijks en bestendig toezicht op de bouwwerken hoeft niet door de architect in persoon te gebeuren, doch kan eveneens door een aangestelde worden waargenomen (BAERT G, Bestendig Handboek Privaatrechtelijk Bouwrecht, Kluwer, 2005, IV 2-28, C). De architect mag voor zijn beroepsverrichtingen op het werk een medewerker die geen architect, is aanstellen voor zover deze onder zijn toezicht en op zijn verantwoordelijkheid handelt (Rb. Nijvel, 4 oktober 1977, Res.Jur.lmm., 1978, 7). Terzake kan eveneens worden verwezen naar de situatie zoals deze in Nederland bestaat aangaande de "directievoering tijdens de uitvoering" (= controle op de werken). Omtrent de verplichting tot het uitoefenen van de controle op de werken voorziet de Nederlandse regelgeving dat de architect zich bij de directievoering kan laten bijstaan door één of meer opzichters indien en voor zover dit naar het oordeel van de architect voor een behoorlijke vervulling van de opdracht nodig is, waarbij de opdrachtgever ook ander personeel dan dat van de architect met het toezicht kan belasten. Kortom, in Nederland moet de architect in de regel niet zelf toezicht houden, maar moet hij enkel voor dat er toezicht wordt uitgeoefend (VAN HOUTTE V, aansprakelijkheid voor controle op uitvoering van bouwwerken, T. Aann., 1988, p. 408). De veel strengere interpretatie die door (de verweerster) omtrent artikel 4 van de Architectenwet wordt weerhouden, is dan ook deontologisch niet verrechtvaardigbaar, aangezien in Nederland een delegatie zoals thans door (de eiser) is doorgevoerd geworden deontologisch mogelijk is. (De eiser) kan zich onmogelijk voorstellen dat Nederland, of (de verweerster) aldaar, een veel lakser beleid op het vlak van aannemings- en bouwvoorwaarden zou kunnen worden verweten dan België.
  9. Noch uit de artikelen 4 en 10 van de wet van 20 februari 1939, noch uit de artikelen 20 en 21 van het Reglement van beroepsplichten van 18 april 1985, kan worden afgeleid dat een architect verplichtend de controle in al haar materiële aspecten dient uit te voeren. Voor zover de verplichting tot controle door een architect bestaande is, kan deze verplichting hoogstens in die zin worden begrepen dat een architect de (juridische) eindverantwoordelijkheid dient te dragen omtrent de verplichtend uit te oefenen controle op de bouwwerken. Dit is de enige en werkelijke doelstelling van de verplichting tot het uitoefenen van de controle dor een architect, met name vermijden dan een architect zich contractueel zou beperken tot het uitwerken van een bouwontwerp en de bouwheer zou verplichten de controle over de uitvoering van het ontworpen concept aan iemand anders toe te vertrouwen die eventueel geen architect is. Dergelijke situatie zou zijn implicaties kunnen hebben op het vlak van aansprakelijkheid voor de uitgevoerde bouwwerken en de controle erover, welke de regelgever middels het voorzien van voormelde bepalingen bij de architecten heeft behouden. Aldus is wie de materiële controle op de werken uitoefent, niet van doorslaggevend belang, doch wel wie er de eindverantwoordelijkheid ten overstaan van de bouwheer voor draagt. In voorliggend geval bleef de juridische eindverantwoordelijkheid, overeenkomstig de termen van de samenwerkingsovereenkomst van 27/11/1998 met D&V CONSULTING, bij (de eiser) (De verantwoordelijkheid in het kader van de 10-jarige aansprakelijkheid blijft onverminderd bij de architect). In tegenstelling tot hetgeen (de verweerster) van de Provincie West-Vlaanderen meent te moeten suggereren, was het contractueel voorzien van bedingen m.b.t. het behouden van de leiding en het toezicht geenszins een ontwijken van de verplichtingen betreffende de wettelijke opdracht aangaande het houden van controle. Integendeel werd door het inlassen van deze bedingen van toezicht en leiding ten aanzien van de bouwheer de eindverantwoordelijkheid voor het concept én de uitvoering ervan lastens de opdrachthoudende architect gegarandeerd en bewaard. Mocht zich een probleem in het concept, de uitvoering of de controle hebben voorgedaan, was (de eiser) finaal diegene die voor dit probleem ten aanzien van de bouwheer diende in te staan. Door aldus te handelen heeft (de eiser) in casu alle op hem rustende wettelijke en deontologische verplichtingen voldaan, zelfs al werden de materiële aspecten van de controleplicht door D&V CONSULTING uitgevoerd. De doelstellingen zoals door de ingeroepen regelgeving beoogd, zijn in voorliggende zaak gerealiseerd geworden, meer bepaald ingevolge de uitvoering van een effectieve en nauwgezette controle op de bouwwerken en ingevolge het behouden van de finale eindverantwoordelijkheid inzake leiding en toezicht in hoofde van (de eiser). Getuige daarvan het feit dat met betrekking tot de gerealiseerde bouwwerken geen enkele bemerking of klacht door de bouwheer of latere kopers is geformuleerd geworden. Dat de controle door D&V CONSULTING niet op behoorlijke wijze zou hebben plaatsgevonden, dient in deze dan ook ten zeerste worden tegengesproken. Op grond van het voorgaande kan er aldus geen sprake van enige tekortkoming aan de wet van 20 februari 1939 of het Reglement van Beroepsplichten in hoofde van (de eiser) zijn". (akte van beroep van de eiser van 26 juni 2006, blz. 6-9) De appelrechters overwegen in dit verband enkel dat bewezen is dat de eiser de controle op de uitvoering van de werken heeft gedelegeerd aan niet-architecten. Overeenkomstig het Van Dale Groot Woordenboek hedendaags Nederlands heeft de term ‘delegeren' een dubbele betekenis, met name, enerzijds, ‘overdragen' en, anderzijds, ‘afvaardigen'. In zijn betekenis van overdragen, houdt delegeren een werkelijke overdracht van bevoegdheid in. De artikelen 4 en 10 van de Wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en de artikelen 20, 21 en 24 van voormeld Reglement van beroepsplichten verzetten zich tegen een dergelijke overdracht van de controleopdracht van de architect. Delegeren betekent echter ook ‘afvaardigen', dit is afzenden en machtigen om iemand te vertegenwoordigen. De persoon aan wie gedelegeerd werd, treedt op in naam van voor rekening van de persoon die delegeerde. Een dergelijke vertegenwoordiging van de architect door een technisch adviseur wordt door voormelde bepalingen niet verboden. De eiser voerde in conclusie aan dat de controleopdracht van de eiser gedelegeerd werd in de zin van ‘afvaardigen'. De eiser benadrukte immers dat het ingenieursbureau hem slechts vertegenwoordigde, dat de controle op de uitvoering van de werken gebeurde onder leiding en toezicht van de eiser en dat hij zelf de eindverantwoordelijkheid behield, zodat er geenszins een overdracht van de controleopdracht had plaatsgevonden. De appelrechters beslissen in algemene termen dat de eiser de controle op de uitvoering van de werken heeft gedelegeerd zonder te onderzoeken waarin die delegatie precies bestond en zonder te antwoorden op het verweer van de eiser dat er geenszins een overdracht van bevoegdheden had plaatsgevonden. Door niet te antwoorden op bovenvermeld omstandig verweer van de eiser schenden de appelrechters de motiveringsverplichting, zoals vervat in artikel 149 van de Grondwet. Nu de appelrechters niet specifiëren of zij van oordeel zijn dat de eiser zijn controleopdracht had overgedragen dan wel of hij zich had laten vertegenwoordigen bij de uitoefening van de controleopdracht, laten de door de appelrechters gegeven redenen het Hof niet toe om de wettigheid van de bestreden beslissing te controleren. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 149 van de Grondwet. Door ten slotte te beslissen dat de inbreuk op de artikelen 4 en 10 van de wet van 20 februari 1939 en 21 van het Reglement van Beroepsplichten bewezen is, zonder te onderzoeken of er een werkelijke overdracht van de controleopdracht heeft plaatsgevonden en er niet louter sprake was van een vertegenwoordiging van de eiser door een technisch adviseur, schenden de appelrechters de artikelen 4 en 10 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en 20, 21 en 24 van het Reglement van beroepsplichten. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  10. Krachtens artikel 6.
  11. EVRM, heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij wet is ingesteld. Een tuchtprocedure die voor gevolg heeft of volgens de nationale wet, tot gevolg kan hebben dat aan de betrokkene tijdelijk of definitief een burgerlijk recht wordt ontnomen, met name het recht om nog langer een beroep uit te oefenen dat geen openbaar ambt is, wordt voor de toepassing van voormeld artikel 6.1., beschouwd als een procedure met als voorwerp het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die bepaling.
  12. De raden van de Orde en de raden van beroep, en niet de Orde van architecten, zijn, overeenkomstig de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, de rechtsprekende organen. De leden van de raden hebben zitting als rechter in persoonlijke naam en niet als vertegenwoordigers van de Orde. Tussen de raden van de Orde van architecten en de nationale raad bestaat geen organieke band.
  13. Uit de enkele omstandigheid dat de raad van de Orde en de raad van beroep, organen van de Orde van architecten, uitspraak doen in tuchtzaken terwijl de nationale raad van de Orde, een ander orgaan van diezelfde Orde, kan tussenbeide komen in het debat dat voor de raad van beroep naar aanleiding van een tuchtzaak wordt gevoerd, en de veroordeling van de vervolgde partij kan vorderen, volgt niet dat de rechtsprekende raden van de Orde niet onafhankelijk of niet onpartijdig zouden zijn. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  14. Krachtens het artikel 28 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten bestaat de raad van beroep uit drie door de Koning aangewezen raadsheren, titularis of honorair, bij het hof van beroep, alsmede uit drie andere leden, door het lot aangewezen onder de leden van de raden van de Orde.
  15. Uit de omstandigheid alleen dat de raad van beroep deels is samengesteld uit beroepsgenoten van de betrokkene valt niet af te leiden dat dit rechtscollege niet onafhankelijk en onpartijdig is in de zin van artikel 6.
  16. EVRM. Deze samenstelling schendt evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel
  17. Het middel is volledig gebaseerd op de onderstelling dat de rechtspleging in eerste aanleg strijdig is met het EVRM doordat de rechtskundig bijzitter op grond van artikel 26 van de wet van 26 juni 1963 een recht heeft hoger beroep in te stellen.
  18. De eiser voert in het middel schending aan van artikel 26 van de wet van 26 juni 1963 aan, zonder enige precisering en inzonderheid zonder vermelding dat de aangewezen wetsbepaling die was welke gold voor de wijziging van die wet bij wet van 7 juli
  19. In de laatste geldende versie geldt de rechtstoestand die de eiser omschrijft, niet meer. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  20. In zijn conclusie van 29 juni 2006 voor de raad van beroep vorderde de eiser dat de raad van beroep ten zijnen gunste rekening zou houden met het tijdsverloop verstreken tussen het begaan van de inbreuken en de tuchtrechtelijke beoordeling ervan.
  21. De raad van beroep oordeelt dat het bewezen is dat de eiser jarenlang aan personen die daartoe niet bevoegd waren de controle op de uitvoering van de werken heeft gedelegeerd en dat een schorsing van zes maanden de passende tuchtsanctie is voor dergelijke ernstige overtreding. Hij beantwoordt en verwerpt aldus het bedoelde verweer. Het middel mist, in zoverre, feitelijke grondslag.
  22. De redelijke termijn begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de betrokkene door de tuchtoverheid wordt beschuldigd. Een persoon is beschuldigd wanneer hij in verdenking wordt gesteld wegens het plegen van een tuchtrechtelijk sanctioneerbaar feit of wanneer hij wegens enige daad van onderzoek onder de dreiging van een tuchtvervolging leeft en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand.
  23. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de redelijke termijn een aanvang neemt vanaf het ogenblik waarop de ten laste gelegde feiten werden gepleegd, faalt het naar recht. Vierde middel Eerste onderdeel
  24. Krachtens artikel 21 van het Reglement van beroepsplichten der architecten op 16 december 1983 door de Nationale Raad van de Orde der architecten vastgelegd en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 april 1985, mag de architect de opdracht voor het opmaken van een uitvoeringsontwerp niet aanvaarden zonder tegelijkertijd te zijn belast met de controle op de uitvoering van de werken, tenzij hij de verzekering heeft dat een andere architect hiermee wordt belast. Voormelde controle door de architect op de uitvoering van de werken impliceert een regelmatig bezoek aan de werf die hem toelaat na te gaan of de werken effectief conform de plannen worden uitgevoerd en, gelet op zijn vakkennis op te treden wanneer problemen bij de uitvoering rijzen en deze desgevallend op te lossen. De vereiste van persoonlijke controle op de uitvoering van de werken door de architect, tenzij wanneer deze de verzekering heeft dat een andere architect hiermee wordt belast, brengt met zich mee dat deze taak in beginsel niet aan medewerkers niet-architecten mag worden gedelegeerd.
  25. De raad van beroep oordeelt dat: - de eiser zelf concludeerde dat hij met de nv D&V Consulting een samenwerkingsovereenkomst sloot waarin werd bedongen dat aan deze laatste o.m. met betrekking tot de bouw van vier residenties te Koksijde de opdracht werd gegeven "het project te begeleiden (contracten tussen bouwheer, ontwerper, diverse openbare diensten en aannemer) met daarbij een superviserende technisch administratieve controle en coördinatie"; - de afgevaardigde-bestuurder van dit ingenieursbureau bevestigde "dat de controle op de uitvoering van de werken aan de vennootschap was gedelegeerd geworden en effectief werd uitgevoerd door haar"; - 80 werfverslagen in het bouwdossier dit aantonen; - deze verslagen zijn opgemaakt onder de hoofding van de nv D&V Consulting, zonder dat de naam van de eiser daarin wordt vermeld; - uit het onderzoek is gebleken dat de eiser ook in andere dossiers op dezelfde wijze te werk ging; - door de eiser niet werd betwist dat in kwestieus ingenieursbureau geen architecten tewerkgesteld waren; - de eiser aldus minstens impliciet erkende "dat de controle op de uitvoering van de werken niet door hem geschiedde" en "dat deze controle gebeurde door ‘niet-architecten' en dit met zijn medeweten".
  26. De raad van beroep, die met die redenen oordeelt dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan tekortkomingen aan de regels van de plichtenleer inzake de controle, schendt de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  27. Met de redenen vermeld onder randnummer 13, geeft de raad van beroep te kennen dat de eiser zijn controleopdracht als architect had overgedragen aan het ingenieursbureau nv D&V Consulting.
  28. Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, berust op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing en mist mitsdien feitelijke grondslag.
  29. Met dezelfde redenen verwerpt en beantwoordt de raad van beroep het in het onderdeel bedoelde verweer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. De kosten begroot op de som van 440,34 euro jegens de eisende partij en op de som van 236,27 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Didier Batselé, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 13 maart 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100226.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100903.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110617.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121116.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001215.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240418.1N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.