← België

ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.12 Rolnummer: D.07.0005.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2008-04-14 Raadplegingen: 759 - laatst gezien 2026-07-03 16:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de omstandigheid alleen dat de tuchtraad van beroep van de Orde van advocaten is samengesteld uit vier advocaten en een magistraat valt niet af te leiden dat dit rechtscollege niet onafhankelijk en onpartijdig is in de zin van artikel 6.1, van het E.V.R.M.; deze samenstelling schendt evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter

(1).
(1)Cass., 5 jan. 2006, AR D.05.0005.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.7, A.C., 2006, nr. ...; zie Cass., 13 maart 2008, AR D.07.0002.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10, supra, nr. ...(architecten). Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Tuchtzaken - Orde van advocaten - Tuchtraad van beroep - Samenstelling - Onafhankelijkheid - Onpartijdigheid Thesaurus CAS: ADVOCAAT UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Orde van advocaten - Tuchtzaken - Tuchtraad van beroep - Samenstelling - Artikel 6.1 E.V.R.M. - Onafhankelijkheid - Onpartijdigheid Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Onafhankelijkheid - Onpartijdigheid - Orde van advocaten - Tuchtzaken - Tuchtraad van beroep - Samenstelling Fiche 4 Uit de omstandigheid alleen dat de tuchtraad van de Orde van advocaten in hoger beroep is samengesteld uit een magistraat aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep en vier advocaten, waarvan twee van de balie van de eiser, kan niet worden afgeleid dat de leden-advocaten er belang bij hebben een concurrent van de markt te weren. Thesaurus CAS: ADVOCAAT UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Orde van advocaten - Tuchtzaken - Tuchtraad van beroep - Samenstelling - Leden-advocaten - Concurrentie Fiches 5 - 6 Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 6.1. E.V.R.M. die onder meer het recht inhouden om zichzelf te verdedigen, brengen niet met zich mee dat de tuchtrechtelijk vervolgde advocaat een onbeperkt aantal keren om uitstel van behandeling kan vragen; het feit dat hij geen beroep wenst te doen op de vertegenwoordiging door een raadsman doet hieraan niet af. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Tuchtzaken - Vraag tot uitstel Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - TUCHTZAKEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Vraag tot uitstel Fiches 7 - 8 De tuchtrechter bepaalt, binnen de bij de wet en het E.V.R.M. gestelde perken, in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuken; het Hof vermag evenwel na te gaan of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt of werd geoordeeld met miskenning van artikel 3 E.V.R.M.
(1).
(1)Zie Cass., 27 okt. 2006, AR D.05.0028.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.3, A.C, 2006, nr. ...(dierenartsen). Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Tuchtzaken - Tuchtrechter - Tuchtstraf - Beoordelingsbevoegdheid - Evenredigheid - Toetsing door het Hof van cassatie Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Foltering - art. 3 Vrije woorden: Tuchtzaken - Tuchtrechter - Tuchtstraf - Beoordelingsbevoegdheid - Evenredigheid - Artikel 3 E.V.R.M. - Toetsing door het Hof Tekst van de beslissing Nr. D.07.0005.N M.K., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, wiens parket-generaal gevestigd is te 1000 Brussel, Gerechtshof, Poelaertplein 1, verweerster, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 22 januari 2007 gewezen door de Tuchtraad van Beroep (van de Orde van advocaten) van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3, 6 en 13 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn en het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft; - de artikelen 460, 462, 473 en 758, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek in de versie vooraleer deze eerste drie artikelen vervangen werden respectievelijk bij de artikelen 12, 13 en 18 van de wet van 21 juni 2006; - artikel 334 van de deontologische regelen van de Nederlandse Orde van advocaten bij de Balie te Brussel. Aangevochten beslissingen De bestreden beslissing weigert het door de eiseres gevraagde uitstel toe te staan, verklaart het verzet regelmatig naar vorm en termijn alsook het hoger beroep regelmatig naar vorm en termijn doch bevestigt vervolgens de beroepen beslissing van 29 augustus 2006 waarbij aan de eiseres de tuchtstraf van schrapping werd opgelegd op grond van de volgende redengeving: "Gezien de stukken van de rechtspleging, met inbegrip van het tuchtdossier; Gehoord ter zitting van 22 januari 2007: -dhr. R. Debruyne, Advocaat-Generaal, in zijn vordering; (...) dat (de eiseres), hoewel regelmatig opgeroepen bij aangetekend schrijven dd. 29 december 2006, niet is verschenen ter zitting van 22 januari 2007; dat haar nieuw verzoek tot uitstel, ontvangen bij fax van 22 januari 2007 om 13.28 uur, niet werd toegestaan, om reden dat de (systematisch) ingeroepen medische redenen haar geenszins beletten zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman; (...) dat het verzet regelmatig is naar vorm en termijn; (...) dat het hoger beroep regelmatig is naar vorm en termijn; (...) dat, na onderzoek van de zaak in hoger beroep, alle tenlasteleggingen bewezen zijn gebleken: dat, gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten gepleegd door (de eiseres), die reeds voor gelijkaardige feiten tot een tuchtstraf veroordeeld werd, de Raad van Orde terecht de tuchtstraf van schrapping opgelegd heeft". Grieven Eerste onderdeel Op grond van artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, dat eveneens geldt in tuchtzaken, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijke instantie die bij wet is ingesteld. Het recht op een onafhankelijk en onpartijdige gerechtelijke instantie maakt tevens een algemeen rechtsbeginsel uit. Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijk instantie vereist dat er regels zijn met betrekking tot de samenstelling van deze instantie die het mogelijk maken elke legitieme twijfel omtrent de onvatbaarheid van deze instantie voor externe factoren en omtrent haar neutraliteit ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen uit de geest van de rechtzoekende te bannen. Een rechtelijke instantie die geroepen is om uitspraak te doen over een tuchtzaak en aldus aan de tuchtrechtelijk vervolgde persoon een al dan niet tijdelijk beroepsverbod kan opleggen en deels is samengesteld uit beroepsgenoten van de vervolgde persoon, voldoet niet aan voormelde waarborg van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De tuchtrechtelijk vervolgde persoon heeft immers een legitieme reden om te vrezen dat voormelde leden van de rechterlijke instantie er belang bij kunnen hebben dat een concurrent al dan niet tijdelijk van de markt geweerd wordt en derhalve belang hebben bij het opleggen van de tuchtsancties van schorsing en schrapping. Ter zake was de tuchtraad van beroep overeenkomstig artikel 473 van het Gerechtelijk Wetboek samengesteld door een magistraat aangewezen door de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel en door vier advocaten waarvan twee advocaten van de balie van eiseres deel uitmaken overeenkomstig het voorlaatste lid van artikel 473 van het Gerechtelijk Wetboek. De eiseres had dan ook een legitieme reden om te vrezen dat de leden-advocaten van de tuchtraad van beroep er belang bij hebben dat een concurrent al dan niet tijdelijk van de markt geweerd wordt en derhalve belang hebben bij het opleggen van de tuchtsanctie van schrapping zodat de tuchtraad van beroep de zaak derhalve niet op onafhankelijke en onpartijdige wijze zou beoordelen. De tuchtraad van beroep, voor vier vijfden samengesteld uit beroepsgenoten van de eiseres, kon dan ook niet zonder schending van het recht op een onafhankelijke onpartijdige rechter zoals vervat in het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn en in artikel 6.1 EVRM en voor zoveel als nodig artikel 473 van het Gerechtelijk Wetboek de tenlasteleggingen gegrond verklaren en de eiseres veroordelen tot de tuchtstraf van schrapping. Tevens schenden de appelrechters aldus artikel 13 EVRM dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgt. Tweede onderdeel Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel dat het recht van verdediging waarborgt en artikel 6.1 EVRM bepaalt ieder tuchtrechtelijk vervolgde persoon vrijelijk de wijze waarop hij zich wenst te verdedigen. Te dezen had de eiseres in haar schrijven van 22 januari 2006 aan de tuchtraad van beroep medegedeeld dat zij reeds eerder had benadrukt dat zij persoonlijk bij de behandeling van de zaak aanwezig wenste te zijn. Zij deelde evenwel mede dat zij, om reden dat zij tot haar grote spijt de zaterdag voordien het slachtoffer was geweest van fysische agressie met letsels aan de rugwervels tot gevolg die haar elke verplaatsing onmogelijk maakte en haar enorm veel pijn bezorgde, niet persoonlijk aanwezig kon zijn om haar verdediging voor te dragen en om die reden verzocht, gelet op voormelde overmacht, om een uitstel. Tevens voegde zij bij haar verzoek een medisch attest waarin werd bevestigd dat de eiseres omwille van een ongeluk haar overkomen op 20 januari 2007 zich niet kon verplaatsen. De tuchtraad van beroep weigert evenwel een uitstel toe te staan om de enkele reden dat de systematisch ingeroepen medische redenen haar geenszins beletten zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman. Uit het algemeen rechtsbeginsel dat het recht van verdediging waarborgt en artikel 6 EVRM volgt evenwel dat de tuchtrechtelijke persoon vrijelijk op de wijze die hij bepaalt zijn verdediging voert. Dit houdt in dat de tuchtrechtelijk vervolgde het recht heeft om persoonlijk aanwezig te zijn op de zitting waarop zijn zaak wordt behandeld. Door het uitstel te weigeren om de enkele reden dat de eiseres zich had kunnen laten vertegenwoordigen door een raadsman schenden de appelrechters voormeld rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging waarborgt alsook artikel 6.1 EVRM. Derde onderdeel Luidens artikel 334 van de deontologische regelen van de Nederlandse Orde van de advocaten bij de Balie te Brussel dient de advocaat die voor de tuchtraad dient te verschijnen zich te laten bijstaan door een confrater. Overeenkomstig artikel 758, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter aan een partij de uitoefening van het recht om zelf conclusies en verweermiddelen voor te dragen ontzeggen indien hij bevindt dat zij door drift of onbedrevenheid buiten staat zijn hun zaak met de vereiste betamelijkheid of met de nodige duidelijkheid te bespreken. Te dezen waren de appelrechters ervan op de hoogte gebracht zoals blijkt uit de brief die door de eiseres werd gezonden naar de tuchtraad in beroep, dat de eiseres tengevolge van een ongeval haar overkomen fysisch niet in staat was om zich persoonlijk te komen verdedigen. In dat geval had de tuchtraad van beroep, vaststellende dat de eiseres in de fysische onmogelijkheid was om zich persoonlijk te verdedigen, in toepassing van artikel 334 van voormeld reglement en artikel 758, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve een advocaat moeten aanduiden om de verdediging van de belangen van de eiseres op zich te nemen. Door dit niet te doen, hoewel de eiseres zelf niet in staat was haar verdediging voor te dragen, schenden de appelrechters artikel 334 van het voormelde reglement, artikel 758, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek alsook het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging voor het recht van verdediging voorschrijft en artikel 6 EVRM. Vierde onderdeel Luidens artikel 462 van het Gerechtelijk Wetboek kan iedere advocaat die voor de tweede maal geschorst wordt krachtens dezelfde beslissing van het tableau worden geschrapt. Te dezen overwegen de appelrechters van de tuchtraad van beroep dat, gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten gepleegd door de eiseres die reeds voor gelijkaardige feiten tot een tuchtstraf werd veroordeeld dat de raad van de orde terecht de tuchtstraf van schrapping heeft opgelegd. Uit het nazicht ter griffie van het tuchtdossier blijkt evenwel dat in dit dossier geen enkel stuk voorkomt dat het bewijs inhoudt van die vroegere veroordeling. Door de tuchtstraf van schrapping uit te spreken op grond van de overweging dat de eiseres reeds vroeger voor gelijkaardige feiten tot een tuchtstraf werd veroordeeld terwijl het tuchtdossier geen enkel stuk bevat dat het bewijs inhoudt van die vroegere veroordeling, wordt het recht van verdediging van de eiseres geschonden nu zij niet kan nagaan op welke beweerde vroegere veroordeling de appelrechters steunen (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbied voor het recht van verdediging voorschrijft en artikel 6 EVRM). Tevens wordt het Hof in de onmogelijkheid geplaatst om de wettelijkheid van de bedoelde tuchtstraf te controleren en schenden de appelrechters derhalve de artikelen 460 en in het bijzonder artikel 462 van het Gerechtelijk Wetboek. Vijfde onderdeel De appelrechters verklaren alle ten laste gelegde feiten bewezen en leggen op grond daarvan aan de eiseres de tuchtstraf van schrapping op. De ten laste gelegde feiten hebben betrekking op twee dossiers waarin ze tot voorlopig bewindvoerder over de goederen van een persoon werd aangesteld. Wat het eerste dossier betreft nr (...) inzake het bewind om de heer P., op klacht van de opvolgende bewindvoerder, Mr. D. K., zit het gehele feitendossier in het tuchtdossier met de nodige bewijzen erbij. Van het tweede dossier nr(...) dat betrekking zou hebben op een klacht van Mr. M. bevindt zich evenwel in het tuchtdossier geen enkel stuk dat op die klacht betrekking heeft en derhalve niet het minste bewijs van die feiten. Niettemin verklaren dat appelrechters deze feiten bewezen en leggen zij, gelet op de uitzonderlijke ernst van de feiten aan de eiseres de tuchtstraf op van schrapping. Nu er zich in het tuchtdossier geen enkel stuk bevindt dat betrekking heeft op de klacht inzake het dossier (...) wordt de eiseres in de onmogelijkheid geplaatst na te gaan of de bedoelde feiten inderdaad bewezen zijn waardoor het recht van verdediging van de eiseres wordt miskend (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft en van artikel 6.1 EVRM). Tevens wordt het Hof in de onmogelijkheid geplaatst de wettelijkheid van de beslissing van de appelrechters waarbij ook de feiten met betrekking tot dit tweede dossier bewezen worden verklaard te controleren zodat het Hof in de onmogelijkheid wordt geplaatst haar legaliteitscontrole uit te oefenen (schending van de artikelen 460 en 462 van het Gerechtelijk Wetboek). Aldus wordt het Hof in de onmogelijkheid geplaatst na te gaan of de appelrechters op wettelijke wijze de ten laste gelegde feiten bewezen verklaren. Bovendien bepaalt artikel 3 EVRM dat niet niemand mag onderworpen worden aan onmenselijke of vernederende straffen; een straf die kennelijk onevenredig is schendt artikel 3 EVRM. Te dezen wordt het Hof evenwel in de onmogelijkheid gesteld na te gaan of de opgelegde straf al dan niet kennelijk onevenredig is rekening houdend met de ten laste gelegde feiten en schenden de appelrechters derhalve tot slot eveneens artikel 3 EVRM alsook de artikelen 460 en 462 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Uit de omstandigheid alleen dat de tuchtraad van beroep van de Orde van advocaten is samengesteld uit vier advocaten en een magistraat valt niet af te leiden dat dit rechtscollege niet onafhankelijk en onpartijdig is in de zin van artikel 6, §1, van het EVRM. Deze samenstelling schendt evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. 2. Evenmin kan uit de omstandigheid alleen dat de tuchtraad van de Orde van advocaten in hoger beroep is samengesteld uit een magistraat aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep en vier advocaten, waarvan twee van de balie van de eiseres, worden afgeleid dat de leden-advocaten er belang bij hebben een concurrent van de markt te weren. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. 3. Het onderdeel is voor het overige afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de vereiste van onpartijdigheid. Het onderdeel is, in zoverre, niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 4. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 6.1. EVRM die onder meer het recht inhouden om zichzelf te verdedigen, brengt niet met zich mee dat de tuchtrechtelijk vervolgde advocaat een onbeperkt aantal keren om uitstel van behandeling kan vragen. Het feit dat de vervolgde advocaat geen beroep wenst te doen op de vertegenwoordiging door een raadsman doet hieraan niet af. Het recht van verdediging noch dit van zichzelf te verdedigen wordt niet miskend door de appelrechters die een verzoek in de verzetsprocedure tot uitstel van de eiseres afwijzen nadat de zaak zoals uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt, reeds meerdere malen op haar verzoek in de verstekprocedure werd uitgesteld. 5. De appelrechters oordelen naar recht dat "haar nieuw verzoek tot uitstel, ontvangen bij fax van 22 januari 2007 om 13.28 uur, niet werd toegestaan, om reden dat de (systematisch) ingeroepen medische redenen haar geenszins beletten zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman". Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 6. Het onderdeel gaat ervan uit dat de fax van 22 januari 2007 van de eiseres de tuchtraad van beroep informeerde van een fysieke onmogelijkheid in haar hoofde van aard aanleiding te geven tot de ambtshalve aanstelling van een raadsman. 7. Het onderdeel vereist een onderzoek van het feit of de eiseres in staat was haar verdediging voor te dragen. Het Hof is niet bevoegd om dat feit te onderzoeken en het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 8. Het onderdeel voert in wezen aan dat de tuchtraad van beroep het recht van verdediging van de eiseres en artikel 6 EVRM schendt omdat de eiseres niet kan nagaan op welke veroordeling de appelrechters steunen. Het recht van verdediging van de eiseres voor de tuchtraad van beroep kan niet geschonden zijn doordat zij thans niet kan nagaan op welke veroordeling de appelrechter alludeert. 9. Voor het overige voert het onderdeel aan dat het Hof in de onmogelijkheid is de wettelijkheid van de tuchtstraf te toetsen maar voert hiervoor artikelen van het Gerechtelijk Wetboek aan die de opgeworpen grief niet staven. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel 10. De eiseres voert aan dat haar recht van verdediging is miskend nu de appelrechters de strafmaat bepalen rekening houdend met de ten laste gelegde feiten in twee dossiers, terwijl er zich met betrekking tot een van deze dossiers, geen enkel stuk bevindt in het tuchtdossier dat op die klacht betrekking heeft en derhalve niet het minste bewijs van die feiten. 11. Het onderdeel vereist een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. 12. De appelrechters gronden hun beslissing tot het opleggen van de tuchtstraf van schrapping "na onderzoek van de zaak in hoger beroep" op het bewezen zijn gebleken van alle tenlasteleggingen met betrekking tot de dossiers 0506-10268 en 0203-10250 en de uitzonderlijke ernst van de feiten gepleegd door de eiseres die reeds voor gelijkaardige feiten tot een tuchtstraf veroordeeld werd. 13. Nu zij dit oordeel gronden op voormelde vaststellingen, hebben de appelrechters hun beslissing regelmatig met redenen omkleed zodat het Hof in staat is het wettigheidstoezicht waarmee het is belast uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 14. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de voorgehouden afwezigheid van controle van miskenning van het evenredig karakter van de straf. 15. De tuchtrechter bepaalt, binnen de bij de wet en het EVRM gestelde perken, in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuken. Het Hof vermag evenwel na te gaan of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt of werd geoordeeld met miskenning van artikel 3 EVRM. 16. De appelrechters steunen de schrapping op de onder randnummer 12 vermelde vaststellingen en schenden zodoende artikel 3 EVRM niet. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 573,77 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Didier Batselé, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 13 maart 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100226.5 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060105.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080905.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090605.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.